?It's alive !? kreet Victor Frankenstein, toen zijn monster in de vorige eeuw tot leven kwam. Het horrorgenre lacht tegenwoordig met zichzelf, maar levert nog steeds een uitlaatklep voor onze angsten. Of niet ?
...

?It's alive !? kreet Victor Frankenstein, toen zijn monster in de vorige eeuw tot leven kwam. Het horrorgenre lacht tegenwoordig met zichzelf, maar levert nog steeds een uitlaatklep voor onze angsten. Of niet ?Bart Vandergeten / Foto's Van Parys De oorsprong van horror als genre moeten we in het Victoriaanse tijdperk van de 19de eeuw zoeken. Toen leverden Britse schrijvers zogenaamd ?gotische? griezelverhalen af de donkere, barbaarse keerzijde van de romantiek die nog steeds tot het gemeengoed van de massacultuur behoren. Figuren als Jekyll en Hyde, het monster van Frankenstein en de eerste literaire vampieren ondergingen sinds hun creatie ontelbare aanpassingen in achtereenvolgende bewerkingen voor toneel en film. Willen we echt een geboorteplaats en -datum voor de horror, dan moeten we terug naar 1816, aan de oevers van het meer van Genève. Daar had zich in mei van dat jaar voor een langdurig zomerverblijf een Engels schrijversgezelschap rond Lord Byron verzameld. Onder hen bevonden zich de 18-jarige Mary Wollstonecraft Godwin en haar aanstaande, Percy Shelley. Teneinde de natte, gure zomer in Zwitserland toch op een aangename manier door te brengen, begon het gezelschap elkaar spookverhalen voor te lezen, wat hen daarna op het idee bracht ze zelf te schrijven. De twee poëten Byron en Shelley bakten er weinig van, maar Mary Godwin bleef broeden, tot ze, geïnspireerd door de woeste Alpennatuur en gesprekken over de wetenschappelijke experimenten van die tijd, met een eerste, korte conceptversie van Frankenstein voor de dag kwam. In 1818 vond ze voor de uitgewerkte versie een Engelse uitgever. Het ?Monster? van doctor Frankenstein was geboren, en al gauw een begrip, maar werd eigenlijk pas echt monsterachtig gemaakt in de latere toneel- en filmbewerkingen. In het boek van Mary Shelley is het schepsel gemaakt van prachtige, jonge lichaamsdelen die alleen niet echt bij elkaar passen. Hoezeer wijkt de beroemde belichaming door Boris Karloff in de Hollywoodfilm uit 1931 daarvan af ! Stalen bout door de hals, overdreven hoog voorhoofd, draden en hechtingen... Mary Shelley had het schepsel in haar boek als ?mooi? omschreven. Het was het gebrek aan liefde en opvoeding dat van hem een gevaar maakte. ?Ik was welwillend en goed : de ellende veranderde mij in een demon.? Wellicht zou Shelley zich er nooit druk om gemaakt hebben. In de tweede, vereenvoudigde editie van haar boek uit 1838 ging de schrijfster zelf de nadruk naar de huiveringwekkende aspecten verleggen, en schrapte ze persoonlijke thema's om een ongekunstelde parabel over te houden van de wetenschapper die God durft te spelen. Enkele jaren voor die herziening had Shelley vastgesteld hoeveel succes de populaire, conservatieve interpretatie van haar roman in de eerste toneelopvoering had. En aangezien zij toch geen auteursrechten kon laten gelden op theaterbewerkingen... Zo veranderde het Schepsel in het Monster en ging het publiek bijna terzelfder tijd het Monster zelf Frankenstein noemen, een naamsverwarring die tot vandaag standhoudt. Maar Frankenstein is niet de enige klassieke horrorroman die, los van zijn bedenker, een eigen leven is gaan leiden. The Strange Case of Dr. Jekyll en Mr. Hyde van Robert Louis Stevenson heeft een gelijkaardige geschiedenis. In het oorspronkelijke boek uit 1866 hecht de auteur veel belang aan de hypocriete houding van dokter Jekyll, die het beest Hyde van zijn persoonlijkheid wil afscheiden in plaats van te aanvaarden dat het er deel van uitmaakt. In de visie van Stevenson tekent Jekyll door die halsstarrigheid zijn eigen