Mode is, kort samengevat, een zaak van eendagsvliegen en blijvers, van wonderboys en losers. Het hoofd boven water houden vergt niet alleen talent, maar ook doorzettingsvermogen, wilskracht en een flinke dosis zelfvertrouwen. Niemand is eeuwig hip, en wie niet hip is, die is onmiskenbaar passé.

Christian Lacroix, die twintig jaar geleden zijn eigen merk begon, is een blijver. Dat heeft onder meer met populariteit te maken en met veelzijdigheid. Hij is een heuse volksheld. In Frankrijk, waar hij nog altijd op handen wordt gedragen, maar ook, dankzij het feuilleton Absolutely Fabulous, ver over de landgrenzen. Bovendien wordt hij gerespecteerd door de intelligentsia. Omdat hij geïnteresseerd is in theater, kunst en literatuur en blijkbaar net iets meer weet dan de doorsnee-ontwerper. Hij is ook nog eens gelukkig getrouwd, toch wel een uitzondering in het ietwat dolle modecircus.

De jonge Lacroix verhuisde in de vroege jaren zeventig van Arles naar Parijs. Hij studeerde literatuur en kunstgeschiedenis met de ambitie museumconservator te worden, maar kwam in 1981 bij het mythische huis Jean Patou terecht, eerder al het lanceerplatform van de carrières van Karl Lagerfeld en Jean-Paul Gaultier. Zijn couture voor Patou werd unaniem geprezen. Waarna hij zijn eigen merk begon onder de paraplu van de machtige luxegroep LVMH, het moederhuis van Louis Vuitton en Christian Dior.

Hij bleek al snel niet louter een modeontwerper. Lacroix was een ontwerper tout court. Van lakens, bestek en koffiekopjes, van treinwagons en postzegels, van hotelkamers en encyclopedieën. Zijn kernactiviteit mode, voor wie niet goed heeft opgelet, leek soms bijzaak. De Franse krant Libération noemde hem onlangs een costumier, eerder dan een couturier. Zijn visuele woordenschat kan gerust theatraal worden genoemd en hij heeft ook talloze theaterstukken en operavoorstellingen aangekleed. De couturejurken van Lacroix waren (en zijn) bijna altijd sprookjesachtig en vaak adembenemend. Maar couturejurken zijn kostuums, in tegenstelling tot prêt-à-porter. Kon Christian Lacroix eigenlijk wel draagbare kleren ontwerpen ?

In 2005 verloor hij het vertrouwen van Bernard Arnault, het opperhoofd van LVMH. Dat was grotendeels het gevolg van opeenvolgende zwakke resultaten. Grootste probleem : de parfums van het merk, een eindeloze geschiedenis van halve en hele flops. LVMH verkocht Lacroix aan een Amerikaanse groep, Falic, een filiaal van Duty Free America, gespecialiseerd in luchthavenwinkels. De toekomst zag er niet goed uit, maar zie : twee jaar later lijkt Lacroix herboren.

Hij is in 2007 alomtegenwoordig. Dat heeft niet alleen te maken met zijn jubileumjaar. De tijdgeest is net zo belangrijk. Alsof de verenigde fashionista's tijdens een concilium hebben beslist dat Lacroix opnieuw telt.

Eind april was hij eregast en juryvoorzitter van het invloedrijke festival voor jonge ontwerpers van Hyères, in het zuiden van Frankrijk, zijn geliefkoosde Sud. Daar bleek dat hij nog steeds populair is. De plaatselijke bevolking, die de voorbije jaren hele vliegtuigladingen ontwerpers op bezoek kreeg en daarbij meestal stoïcijns blijft, leek zowaar onder de indruk van zijn aanwezigheid. In de Villa Noailles, het hoofdkwartier van het festival, liep een zeer fijne en wat ons betreft zelfs openbarende overzichtstentoonstelling van zijn werk, met onder meer, in een hoekje, een plasticfles van het javelmerk Lacroix.

Lacroix is meer dan ooit een creatieve duizendpoot. In juni opende de Franse spoorwegmaatschappij SNCF een hogesnelheidsverbinding tussen Parijs en Straatsburg, de TGV Est. De treinen waren ingericht door Lacroix (met veel mauve) en hij ontwierp ook nieuwe uniformen voor de controleurs. Ongeveer terzelfder tijd presenteerde de verkoopcataloog La Redoute zijn wintercollectie. Daarin is een belangrijk luik gewijd aan Lacroix (er werd een aparte website voor opgericht, in het Nederlands : christianlacroixvoorlaredoute. be ).

