Met zijn dichte concentratie aan natuurparken met klinkende namen als Etosha, Chobe en Okavango is het Land van de Rivieren, de grensstreek in het noorden van Namibië tussen de rivieren Kunene, Okavango, Zambezi en Chobe, een uitgelezen safarigebied. Pas sinds de onafhankelijkheid van Namibië, nu een decennium geleden, mogen bezoekers de grensstreek met Angola, inclusief de smalle Caprivi-strook, zonder speciale toelating bezoeken. Alleen het gewapende escorte die het konvooi door de strook langs de Angolese grens richting Botswana begeleidt, herinnert nog aan de woelige tijden.
...

Met zijn dichte concentratie aan natuurparken met klinkende namen als Etosha, Chobe en Okavango is het Land van de Rivieren, de grensstreek in het noorden van Namibië tussen de rivieren Kunene, Okavango, Zambezi en Chobe, een uitgelezen safarigebied. Pas sinds de onafhankelijkheid van Namibië, nu een decennium geleden, mogen bezoekers de grensstreek met Angola, inclusief de smalle Caprivi-strook, zonder speciale toelating bezoeken. Alleen het gewapende escorte die het konvooi door de strook langs de Angolese grens richting Botswana begeleidt, herinnert nog aan de woelige tijden. Gavin, onze Namibische gids met wuivende krullen, maakt ons wegwijs in de omgebouwde Mercedes-truck, ons rijdend huis voor de volgende weken. Chauffeur en gids Arno demonstreert hoe de iglotent in een mum van tijd overeind staat. Etosha, een van 's werelds mooiste fotosafarigelegenheden, doorkruisen we van west naar oost, een afstand van ruim tweehonderd kilometer. De naam van het Namibisch nationaal park, letterlijk 'grote witte vlakte van droog water', verwijst naar de immense platte zoutpan die miljoenen jaren geleden achterbleef nadat de Kunene-rivier zich terugtrok. Omdat deze route slechts uitzonderlijk gevolgd wordt, hebben we het land voor ons alleen : urenlang bespeuren we alleen wilde dieren, geen enkel ander voertuig. Nauwelijks zijn we het reservaat binnen of de eerste giraffen pieken uit boven het gebladerte. De lange nekken vluchten en verschuilen zich onhandig achter een mopane-boom. Vanuit onze truck, hoog verheven boven het schaarse struikgewas, kunnen we de dieren goed observeren : een witte neushoorn probeert zich tevergeefs te verbergen, springbokken vluchten weg, tussen het hoge gras vangen we een glimp op van een gevlekte hyena, olifanten troepen samen in de schaduw van een kameeldoornboom, een hijgende jakhals in de schaduw van een dorre struik negeert ons. Het landschap is vlak, met geel gras, spaarzame doornstruiken en af en toe een boom. Ik zou zweren dat er water in de zoutpan staat. Het immense ondiepe bekken, een vierde van de oppervlakte van het nationaal park, is een vlakke horizon van stof waarin een blauwe schijn reflecteert. Gavin lacht, hij kent het fata-morganagevoel. Slechts enkele dagen per jaar, en dan nog alleen in een goed regenjaar, staat er een bodempje water. "Zelfs al staat er water in, dan nog drinken de dieren er niet van : te zout", legt Gavin uit. Nee, de grote dierenconcentratie zit niet hier, maar in de savanne en tussen de mopanebosjes. Olifanten, neushoorns, verschillende soorten antilopen, leeuwen en jachtluipaarden, giraffen en zebra's leven hier in overvloed. "Maar geen buffels", zegt Gavin. "Voor buffels is het te droog. De leeuwenpopulatie daarentegen doet het uitzonderlijk goed. Veel dieren lijden onder de miltvuurplaag, maar de leeuwen hebben een hoge resistentie en hoeven nauwelijks te jagen." Dan zie ik op de witte vlakte twee zwarte stipjes bewegen, het lijken wel struisvogels. "Er is daar niets voor hen", zegt Gavin. "Maar ze schuilen op de vlakte, zodat ze belagers van ver kunnen zien."Wanneer we voor het eerst leeuwen zien, onduidelijk in de struiken, gaat er een collectieve zucht van opwinding door de truck. Maar de volgende dag is het pas echt raak. Op de zachtglooiende oever van de pan, tussen het okerkleurige gras, liggen zes leeuwinnen in de vlakte te turen. Door het witte stof lopen troepjes zebra's, alerte springbokken, koedoes en gnoes. Door mijn verrekijker zie ik hoe de leeuwinnen zich verspreiden, behoedzaam in positie sluipen, een hinderlaag opzetten. Ze hebben alle tijd, wachten op het juiste moment. Al even onverstoorbaar zijn de reuzen van Etosha, de oude gigantische grijze olifantenstieren die een modderbad nemen en de waterplas domineren. Het slijk brokkelt op hun vel, terwijl