ondergang. Het beest moest, ontkend als het was, wel uitbreken. De zedenpredikers onder de recensenten lazen het boek van Stevenson helemaal anders. The Strange Case ging volgens hen over de strijd tussen goed en kwaad. Jekyll was een geleerde die in de gedaante van mister Hyde ongestraft misdaden kon plegen. Gelukkig kwam de dokter door die praktijken aan zijn einde en zegevierde de moraliteit. Daarom fixeerden de recensenten zich ook op de ontknoping van het boek, waarin pas helemaal op het einde onthuld wordt dat Jekyll en Hyde één en dezelfde waren. De hypocriete aspecten van dokter Jekyll, die in de andere hoofdstukken aan bod kwamen, zagen ze (graag) over het hoofd. Hoe eenvoudiger het verhaal, hoe liever de moralisten het hadden. In de eerste, Amerikaanse toneelversie uit 1887 werd die lijn verder doorgetrokken. De acteur Richard Mansfield die zowel Jekyll als Hyde speelde en daarmee een traditie in het leven riep maakte de dokter vromer en zijn alter ego monsterachtiger. Voortaan zou Hyde niet langer het beest zijn waar dokter Jekyll vanaf wilde geraken, maar het personage dat hij gebruikte om zijn eigen verborgen verlangens te verwezenlijken. De voorstelling van Mansfield in Londen viel op de koop toe samen met de seriemoorden door de onbekende Jack the Ripper. De associatie met Dr. Jekyll and Mr. Hyde was gauw gelegd. Hyde onderging opnieuw een gedaanteverwisseling en zou niet langer de doelloos rondzwervende geweldenaar van Stevenson zijn, maar de lustmoordenaar op zoek naar slachtoffers. Shelley en Stevenson hadden persoonlijke levenservaringen en inzichten in hun romans verwerkt, het grote publiek wilde vooral monsters zien. Waarom ? En in welke voedingsbodem kon de horror vanaf begin vorige eeuw wortel schieten ? Vampieren, weerwolven en spoken kende de Europese volkscultuur al sinds mensenheugenis. De schrijvers uit de Romantiek namen ze over, maar het karakter van hun nieuwe verhalen verschilde grondig. In de oude vertellingen, mythen en sprookjes hoorden de monsters gewoon bij het gecreëerde universum. In de horrorliteratuur en -films komen ze de orde verstoren : door radio-actieve straling gemuteerde wezens, buitenaardse monsters, gigantische insecten... Ze zijn een inbreuk op de natuur en wekken niet alleen angst, maar ook afkeer. Die cultuurverschuiving werd in de Eeuw van de Verlichting in gang gezet door het rationalisme. De rede triomfeerde en het bijgeloof moest gebannen. Maar die wetenschappelijke wereldvisie maakte wel ruimte voor het boven- en onnatuurlijke. Ze trok een scheidingslijn die er vroeger niet was geweest. Zo kon horror ontstaan en in Engeland, waar de industrialisatie zich het eerst verbreidde, gedijde hij maar al te goed. De moderne maatschappij deed bij de burgerij immers nieuwe angsten ontstaan. Angst voor de consequenties van de wetenschap (Frankenstein), angst dat het beschaafde en gedisciplineerde ik weer zou ontsporen (Jekyll & Hyde), en angst voor de ingetoomde seksualiteit (Dracula). In alle tijden hebben monsters bepaalde angsten belichaamd. Vampierverhalen werden in de Middeleeuwen leven ingeblazen door allerlei ziektes en epidemieën die hele streken teisterden. En zijn de Godzilla-monsters uit de Japanse films niet de vleesgeworden angst voor aardbevingen en overstromingen van de Japanners ? De natuur en alle dreigingen die we in onze samenleving wanhopig proberen weg te drukken, duiken terug op in horror : insecten, ratten, rottende lijken... In een film als The Fly, de remake van David Croonenberg, stijgt de walging ten top. Niet alleen omdat acteur Jeff Goldblum langzaam in een insect verandert, maar ook omdat hij een brij overgeeft om zijn eten, zoals een vlieg, uitwendig te kunnen verteren. Smakelijk. Alles wat slijmerig, degoutant of onzuiver is, vormt stof voor