In juli opende in de schaduw van het Musée d'Orsay in Parijs het Hotel de Bellechasse, het tweede hotelproject van Lacroix in de Franse hoofdstad (na het overal geprezen, piepkleine Hotel du Petit Moulin in de Marais). Later dit jaar, tijdens de modeweek, opent in het Parijse modemuseum van Les Arts Décoratifs, een andere aan Lacroix gewijde tentoonstelling. En bij Habitat liggen nog steeds zijn Fashion Monsters, een geweldig trio bonte poppen. Er is, kortom, geen twijfel mogelijk : 2007 is het jaar van Lacroix.

Hoe hebt u destijds uw twintigste verjaardag gevierd en dit jaar de twintigste verjaardag van uw merk ?

Christian Lacroix : Mijn twintigste verjaardag heb ik gevierd met mijn vrienden in Montpellier, waar ik aan de universiteit studeerde. In feite ben ik nooit echt fan geweest van verjaardagen. Een verjaardag is het soort evenement waarvan ik me, heel eerlijk gezegd, moeilijk het belang of zelfs maar de betekenis kan voorstellen. Het zijn dan ook eerder andere mensen die me heel vriendelijk de twintigste verjaardag van het maison hebben gesignaleerd. Ik heb er ook niet echt iets mee gedaan in de collecties. Eigenlijk ben ik 25 jaar geleden begonnen. Goed, we hebben vrienden, partners en klanten uitgenodigd, voor een soiree op de daken van Beaubourg. Heel simpel, zonder people of media.

Hoe kijkt u terug op de voorbije twintig jaar ? Hoe is de mode tussen 1987 en 2007 veranderd. Bent u veranderd ?

Ik heb die twintig jaar niet zien voorbijgaan. Het waren zeker niet mijn favoriete decennia. Ik was gelukkig als tiener in de jaren zestig. Dat was een decennium van uitvindingen, enthousiasme, inspiratie, smaak, kracht, optimisme, plezier, creativiteit. Al die zaken ontbreken vandaag over het algemeen. Maar ik leef in een persoonlijke microkosmos waar ik de idealen van mijn jeugd blijf cultiveren. Zonder wanhoop, integendeel, met de rotsvaste overtuiging dat er nog zoiets mogelijk is als een utopie. De voorbije twintig jaar zijn we overgegaan van het individu naar het globalisme, van de creativiteit naar het product, van het gemakkelijke geld naar de armoede, van een gevoel dat alles mogelijk is naar een soort passiviteit. Wat mezelf betreft : ik ben fysiek veranderd, maar niet vanbinnen. Mijn overtuigingen zijn dezelfde gebleven. Ik beleef ze met meer energie dan vroeger omdat ik mezelf beter beheers. Ik ben wijzer, kalmer, volwassener.

Is uw geliefkoosde Zuiden veranderd ?

Zoals alle toeristische streken is ook Zuid-Frankrijk niet gespaard gebleven van enerzijds de nivellering, de banalisering en de vervlakking, en anderzijds de schade van projectontwikkelaars, bepaalde karikaturen en ecologische problemen. Maar de ziel van de mensen, de aarde en de stenen, die zijn onveranderd. Dat beseft iedereen nu wel. De nieuwe generatie probeert die ziel te bewaren en iets te doen aan de problemen.

Hebt u het Zuiden veranderd ?

Het enige wat ik heb gedaan, is dat ik in mijn werk het Zuiden heb getoond, getuigd heb van mijn liefde voor mijn geboortestreek en een zekere dankbaarheid voor wat ze me heeft gegeven, via mijn familie, mijn herinneringen, mijn jeugd. Het zou zeer pretentieus zijn om te zeggen dat ik het Zuiden heb veranderd. Misschien heb ik heb het Zuiden naar elders geëxporteerd, maar meer niet.

Uw tentoonstelling in Hyères gaf een zeer frisse blik op uw werk. Denkt u dat een ontwerper zich voortdurend moet heruitvinden ?

Projecten zoals de tentoonstelling in Hyères moeten een aanleiding zijn om na te denken, om stil te staan bij wat je doet, en, heel concreet, om conclusies te trekken. De installatie is in zekere zin de spiegel van mijn huidige gemoedsstemming. Ik neem een zekere afstand tegenover mijn werk uit het verleden en toon terzelfder tijd welwillendheid voor de manier waarop het maison past in dit tijdperk, en in het huidige modelandschap. Ik wilde geen viering, en dus ook geen retrospectief. Ik wilde liever niet de couture tonen, die sowieso op een voetstuk staat en voldoende erkend wordt. In de plaats daarvan hebben we de prêt-à-porter getoond, omdat de meeste mensen zich daar minder gemakkelijk iets bij kunnen voorstellen. Ze kennen me vooral als couturier. Ik ben geen kunstenaar, en daarom wilde ik kunstenaars laten tussenkomen. Een beetje zoals destijds de comtesse van Noailles (een notoir kunstliefhebber die met haar man de kubistische Villa in Hyères liet bouwen).

