"Om te vertragen is nooit iets beters verzonnen dan wandelen", schrijft de Franse filosoof Frédéric Gros. Maar hoe je ook wandelt, van A naar B, of een berg op, of gewoon zonder doel : te voet gaan is vandaag meer dan ooit een keuze.
...

"Om te vertragen is nooit iets beters verzonnen dan wandelen", schrijft de Franse filosoof Frédéric Gros. Maar hoe je ook wandelt, van A naar B, of een berg op, of gewoon zonder doel : te voet gaan is vandaag meer dan ooit een keuze. Ooit ging het nochtans als vanzelf. Zodra het dier mens op twee benen kon lopen, wandelde het. Er moest immers hout worden gesprokkeld en voedsel worden verzameld. Wandelen is, samen met lopen en zwemmen, onze meest natuurlijke manier van bewegen. Dat wandelen was eeuwenlang ook noodzakelijk als je je iets verder wilde verplaatsen. Niet iedereen had geld voor een paard of een rijtuig. Voor sommige mensen, mannen vooral, was wandelen zelfs hun manier van werken. Filosofen als Jean-Jacques Rousseau, Friedrich Nietzsche, Immanuel Kant, de dichters Wordsworth en Rimbaud : stuk voor stuk waren het filosofen-schrijvers die meer op wandelpaden vertoefden dan achter hun schrijftafel. Toch penden ze gewichtige en mooie geschriften bij elkaar. De ene doorkruiste Europa, de andere - Kant - liep klokvast rondjes in zijn woonplaats Königsberg. In hun hoofd reisden ze allemaal naar plekken waar je zelfs met het vernuftigste vervoermiddel niet kan komen. En zo is het nog altijd, alle technologische evolutie ten spijt : je komt nooit dichter bij de groeven van een landschap of de eeltlagen van een stad dan te voet - fysiek én mentaal. Het pad, het wandelen en de verbeelding zijn één, daar zijn diverse wandelspecialisten het over eens. De gevolgde weg is je leidraad, je verhaal. Als je wandelt, kom je niet enkel buiten maar ga je ook naar binnen. "Paden verbinden. (...) Ze brengen contact tussen plaatsen tot stand, en bij uitbreiding brengen ze contact tussen mensen tot stand", schrijft Robert Macfarlane in De oude wegen. "Wandelen is een mogelijkheid om jezelf opnieuw uit te vinden," aldus David Henry Thoreau, auteur van een van de eerste filosofische teksten over het wandelen zelf. "Denken wordt globaal gezien als 'nietsdoen' en in een cultuur die heel erg gericht is op productie ligt dat 'nietsdoen' moeilijk. Dus kan je het beter vermommen als 'iets doen'. 'Iets doen' dat het best raakt aan 'nietsdoen' is wandelen." Dat schrijft de eigenzinnige historica Rebecca Solnit in Wanderlust, een geschiedenis van het wandelen. Nagenoeg geen enkel aspect van het fenomeen laat ze in haar betoog onberoerd. Ze zoomt in op bovenvermelde beroepswandelaars, maar ook op wandelen als politiek drukkingsmiddel (Ghandi), als religieuze beleving (pelgrims), op wandelen in literatuur en beeldende kunst, op flaneren in de metropool. Wie graag wandelt, waar dan ook en hoe dan ook, komt in deze diepgravende studie zichzelf tegen. Wandelen was vroeger vooral aan mannen voorbehouden, ook al omdat het beslist nog onveiliger dan nu was om je als vrouw alleen op pad te begeven. Vrouwen die wel afstanden te voet overbrugden, golden al snel als rebels. Solnit geeft het voorbeeld van Jane Austens hoofdpersonage Elizabeth Bennet in Pride and Prejudice. Door het huis te verlaten en zich in haar eentje een weg te banen door het Engelse platteland, maakte ze duidelijk dat ze niet binnen de vrouwenlijntjes wilde lopen. Auteur George Sand was ook een bekende wandelaarster, zij het vooral in de stad. Vandaar dat ze zich in mannenkleren hulde, dat vond ze comfortabeler. Nachtelijk wandelen was dan weer hoofdzakelijk voorbehouden aan prostituees. Wandelen had dus altijd al meer dan één gezicht. Je buiten de maatschappij plaatsen, zoals Rousseau en Thoreau, verleiden en heimelijke gesprekken voeren, vaak in stadsparken en rijke tuinen, of gewoonweg van de natuur of de stad proberen te genieten. William Wordsworth doorkruiste het platteland en spon poëzie uit zijn tochten. Charles Baudelaire en Walter Benjamin gaven vooral een stem aan de flaneur : de stadsverkenner die opging in de massa en van de metropool zijn woonkamer maakte. De wandelmens kwam in de verdrukking door de industriële revolutie en de moderne transportmiddelen, allereerst de trein. Door zijn snelheid tastte die de nauwe band aan tussen de reiziger en de ruimte waar hij doorheen raasde. Disembodiment heet het bij Solnit : van het lichaam gescheiden. Als wandelaar proefde de mens met al zijn zintuigen van het landschap, van buiten. Een treinreiziger - toen was een trein nog een razendsnel vervoermiddel voor de menselijke geest - werd veeleer gereduceerd tot een 'pakket' dat van punt A naar punt B werd gekatapulteerd. Kwam daarbij de groei van de steden en de opkomst van de stadsrand. De middenklasse ontvluchtte