Een rondreis door China is een ontmoeting met je eigen nietigheid. Grote bouwwerken, ontelbare mensen, een woelige geschiedenis. Tot rust komen doe je in een van de harmonieuze tuinen. Mark Gielen / foto's Verne
...

Een rondreis door China is een ontmoeting met je eigen nietigheid. Grote bouwwerken, ontelbare mensen, een woelige geschiedenis. Tot rust komen doe je in een van de harmonieuze tuinen. Mark Gielen / foto's VerneOnophoudelijk varen lange rijen platboten op de stroom voorbij, de geluiden van een rusteloze haven breken tegen de kade. Aan de overkant van de Huangpu woekert de overrompelende skyline van Shanghai als een glimp van een toekomstige eeuw. Tussen hemelbestormers van staal en glas rijst de Jin Mao-toren vierhonderd meter omhoog. Zo'n futuristisch monster als die speciale economische zone van Pudong zou ik afgrijselijk moeten vinden, maar het is adembenemend. Langs het water flaneer ik tussen een mensenmassa over de Bund, de legendarische boulevard met z'n art-decogebouwen. Het is alsof de Chinezen zichzelf ontdekken : iedereen fotografeert iedereen. Ze poseren met een fierheid die gehuld is in de kleren van een ontwakend gemoed. Jongens met openstaande hemden, meisjes met nylons tot de enkels of net onder de knie. Het is geen gezicht, maar ze zijn mooi, sexy en ongenaakbaar uitdagend. Shanghai is opnieuw een chaotische mozaïek van verleiding en durf. Shang-hai of rijzende zee de stad is een werf van kranen, hemelhoge nieuwbouw, oude huizen in afbraak en maoïstische woonkazernes die kreunen onder een kluwen van bruggen en autosnelwegen, wel twintig meter boven de grond. Veertigduizend taxi's in het land van de fietsers, overvolle met Chinese karakters beschilderde bussen, het is een kakofonie van geluiden. Tot daar plots op een stoeltje tegen een verkeerslicht een grijsaard zit. Hij mediteert, sereen en in harmonie met een andere, bijna verloren tijd. In het hart van de stad, op het Volksplein tussen opera en stadhuis, staat in steen en marmer het Museum van Shanghai, dat met vijf verdiepingen gestold verleden een van de rijkste en mooiste verzamelingen telt. Meteen dompel ik mezelf onder in een wereld van raadselachtige bronzen, soms zo oud als de 21ste eeuw voor het begin van onze jaartelling. Een dierenmasker, een bijl met turkooizen inleg, wijnbekers uit Shang en Zhou. En voedselvazen voor de rituele verering van de voorouders of de Zoon van de Hemel. Ik lees namen van dynastieën en keizers, de ene even onbekend als de andere legendarisch is. Kunst uit Qin en Han of uit een zoveelste hoogtepunt in Tang en Song. Allemaal zijn het vreemde namen die in hun bondigheid een geschiedenis vertellen van bloei en verval, van macht en stagnatie, van strijd en uitvindingen. ?Aardewerk behoort aan de gehele mensheid, maar porselein is China's uitvinding?, zegt de tekst. Hij hoort bij een scherf die wel 12.000 jaar oud is, bij geglazuurde potten en polychrome schalen, of bij de serviezen uit de keizerrijken van Ming en Qing. Het houdt niet op : munten, boeddhistische beelden, kalligrafie en schilderkunst. Rollen met landschappen waarin de mens nietig is ingebed in een harmonieuze natuur, soms op het randje van de abstractie. Hier ontdek ik het ontstaan van het officiële schrift in de tijd van de Strijdende Staten, elders zie ik draken van jade die schitteren in een duistere zaal. Het is eindeloos. Zoveel getuigen van meer dan vijfduizend jaar oude beschaving zijn hier aan de verdwazing van de Culturele Revolutie en haar Rode Gardisten ontsnapt. De wedloop met de vernielzucht is in dit museum gewonnen door de liefde voor het oude. Als de zeskoppige Old Jazz Band's avonds Moon River speelt, krijgt Shanghai de nostalgie van de films en boeken die haar tot decadente grootstad hebben gemystificeerd. In het Hotel van de Vrede, dat in woeliger tijden Cathay Hotel heette, verdringen de Chinezen zich aan de tafels net zoals ze dat op straat doen. Tienduizenden deinende wandelaars bevolken de Bund en Nanjing Lu. Nanjing Road, de naam alleen suggereert de exotiek van het verleden. Het is een zompige poel van kolonialisme en uitbuiting, opstand en frivoliteit. Shanghai als opiumburcht en hoerenparadijs. Een tijd waarin Chinezen als honden werden verdreven uit de geboortestad van Sun Yat Sen en de plaats waar in 1921 de Communistische Partij is gesticht. Nu loop ik langs neonlichten en reclame die niet anders is dan in kapitalistische spelonken. De uitstalramen van de winkels beloven welstand en verscheidenheid. De eentonigheid van de Proletarische Revolutie is voorgoed verdwenen. En de zonde toont haar ontembaar gemoed : jonge Shanghai-ladies vragen in pover Engels om samen een koffie te drinken. Ze zijn te jong om niet te giechelen. Op de Bund loopt het barstensvol mensen. Verliefden houden zich in evenwicht tussen preutsheid en vluchtig lichaamscontact. Handen zoeken elkaar kortstondig. Vingers klampen zich vast aan een arm en laten weer los. Vurige monden die oosters glimlachen. Tussen de huizen door, net zoals de architect het gepland moet hebben, blijven de ramen van Pudongs hoogste toren de zonnestralen weerkaatsen. Hoe dieper de zon zakt, hoe meer de roze lichtvlek zich over het water