de imposante heersers zout slurpen. De waterpoel van Halali Camp is na zonsondergang verlicht, zodat ik zonder al te veel moeite op nachtsafari kan. Maar de geanimeerde taferelen van overdag, met kuddes springbokken, zebra's en koedoes die behoedzaam tussen de reuzen flaneren, blijven achterwege. Een eenzame jakhals komt wat water drinken, voortdurend op zijn hoede, met korte tussenpozen slurpend. Een plompe grijze vlek schuift door de schaduw. Even later stormt een zwarte neushoorn uit het donker naar het vijvertje. Een neushoorn heeft weinig te vrezen, tenzij een soortgenoot. Een kleiner exemplaar dat op het toneel verschijnt, wordt briesend verjaagd, maar keert een kwartiertje later terug. Arno is altijd blij als hij naar Roy's Camp gaat. Niet alleen leerde hij er de stiel, hij heeft er ook een baby. Het elandenjong dat hij ooit bij zijn dode moeder vond en met de papfles grootbracht, weegt ondertussen 250 kilo. 's Avonds, tijdens de braai, komt 'zijn' eland Arno begroeten. Hij is ongewoon tam voor een in het wild geboren dier, maar heeft gelukkig voldoende zelfstandigheid om in groep te functioneren. De rest van de kudde blijft op veilige afstand, aan de waterplas, terwijl de baby-eland bedelt om sla. Naarmate we Rundu naderen, worden de groepjes hutten talrijker, de olifanten in de houtsnijwerkstalletjes mooier. Terwijl de truck over de mulle zandweg naar onze kampplaats langs de oever van de Okavango ploetert, bemerk ik het enigmatische bordje : Model Houshold Project : 300 meter. Als we een kilometer verder ons kamp binnenrijden, heb ik echter nog niets anders gezien dan enkele geïsoleerde hutten, verscholen in de bush. Langs de stofweg spelen twee jongens met een volleybal. Model Houshold ? Ze vergezellen mij naar de kraal, waar ik de verlegen Gabriëlle begroet. Ze loodst mij de rieten omheining binnen, naar een erf met scharrelende kippen en enkele hutten. Onder een rieten afdak pruttelt een pot petieterige visjes, terwijl een vrouw met een houten lepel in dampend maïsmeel roert. Gabriëlles oudere zus zit op een bankje voor haar hut schoenen te poetsen. Wat verder rust grootmoeder in een plastic tuinstoel, een van de weinige tekenen van moderniteit op het erf. Wanneer ik 's avonds in de bar van het Mgepi-kamp naar de bedoeling van het Model Household Project informeer, kijkt Gavin mij verbaasd aan. "Meer dan het plaatsen van het bord is er nooit van gekomen. De ontwikkelingshelper met dat idee is al lang vertrokken." De Okavango Polers Trust, een in 1998 door de lokale gemeenschap in Seronga opgestart ecotoerismeproject, is heel wat succesvoller. De Okavango-delta is het restant van een enorm binnenmeer dat grote delen van Botswana overspoelde. De derde langste rivier van Afrika ontspringt in het Angolese hoogland, om ruim 1300 kilometer verder in de Kalahari te verzanden tot een moeras, groter dan Zwitserland, met een netwerk van kanalen, lagunes en eilanden. De beste manier om deze waterige wildernis te bezoeken is over het water. Op weg naar Seronga, in snelle motorboten die tussen het metershoge papyrusriet over de kronkelende kanaaltjes scheren, zien we enorme krokodillen die zonnen op de oevers. Een gezin nijlpaarden verdwijnt uit het riet in het water zodra het de motorboot hoort. Double Action, een flitsende verschijning met donkere zonnebril, glimmende Adidas-trainingsbroek en een visnethemd, is onze schipper. Het traditionele vervoermiddel in de delta is de mokoro, een uitgeholde boomstam die de schipper als een gondelier door het water duwt. Maar omdat een houten mokoro zoveel water opzuigt dat hij na vijf jaar zinkt en hoge bomen almaar schaarser worden, deel ik met Gavin een kunststof mokoro, liggend tegen onze bagage. Drinkwater hebben we niet meegenomen omdat het niet nodig is : het water van de delta, voortdurend gezuiverd door eindeloze rietvelden, is kristalhelder. Terwijl Double Action ons door de overstroomde vlaktes vaart, wijst hij erop dat dit gebied over enkele maanden zal droogstaan. En ook nu moet hij af en toe flink duwen in het ondiepe water om de mokoro door het riet te sturen. Ik geniet van de absolute stilte, enkel onderbroken door de regelmatige plons van de vaarboom en waterdruppels die terug in de rivier vallen. Het wiegen van de boot maakt mij loom, maar de visarenden, ijsvogels en andere watervogels houden mij alert. Op de oever beitelt een man met een primitieve bijl een boomstam tot een mokoro. Witte, blauwe en gele waterlelies glijden op ooghoogte voorbij, terwijl een sierlijke steltloper op de leliebladeren landt. Aan onze kampplaats, op de oever in de schaduw van een oude mopane, waarschuwt Double Action ons om niet alleen op verkenning te gaan. We zijn dan wel niet in een reservaat, toch zit hier overal wild : krokodillen en nijlpaarden in de rivier, olifanten en zelfs leeuwen op de eilandjes. 