Ik heb uiteindelijk samengewerkt met een bevriende choreograaf, een designer en een kunstenaar, mensen van wie ik houd en die ik bewonder. Als je van de mode je beroep maakt, dan moet je jezelf inderdaad heruitvinden. Je mag in elk geval de draad niet verliezen, en je mag ook niet halverwege stoppen. Je moet van dag tot dag aan jezelf werken.

Wat hebt u geleerd van het groot aantal samenwerkingen dat u de voorbije maanden is aangegaan ? Welk project is u het meest bevallen ?

Mijn samenwerkingen laten me toe mezelf te construeren. Net zoals de verschillende stukken van een puzzel na verloop van tijd een enkel beeld vormen. Ik vind vanzelfsprekend alle projecten interessant. Ik heb altijd het meeste plezier aan het laatste of het volgende project, zoals op dit moment het Hotel de Bellechasse, dat deze zomer is geopend. Die hotelinrichting is voor mij een stap voorwaarts in het universum van decoratie, een universum waarin ik me volgend jaar nog meer wil verdiepen. Ik ben in 2008 ook commissaris van het festival Rencontres de la Photo en ik heb carte blanche gekregen van het Musée Réattu, beide in Arles. In de toekomst wil ik graag verder gaan met architectuur, decors en scenografie voor theater, en boeken. Ik mag ook mijn tentoonstelling in het musée de la Mode van Les Arts Décoratifs niet vergeten. Die loopt vanaf november. Ik toon er mijn visie op de kostuumcollecties van de zeventiende eeuw en twintig jaar collecties van Couture Christian Lacroix.

Welke plaats krijgen architectuur en decoratie in uw werk ?

Ze worden almaar belangrijker, omdat ze complementair zijn met mijn activiteiten als designer en kostuumontwerper. Ze scheppen als het ware een omgeving voor mijn kleren, een decor. Ik heb altijd geprobeerd om tussenbeide te komen in alles wat het leven aanbelangt, alles wat ons omringt. Ik probeer het leven te theatraliseren, zeg maar.

Wat vindt u van de huidige generatie jonge ontwerpers ? Wie zijn uw lievelingen ? Wat vond u van het jonge talent in Hyères ?

Ik leef mee met de nieuwe generatie. Ze hebben het moeilijker dan vorige generaties. Maar die moeilijkheden hebben hen veeleisender gemaakt. Hun creativiteit is gespierder en individueler dan die van vorige generaties. Bij de gevestigde jonge huizen houd ik van Rodarte, Tsumori Chisato, Under Cover. Ik vond de cuvée van het festival van Hyères uitstekend, met ontwerpers die zich bewust zijn van de technische, mediatieke, financiële inzet, maar die tegelijk ook zeer vastbesloten zijn om zich op hun eigen manier uit te drukken. Hun werk is losgekoppeld van de gewoonlijke inspiratiebronnen, gestript van de invloeden van de populaire huizen van het moment.

Het is erg moeilijk voor jonge ontwerpers om door te breken. Denkt u dat er nog een Christian Lacroix kan opstaan ?

Zonder probleem. Het was zeker gemakkelijker in 1987, maar ik wanhoop niet als ik zie hoe vastberaden deze generatie ontwerpers is, en ik vertrouw ook de inspiratie van de komende generatie investeerders.

Wat betekent luxe voor u ?

Luxe is tegenwoordig tijd, ruimte, iets unieks wat bedacht is en gemaakt voor één enkel individu, niemand anders. Zeldzaamheid. Toen ik pas begon, dacht men bij luxe eerder aan iets wat noodzakelijkerwijs duur was, minder discreet ook. Luxe was bedoeld om iemands sociaal statuut te bevestigen. Luxe was extravagant. Tegenwoordig behoort luxe eerder tot het intieme domein, het is minder clinquant.

U schrijft, op uw website : "In het portret van des Esseintes door Huysmans (in de roman Tegen de keer), herkende ik het ideaal van toen ik vijftien was, surfend van het natuurlijke naar het kunstmatige, van het gelovige naar het profane. Ik wou net zo goed in een schilderij van Gustave Moureau wonen als op een eiland in de Cycladen." Wat is uw ideaal in 2007 ?

Mijn ideaal is niet veranderd. Het is nog altijd een va-et-vient tussen alle extremen van het leven. Met misschien simpelweg een beetje meer harmonie.

Wie waren en zijn uw helden ?

Ik heb altijd gehouden, en zal altijd houden, van mensen die radicaal anders zijn, die op een transgressieve manier anders zijn, mensen die moedig zijn en genereus, grappig en gracieus. Mensen die me verbazen.

Wat kunnen we u wensen voor de volgende twintig jaar ?

Het Noorden niet te verliezen en het Zuiden ook niet. Met andere mensen overtuigingen te delen, door te gaan, de vlam niet te laten doven en elke seconde te evolueren.

Door Jesse Brouns