Een konijn woont in een hol, behalve als het thuis is want dan is het vol. Het staaltje dichtkunst staat te lezen op de muur van het toilet waarin ik mij bevind. De haastig neergekrabbelde zinnen herinneren mij eraan dat ik een liefhebber ben van het verschijnsel openbaar toilet. Dit exemplaar is wel erg nadrukkelijk publiek. Alsof het daar voor het nageslacht is neergezet, om rond het jaar 2150 op didactische wijze te laten zien hoe achterlijk de mensen anderhalve eeuw geleden waren.
...

Een konijn woont in een hol, behalve als het thuis is want dan is het vol. Het staaltje dichtkunst staat te lezen op de muur van het toilet waarin ik mij bevind. De haastig neergekrabbelde zinnen herinneren mij eraan dat ik een liefhebber ben van het verschijnsel openbaar toilet. Dit exemplaar is wel erg nadrukkelijk publiek. Alsof het daar voor het nageslacht is neergezet, om rond het jaar 2150 op didactische wijze te laten zien hoe achterlijk de mensen anderhalve eeuw geleden waren. Soms probeer ik mij de wereld voor te stellen over 150 jaar. Meestal hou ik daar al vlug mee op, want ik word er nerveus van, als een paard dat zijn oogkleppen wordt afgenomen en zijn omgeving opeens gevuld ziet met spichtige gedaanten en schrik. Vandaag echter niet. Vandaag kan ik alles hebben. Mocht er een kerel met een kettingzaag vanachter de hoek komen gesprongen, ik zou naar hem lachen en vragen of ik bij de houthak kan helpen. Het is een ouderwets toilet, met van die typische gele glanstegeltjes met donkergrijze voegen. Zelfs daarop hebben voorgangers hun ontboezemingen neergepoot, nu eens met viltstift en dan weer met balpen, de tongpunt uit de mond en met om hun lippen een verbeten trekje. Zich bewust van het belang van hun taak. Latrinalia, worden dit soort teksten genoemd. Wie niet beter weet, zou er de naam in kunnen zien van een gesofisticeerde vrouw. Erg bijzonder zijn de hier verzamelde latrinalia niet. Zonder jou zijn de gevoelens van vandaagslechts schilfers van die van vroeger, schreef een dichterlijke ziel met een schrijnende behoefte aan Head & Shoulders. Wie helpt er mij aan een zwart poesje met roze poes ? klaagt een ander zijn dringender nood. Het bericht is omcirkeld. TEL. AUB. Een telefoonnummer ontbreekt. Dat is wel anders dan in het groezelige motel waar ik onlangs overnachtte, en waar de vunzigste voorstellen in de toiletdeuren stonden gekrast, telkens voorzien van een gsm-nummer. Altijd overweegt een deeltje van mij eens te bellen. Gelukkig wordt dat beteugeld door mijn potige Über-Ich. De latrinalia hier zijn deftiger. Dat komt doordat we ons in een boekentempel bevinden. Getuige daarvan de zoetige geur die in het gebouw hangt en zelfs tot hier doordringt, samen met lawaai van stadsverkeer, het geloei van een sirene en het geblaf van een hond die aanslaat in de verte. In het toilet bevindt zich ook een borstel, van het bekende soort, en ik grinnik kwaadaardig als mijn oog erop valt. Het onschuldige voorwerp doet mij aan het verhaal denken dat een vriendin mij onlangs vertelde. Ze heeft een mulatzoon, die haar verklapte dat hij op school voor pleeborstel wordt uitgemaakt, met zijn rastakapsel en zijn bruine kleurtje. "Pleeborstels zijn toch wit ?" merkte ze wat dommig op. "Een die al in de shit heeft gezeten he, ma", antwoordde de jongen vermoeid. Hij schijnt zich weinig van de schimpnaam aan te trekken. ER ZIJN EVENVEEL SLECHTE BELGEN OF SLECHTE VREEMDELINGEN, schreeuwt iemand van tussen de stenen, met een politieke correctheid die zijn taalgevoel overtreft. Het wordt tijd dat ik opkras, want mijn benen beginnen te slapen. Dat heb ik vaker als ik mij in toiletten verschans, op de vlucht voor vrienden en bekenden, kraaiende gsm's, nietsontziende eindredacteuren, vetembolieën, ricocherende kogels en het nucleaire cataclysme dat ons allen wacht. Van geen van deze dingen heb ik vandaag last. Ik waan mij integendeel een kolibrie, die met zijn lange snavel nectar opzuigt uit een buisvormige bloem, met een snelheid van dertien likjes per seconde. Vergezocht is het zeker, maar het is nu eenmaal hoe ik mij voel, als drager van een groot en stil geluk dat dit sombere schijthuis doet walsen. Zelfs de gedachte dat mijn excrementen zich nu, via vernuftige stelsels van beerputten en buizen, ondergronds zullen verenigen met die van talloos veel andere mensen, is van aard mij te vermaken. Het is iets waar we zelden bij stilstaan als we elkaar bovengronds groeten. Buiten is de lucht erg kruidig. Ik zie een jongeman met een pijp, en een babyboomer met een trui in Taijitu-motief. Ik groet ze allebei vriendelijk en los op in de massa, met de lichtvoetige tred van een man die door een geluk is getroffen dat hij niet meer had verwacht. Reacties : jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders