Mijn moeder werd in Brussel geboren, mijn vader kwam met zijn ouders vanuit Geraardsbergen mee naar de stad tijdens Expo '58. Ik ben opgegroeid in Molenbeek. Toen ik kind was, waren er wel 'gastarbeiders', maar die maakten geen deel uit van ons leven. Met mijn grootouders van beide kanten woonden we op een halve vierkante kilometer."
...

Mijn moeder werd in Brussel geboren, mijn vader kwam met zijn ouders vanuit Geraardsbergen mee naar de stad tijdens Expo '58. Ik ben opgegroeid in Molenbeek. Toen ik kind was, waren er wel 'gastarbeiders', maar die maakten geen deel uit van ons leven. Met mijn grootouders van beide kanten woonden we op een halve vierkante kilometer." "Na het basisonderwijs, in de gemeenschapsschool, ging ik naar het Sint-Pieterscollege in Jette, een van de eerste gemengde katholieke scholen. Mijn moeder had de ambitie om mij naar Sint-Jan-Berchmans te sturen, het elitaire Brusselse Jezuïetencollege. Mijn vader verzette zich daartegen, hij wou niet dat ik alleen met jongens op school zat. Sint-Pieter was veeleer progressief. Mijn kinderen zitten er nu ook en het is er aardig van kleur veranderd, dat is de Brusselse realiteit." "Ik behoor niet direct tot een kamp. In Leuven ging ik rechten volgen, daarna heb ik nog een jaar aan de ULB gestudeerd. Ik zit in de raad van bestuur van de VUB, maar ik ben niet vrijzinnig. Ik zou mij als christen willen betitelen, zeker niet katholiek. Ik voel niet de behoefte om mij ergens tegen af te zetten, niet tegen geloof, noch tegen vrijzinnigheid. Problemen heb ik alleen met sectaire levensvisies, van welke inspiratie ook." "Afgezien van de scheiding van mijn ouders, toen ik dertien was, heb ik niets ergs meegemaakt. Mijn vader en moeder hebben daarover met mij en mijn zus steeds zeer open gecommuniceerd. Het moment dat mijn moeder het ons vertelde, zal ik wel nooit vergeten. Dat was hard. Die dag was ik helemaal verdwaasd." "Wij beleefden co-ouderschap avant la lettre. Mijn vrienden hadden het er soms moeilijk mee te onthouden bij wie ik verbleef op welke dag, maar ik heb al snel de voordelen van die situatie ingezien. Waarschijnlijk ook omdat mijn ouders on speaking terms bleven." "Schoonheid is voor mij dingen doorgronden en weten. Ik ben geen superacademische geest, mijn luiheid is een rem op mijn zoektocht naar wetenschap. Maar ik hou er wel van de dingen te begrijpen. Maar ik heb intussen 'begrepen' dat het maar kan als je ook voldoende intuïtie toelaat in je zoektocht. Kunst benader ik bijvoorbeeld op een intuïtieve manier. Ik vind een kunstwerk mooi als het iets bij me teweegbrengt." "Men overdrijft in mijn ogen als men steden bestempelt als onleefbaar. Als ik op een verloren weekenddag twee uur door de stad mag dwalen, ervaar ik schoonheid. De maatschappij zal in mijn ogen maar 'zijn' als ze in de stad kan bestaan. Je zit er soms op elkaars lip. Er is lawaai en stank. Maar tegelijkertijd is het de plek waar de mens het beste en het slechtste in zichzelf naar boven kan laten komen in contact met de anderen. Er zijn meer contacten tussen mensen en die zijn feller." "Ik heb me zelf al afgevraagd of ik in de randstad of buiten zou kúnnen wonen. Ik denk het niet, omdat ik die stadsimpulsen nodig heb. Marjan en ik gaan geregeld op citytrip. We maken nooit een al te strak programma, maar ik wil wel graag dingen zien. Voor de Andy Warhols staan in het MoMA in New York, geeft mij bijvoorbeeld een kick. Maar ik wil ook rondlopen in de straten, de sfeer opsnuiven, dat is bijna iets animaals. In Berlijn of Barcelona voel ik wat ik hier in Brussel voel. Zo'n stad is tegelijk de hel van Sartre en de spiegel, de herkenning in de andere, van Lévinas." "Lelijkheid associeer ik met domheid. Ik kan heel slecht tegen mensen die niet verder kijken dan hun neus lang is. Daar vloeien dingen uit voort die niet te tolereren zijn. Racisme gaat bijvoorbeeld vaak over domheid, niet alleen over angst. Zonder te beweren dat progressiviteit een godsdienst moet zijn, vind ik dat conservatisme vaak ook op domheid