de stadskern en ging samenhokken in netjes geplande buitenwijken, compleet met shoppingfaciliteiten. Die wijken werden op maat gesneden van de auto, minder van de wandelaar. Tussen het stadscentrum en het platteland kwam een soort buffer, die zelden te voet werd overbrugd. Die druk op de wandelaar en het wandelen kennen we vandaag nog altijd. Wandelen is nu minder een daad van verzet, tenzij in betogingen, maar een langeafstandswandelaar met rugzak wordt nog altijd een beetje als apart aanzien. Onze vervoersmiddelen zijn nog talrijker en sneller geworden, ons leven nog gejaagder. Time is money, dus wandelen om te wandelen voelt als tijdverlies. Als we vandaag al wandelen, is dat doorgaans niet om ons via een drukke steenweg naar een of ander winkelcentrum te begeven. Nee, we rijden met de auto naar zo'n centrum om daar specifieke en dure wandelspullen in te slaan, waar we elders mee op tocht gaan. Wandelen gebeurt vandaag voornamelijk gepland en gestructureerd. Op zondag, afgemeten, in een natuurdomein, in wat overgebleven duinen of aan de zeedijk. We wandelen ook wel door de 'wilde' natuur, maar dan beladen met een gedetailleerde wandelgids en (knooppunten)kaart, soms zelfs een gps. In een stad sjokken we liefst achter een betrouwbare gids met paraplu aan en stappen we waar alle toeristen voor ons al stapten. Of we doen aan snelwandelen, voor de kick. Als we dicht bij huis wandelen, dan op zijn minst met een hond (en smartphone). Wandelen moet een doel hebben. Het is ook big business geworden. Een soort format. We komen wel buiten, maar dan liefst gewapend tegen alle natuurelementen. Geen computer zonder virus-scanner, geen wandelaar zonder gore-tex en buienradar. Zelfs de route naar een pelgrimsoord als Santiago de Compostela is vandaag veeleer een 'podostrade' dan een sereen en eeuwenoud wandelpad waar je in contact komt met jezelf, de wereld en - desnoods - een god. Katten denken niet na over wandelen. Ze steken hun neus buiten, gaan de tuin in en zwerven wat rond, benieuwd wat vandaag weer op hun pad komt. En ze genieten daar telkens opnieuw van. Wij durven in tijden van smartphones, gps en andere technologie niet meer doelloos op twee benen de deur uit te gaan. Wie neemt er vandaag nog de eerste de beste trein, om uit te stappen in een stad waar hij of zij nooit eerder geweest is en daar zonder stadsplan straten en wijken te verkennen, puur op intuïtie ? Durven we nog te verdwalen, fysiek en in ons hoofd, zoals Rebecca Solnit in het spoor van oude wandelaars aanprijst in haar A Field guide to getting lost ? Wagen we het nog, zoals Frédéric Gros, om op een bepaald moment onze rugzak af te leggen, die in een of andere boom te verbergen en een etmaal te voet verder te gaan, terwijl we enkel vertrouwen op ons lichaam, een paar schoenen, de elementen en wat we terugkrijgen van het landschap en de aarde ? "Er is altijd iets te doen, maar hoe zit het met het zijn ?", schrijft diezelfde Gros. En ook : "Je zou jezelf de ongewone en eenvoudige luxe eens moeten gunnen door je eigen wijk te wandelen. Door alleen maar te wandelen, zonder te hollen, zonder jezelf een duidelijk omschreven opdracht te geven, ervaar je de stad een beetje zoals die zich voordoet aan degene die hem voor het eerst ziet. Omdat je nergens speciaal op let, ligt alles voor het grijpen : kleuren, kleinigheden, vormen, de gevels. Het wandelen, het doelloos in je eentje wandelen geeft je je gezichtsvermogen terug..." Wandelen is vandaag niet vanzelfsprekend, maar tegelijk is het, net als joggen, weer in. Vanuit het besef dat we te veel stilzitten en te veel naar schermen turen. Vanuit een behoefte aan onthaasting en 'leven in het moment'. Vanuit een honger naar innerlijke verdieping in tijden dat de buitenwereld soms wel erg gruwelijk op ons afkomt. Het STOP-principe (Stappen, Trappen, Openbaar vervoer en pas dan Personenwagens) dat vandaag populair is bij stadsplanners, zet de stappers in stedelijke kernen op de eerste plaats. Stadssnelwegen worden geregeld verkeersvrij verklaard, pleinen weer ingepalmd door bomen, auto's meer onder de grond gestopt of uit de stad geweerd, voetgangerszones steviger ingekleurd en uitgerekt. En hoge hakken zijn al een tijdje ingeruild voor hippe sneakers en slenterschoeisel. Buitenwijken en ringzones blijven moeilijk gebied voor wie te voet wil gaan, maar in de stadskern zelf komt de flaneur weer volop aan zijn trekken. Wie zich buiten de stad een wandelaar noemt, doet dat in wandelclubs of trekt diep de wildernis in om te ontsnappen aan de hectiek van de eenentwintigste eeuw.Door Annelies De Waele & illustratie Fatinha RamosZo is het nog altijd, alle technologische evolutie ten spijt : je komt nooit dichter bij de groeven van een landschap of de eeltlagen van een stad dan te voet