horror. Als we op de inhoud van de films mogen afgaan, zit de schrik voor besmettingen en ongedierte er diep in bij de mens. In zijn Dracula-roman omgeeft Bram Stoker de bloedzuigende graaf al met ratten. Alles wat tegen ?onreine? grond kruipt en uit de meest smerige hoeken te voorschijn komt, wekt onze weerzin op. Kampioen onder de kampioenen is vast en zeker het monster uit de Alien-films : een kruising tussen een insect en een reptiel, dat niet alleen kwijl en slijm afscheidt, maar ook nog eens menselijke lichamen besmet en verminkt. Blijft de vraag waarom het horrorpubliek zich aangetrokken voelt tot iets dat tegelijk afstoot. Voor suspense kunnen ze ook bij andere films terecht, dat kan het geheim niet zijn. Veel mannelijke tieners ervaren het bekijken van een gruwelfilm misschien als een soort macho-overgangsritueel, maar zij alleen maken het publiek niet uit. Volgens de Amerikaanse horrorschrijver Stephen King stelt horror ons op een of andere manier gerust. Een monster verstoort de orde, maar tegen het eind van het verhaal is die weer hersteld. Of we krijgen de boodschap mee : ?Let op, het kan terugkomen !? We zouden eens moeten nagaan hoeveel jonge vrouwen de voorbije decennia aan monsters zijn ten prooi gevallen, omdat ze waarschuwingen in de wind sloegen ! Waarmee die griezelfilms eigenlijk niets anders willen zeggen dan : ?Dat komt ervan, als je niet braaf bent.? Toch mogen we het genre in zijn totaliteit niet als een kruiwagen voor reactionaire boodschappen bestempelen. Natuurlijk, in een koude-oorlogsfilm als The Thing kon je in de emotieloze buitenaardse indringers makkelijk de communistische dreiging zien. Maar daartegenover staat bijvoorbeeld de Night of the Living Dead-cyclus waarmee filmmaker George Romero duidelijk anti-racistische standpunten innam en de Amerikaanse consumptiemaatschappij hekelde. En in een film als The Revenge of Frankenstein van de befaamde Hammerstudio is het echte monster in feite de adellijke geleerde die voor zijn experimenten de nodige lichaamsdelen gaat zoeken bij de lagere klasse. Meer nog : getuigden de 19de-eeuwse romans Frankenstein en The Strange Case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde in de vorige eeuw niet al van verlicht denken ? Als we terugkijken in de filmgeschiedenis, stellen we vast dat het horrorgenre in tijden van sociale spanningen telkens weer een serieuze opstoot kent : de Duitse ?expressionistische? films gedurende de crisisjaren van de Weimar-republiek, de Amerikaanse Universal-producties tijdens de grote depressie van de jaren '30, en de science-fictionhorror van de Koude Oorlog. Niet alleen weten horrorfilms de aanwezige angsten perfect te vangen, ze bieden de kijkers ook keer op keer de catharsis waar ze nood aan hadden. En precies dàt is het geheim van hun succes. De splatter-films uit de jaren '80 waarin menselijke lichamen uiteengerukt worden, openbarsten of afzichtelijke gedaanteveranderingen ondergaan ? Niet meer dan een uitlaatklep voor de angst van het geïsoleerde individu dat vandaag alleen nog zijn eigen kwetsbare lichaam lijkt over te hebben. De huidige postmodernistische generatie filmkijkers en -makers is opgegroeid met horror, en beide partijen zijn zich bewust van de traditie waarvan ze deel uitmaken. In hun werk verwijzen de cineasten thans met nostalgie en humor naar de klassieke monsterverhalen. Met de nieuwe horrorfictie kan veel meer gelachen worden dan met de oude. Lachen is gezond, maar griezelen is dat ook, wat de moraalridders daarover ook mogen beweren. Van links af : ruimtehorror in Aliens van James Cameron. Spencer Tracy, onvergetelijk als Mr. Hyde. Gruwelen met The Fly. Christopher Lee, een van de bekendste Dracula-vertolkers. Boris Karloff : hét monster van Frankenstein. Gary Oldman in de Dracula-ver