stoelt." "Ieder van is van oordeel dat bepaalde onderdelen van de maatschappij goed zijn zoals ze zijn en niet moeten veranderen. Maar je bent maar van één ding zeker, de wereld verandert en aanpassing is altijd nodig. Als je niet buigzaam bent, breek je. Ik heb problemen met mensen die de wereld bekijken als iets wat ze in een doosje kunnen steken en invriezen. Als je je omgeving probeert te bevriezen, kom je misschien zelf ook tot stilstand. Voor mij loopt er een lijn, langs de partijen en soms door de partijen heen. Wie kijkt vooruit en wie kijkt achteruit ? Soms krijg ik het gevoel dat het een hopeloze zaak is. In het verleden heb ik meer dan nu geprobeerd mensen te overtuigen van de noodzaak voor verandering. Tegenwoordig zeg ik meer : doe wel en zie niet om, ga verder met gelijkgezinden." "Het is een illusie te denken dat een maatschappelijk debat op een gegeven moment 'beslecht' is. Het gaat altijd door en het komt in golven terug. Ik ben bijvoorbeeld zelf nog opgegroeid in de na-naweeën van '68, een tijd waarin een juk afgeworpen moest worden. Die spanning lijkt nu weggeëbd. Je hoort ook bij jongeren een roep naar meer orde in de maatschappij." "Onlangs had ik daar nog een discussie over met een vriend, in onze jeugd waren we min of meer punkers, hij wat meer, ik wat minder. We waren het erover eens dat het licht anarchistische gevoel helemaal weg is. Dat bevalt mij allerminst. Ik koester dat nog steeds : kritisch zijn, gezag ter discussie stellen." "Mijn zonen komen op een leeftijd dat ze willen meepraten. Marjan en ik proberen hen te prikkelen opdat ze hun mening zouden vormen. We willen sparring partners zijn voor hen, niet enkel een klankbord." "Kracht haal ik uit liefde en vriendschap. Liefde van mijn vrouw, mijn kinderen, mijn ouders. Vriendschap is het enige waarvoor ik tijd maak, samen met sporten. Die vrienden staan buiten mijn politieke leven. Ik wil nog een deel van mezelf overhouden dat niet politiek is." "Als je verkozen bent, is het gevaarlijk om je volledig te identificeren met het openbare deel van je leven. Dat wil ik niet. Nooit. Nu ben ik veertig, ik zit dertien jaar in de actieve politiek en ik doe het nog altijd graag, je bereikt een positie waarin je invloed vergroot. Er komt echter een moment dat het ophoudt en dat zal wel nooit het goede moment zijn. Je vraagt je af wat de dingen zijn die je nog zou kunnen doen en vooral goed zou kunnen doen ? Mijn politieke verhaal is voor meer dan de helft geschreven. Ik kan er nog wel enkele hoofdstukken aan toevoegen, maar je kunt jezelf niet blijven heruitvinden, tenzij je een supertalent bent zoals Guy Verhofstadt." "Veel van wat ik wou, heb ik gerealiseerd. Soms vraag ik me af waar het heen gaat. Je kunt altijd zeggen : ooit wil ik minister worden. We zullen wel zien zeker ! Waarschijnlijk eerder niet dan wel. Ik zal mijn loopbaan zeker niet als onaf beschouwen als dat niet gebeurt. En met alle respect voor Herman De Croo, maar ik wil me niet eindeloos vastklampen aan een mandaat. Sinds kort geef ik als gastprofessor les aan de VUB. Ik had zin om eens iets anders te doen, maar ik probeer ook een beetje vooruitziend te zijn. Wie weet komt er later wat meer van ?" "Hoe graag ik mijn vak ook doe, mijn krachtbronnen liggen daarbuiten. Dat wil ik blijven beseffen. Ik wil mezelf blijven bekijken als de jongen van zeventien die ik ooit was. Ik hoef die nu niet meer te zijn, maar ik mag hem niet vergeten." "Soms leg ik voor mezelf de lat te hoog, wat het niet makkelijk maakt voor degenen die mij omringen. Ik ben geen ambetante mens om mee samen te leven, maar ik heb weinig geduld met mensen die niet even veeleisend zijn voor zichzelf. Dat ik niet de slimste van de klas ben, besef ik zeer goed, maar door mijn werkkracht bereik ik wel een vrij goed gemiddelde." "Voor mijn kinderen vind ik dat ze niet onder hun niveau moeten werken. Dat ze het heel goed doen op school is een luxe. En als er een minder presteert dan waartoe hij in staat is, herinneren we hem wel aan wat we verwachten. Ten aanzien van mijn vrouw heb ik wellicht wat veel ruimte nodig, ik babbel te veel en ondanks het feit dat ik niet slecht luister, doe ik dat misschien toch te weinig." "Een depressie zie je niet aankomen. Ik was dertig en ging altijd maar door op mijn elan van de succesvolle scoutsleider die ik was, die groepsleider en daarna districtscommissaris werd. Die daarna voor Vic Anciaux begon te werken en als beloftevolle boy op 28 als zijn opvolger in het Brussels Parlement belandde. Het was een moeilijke periode, we wilden de Volksunie terug op de kaart zetten en daarvoor moesten we onze werkkracht opdrijven. Ik ben toen te lang in mijn reserves gegaan. Ik nam alles aan wat ze mij gaven, ik kon immers alles aan. Dat bleek niet zo te zijn. Ik werd letterlijk met mijn eigen sterfelijkheid geconfronteerd. Je botst tegen je eigen grenzen. Het begint met fysieke symptomen die je niet kunt thuisbrengen. 's Morgens om 6 uur wakker worden met existentiële angst terwijl je weet dat je een rustige werkdag in het verschiet hebt. Je niet meer kunnen concentreren, trager praten. Om 8 uur opstaan en tegen de middag alweer in slaap te vallen. Depressie is een ziekte, een kortsluiting in je energiesysteem. De vraag is hoe het zo ver kan komen, hoe je daar ook weer uitraakt. Ik heb dat allemaal goed kunnen 'verstoppen'. Gelukkig kon ik er wel over praten met de mensen in de partij. Ik ben ook in de moeilijkste maanden altijd blijven voortwerken, op drie weken na. Van alleen thuis zitten werd ik gek." "Het hielp te weten dat het ook in de genen zat, mijn moeder had er al eerder last van. Met haar kon ik er over spreken. Ik was bang voor de reactie in de buitenwereld, van het stigma dat ik het politieke bedrijf niet zou aankunnen. Nu kan ik er afstandelijker naar kijken, men gaat er in ons vak tegenwoordig trouwens ook openlijker mee om dan tien jaar geleden." "Uit die ervaring heb ik een aantal conclusies getrokken : één avond in de werkweek vergader ik niet. Dat kan ik al tien jaar aardig volhouden. In het begin voelde ik me daar slecht bij. Tot ik me de vraag stelde wie me zou me missen als ik er niet was ? Het antwoord is bijna altijd : niemand." "Mijn moeder is vorig jaar gestorven, ze moest nog 61 worden. De afgelopen maanden heb ik geleerd dat de dood deel uitmaakt van het leven. Dat klinkt als een cliché, ik weet het. Mijn zus en ik hebben onze moeder in de armen gehouden toen ze stierf. Het is het ergste wat mij ooit is overkomen, maar tegelijk was het zeer intens en mooi. Als ik nu in een moeilijk moment het woord moet nemen in het parlement en voel dat de druk groot is, dat ik niet uit de bocht mag gaan, besef ik dat mij niets kan overkomen dat erger is. De dood van mijn moeder heeft mij eindelijk geleerd te relativeren. Dat kon ik blijkbaar voordien niet zo goed, anders was ik niet depressief geworden." "Op sommige momenten ben ik graag onder mannen. Male bonding, zeveren, onnozele, zelfs vuile praat verkopen. Maar niet te veel, want dan wordt het ranzig. Ik werk graag en hard, maar ik moet kunnen stoom aflaten op vrijdagavond. Samen met mijn vader ben ik lid van de Bierpruvers, een club van twaalf mannen die bierproeverijen organiseren. Ik ben de jongste en opgenomen als lid sinds ik zeventien werd. Bier is een passie voor mij." "Die Bierpruvers komen al samen van voor mijn geboorte. De club werd gesticht door een wat onconventionele pastoor, Jo Louis. Hij was een goede vriend van mijn vader. Jo was een levensgenieter, hij kwam uit de betere kringen en introduceerde mijn vader en zijn vrienden tot lekker eten en drinken. Dat hing samen met de tijdsgeest, in de jaren vijftig en zestig begon dat tot de cultuur van gewone mensen te behoren." "Los van het feit dat het voor mij een plezante uitlaatklep is, is het ook wel iets moois dat je zo lang bevriend kunt zijn. Al maken we het elkaar bewust niet gemakkelijk, er zijn wel discussies. Als buitenstaanders ons bezig zien, denken ze weleens dat we ruzie maken."Door Tessa Vermeiren I Foto's Saskia Vanderstichele