's Avonds rond het kampvuur vertellen de schippers uit Seronga hoe ze in de jaren zeventig in de Zuid-Afrikaanse mijnen gingen werken. Gedurende tien dagen voeren ze met hun mokoro door de delta, om dan per trein naar Johannesburg te sporen. Maanden later keerden ze terug, met massa's inkopen en de overblijvende harde Zuid-Afrikaanse randen. Nu trekt niemand nog naar de mijnen : de schippers, verenigd in een trust, hebben voor zichzelf een waardig bestaan gecreëerd. Door de doolhof van riet en papyrus brengt Double Action mij naar een dorp, diep in de delta. De bewoners leven als vanouds van schrale landbouw, visvangst en de traditionele rijkdom : vee. De vrouwen stampen maniok in een uitgeholde boomstam, een dagelijks ritmisch ritueel. Twee mannen keuvelen in de schaduw van een acacia, terwijl een vrouw een rieten mand vlecht. Tussen de hutten, op de zandvlakte die het dorpsplein voorstelt, spelen de kinderen zakdoekleggen. Een man herstelt het vlechtwerk van zijn hut : om de vijf jaar moeten de rieten wanden of het dak worden bijgewerkt. Tom biedt mij zoete, droge Jackal-bessen aan, een vitaminebom. Onderweg naar Kasan doorkruisen we de Caprivi-strook, een smalle spie Namibisch grondgebied van tweehonderd kilometer lang tussen Angola, Zambia en Botswana. Dat gebied, door de Duitsers op de Conferentie van Berlijn eind negentiende eeuw met de Engelsen geruild voor Zanzibar, moest het vroegere Zuidwest-Afrika verbinden met de Zambezi. Ver weg van de koloniale machtscentra kwam van de ontwikkelingsplannen weinig terecht. Niet verwonderlijk dat deze streek, belast met zo'n historische erfenis, zich verwaarloosd voelt. Marcus, een houtsnijder, ontmoet ik op de overdekte markt van Katima Mulilo, waar vooral gedroogde vis in alle variaties verkocht wordt. "Kijk eens wat een stoffige straten", klaagt hij. "Er is hier niks en er gebeurt niks." Windhoek ligt inderdaad ruim 1200 kilometer ver, té ver. De enige actie is het dagelijkse konvooi, begeleid door een militaire jeep met het machinegeweer gericht op Angola. Chobe National Park, enkele jaren na de onafhankelijkheid gesticht, is de trots van Botswana. De oever langs de brede Chobe-rivier, op de grens met Namibië, vormt 11.000 vierkante kilometer natuurgebied, met ongekend dichte concentraties aan wild en vogels dankzij het eeuwige water. In een game viewing vehicle, een jeep met vierwielaandrijving met een opbouw onder canvas, verkennen we de oever. Troepjes olifanten, met hun oren flapperend in de schaduw, negeren onze blikken. Enkele sabelantilopen, met zwarte vacht en trots gewei, vluchten nerveus voor een voorbijrazende olifant. Op de grasvlaktes langs de rivier grazen kuddes nijlpaarden en tientallen olifanten. Onze chauffeur zag vanmorgen leeuwen en rijdt er onverwijld naartoe. In de schaduw van enkele struiken, vlak langs de bultige zandweg, liggen de enorme katten te slapen, lang uitgerekt, verstrengeld in elkaars gouden pels. Een niesbui stoort een enkeling ; de leeuwin opent haar staalblauwe ogen, en geeuwt. Van op de boot, een platbodem met pruttelende motor, plastic stoeltjes en een koelbox met drank, bekijk ik de krokodil die met opengesperde bek roerloos in de zon ligt. Het dier lijkt wel opgezet, maar ik zie de dikke tong zachtjes vibreren. Gelukkig zijn de leguanen niet levensbedreigend, en evenmin de verschillende soorten ijsvogels, arenden, ooievaars en honderden andere vogelsoorten die hier resideren. Plots legt de schipper zijn motor stil en glijden we naar een groep nijlpaarden die in de rivier verkoeling zoeken. De watervogels die op hun glimmende hoofden trippelen, pikken parasieten. Een kudde buffels graast op de oever, zwarte, wilde runderen met vervaarlijke hoorns. Olifanten waden door de rivier en troepen in dichte drommen samen. Een visser in een mokoro spoedt zich naar huis. De ondergaande zon kleurt de rivier goudgeel, dan roze, rood en zwart. De nacht valt snel in Afrika. n Tekst en foto's Jo Fransen