verplaatst, tot de laatste gloed de kade van de Bund bereikt. Dan wordt het donker. Shanghais façade, een groteske mix van koloniale architectur en ongelimiteerde technologie, straalt in fabelachtig licht. Moon River, Shanghai weerspiegelt de eeuwige maan. In de zuidelijke provincie Guangxi verspreiden de kaneelbomen geurige aroma's. Op de brug over de Lijiang rijden duizenden fietsers voorbij. Het is een perpetuum mobile van spaken en wielen. Dagelijks bewegen zich miljoenen mensen naar het werk. In hun vrije tijd trappelen ze naar een tuin of een tempel. De brug davert. Dat komt niet door de fietsen en karretjes. Wel door de bussen, de vrachtwagens en het onstuitbaar groeiend aantal auto's. China beweegt als nooit tevoren. Het maakt zich op voor de sprong in een toekomst van welstand en individueel geluk. Waar zal dit eindigen ? Onder ons stroomt de rivier door Guilin, dat verscholen ligt in een karstlandschap zoals we het enkel kennen van de oude meesters : schilderijen met bergen in nevels, een pagode op een rots, een ranke twijg over het water. Tachtig kilometer lang slingert de Lijiang zich als een jaden lint door een woud van bergen die in de wereld hun gelijke niet hebben : suikerbroodrotsen, reusachtige stalagmieten, naalden en vingerhoeden, massieve bultruggen die lijken op grazende buffels. Miljoenen jaren lang hebben regen en rivier in het landschap de vreemdste vormen gesculpteerd. Mijn verbeelding schiet tekort in vergelijking met de namen die de Chinezen deze sprookjesbergen tussen de rijstvelden hebben toegedicht : Piek van de Wonderen, Vleermuisheuvel, Vijf Tijgers vangen een Geit, Oude Man die een Molen voortbeweegt, Appelheuvel, Jongen die Boeddha vereert of Drakenkopheuvel. Urenlang varen we door een wonderbaarlijke opeenvolging van rotsen. ?Na de hemel is dit het mooiste landschap op aarde,? schreef de dichter Fan Chengda uit de Song-dynastie. Bij aankomst in Yangshuo zie ik de vissers die op hun schuiten van bamboestammen vis vangen met aalscholvers. Als een inktvlek op een azuurblauw blad verraden de zwarte vogels de signatuur van de meester. ?In Suzhou spreken we een mooier accent dan elders in China. Wij zeggen niet ' ni hou' voor welkom, maar ' né hé'. Mooi toch ??, zegt Xiao Lu of kleine Lu. Zo mag ik haar aanspreken, haar voornaam blijft voorbehouden aan familie en vrienden. ?En we hebben de mooiste tuinen van het land, waaronder een van de vier beroemdste, de Tuin van de Nederige Ambtenaar. Die is aangelegd voor Xi Shi, een knappe concubine van koning Wu, de stichter van de stad ten tijde van de Strijdende Staten. De rotspartijen, de lotusbloemen, het water, alles moet de natuur nabootsen. Ieder element roept een sentiment op, het ene lokt het andere uit : van de plant en het insect, over de krekel, de vlinder en de vogel, tot de wind en de regen.? De Tuin van de Meester van de Visnetten moet met zijn kleine omvang de bescheidenheid van een hoge ambtenaar uit de zuidelijke Song uitdrukken. De esthetiek van de miniatuurlandschappen, de galerijen en ronde poorten, de met lelies begroeide vijver, de lantaarns onder de krullende daken, de geuren al bij het eerste bezoek wekt de tuin veel verlangens. 's Avonds is er een performance opgezet die de veelzijdigheid van de Chinese kunsten moet oproepen. In de ontvangsthal met kalligrafische versieringen heten twee vrolijk gemaskerde mannen me welkom in pantomime. Eén draagt een gouden hoorn des overvloeds. Het is de prelude voor een sierlijk spektakel. In een operafragment vraagt een prinses haar aanstaande echtgenoot waarom hij zo droevig is : ?Wil je terug naar je moeder, naar je familie, zal je niet gelukkig zijn bij me ?? Prachtige kostuums, een ontroerende aria. Een man en een vrouw spelen op hun snaarinstrumenten een etherisch lied. In het lokale dialect zingt ze fijnstemmig een gedicht uit de Tang-dynastie. In een andere kamer vertolken twee vrouwen een humoristisch gesprek tussen een meesteres en haar bediende. Gezang en bewegingen komen dicht in de buurt van wat wij kitsch vinden, maar ik denk dat ik de ironie van dit tafereel slechts vaag kan voelen. Het meest ben ik bekoord door het meisje in blauwe zijde. Achter haar waaier van witte vogelveren kijkt ze me aan, neen, ze doorboort me en danst een lenteavond bij de rivier. Een gestileerde dans, vol motieven uit een traditie van eeuwen. Een ritueel van blijdschap en voornaamheid, van nederigheid en opperste verfijning. Het meisje buigt en verbergt haar gelaat achter een waaier. In de tuin speelt een man fluit. Breekbare klanken ontstijgen de magnoliabomen. Op de vijver staat een kiosk in de vorm van een vleermuis, een symbool van geluk. Voor het eerst begrijp ik hoe makkelijk het voor Chinezen moet zijn om hun tuinen al die wonderbaarlijke namen te geven. Langs de straatkanten van Xi'an hurken mannen die op een bordje hun diensten aanbieden : schilders, schrijnwerkers, metsers of fabrieksarbeiders die ?tijdelijk niet in de productie zijn ingeschakeld?. Een eufemisme voor werkloosheid, ook in China wordt arbeid een schaarser goed. Yang Peiyan heeft meer geluk. Hij is een gevierd man. In een van de souvenirwinkels signeert hij een postkaart of een prentenboek over China's archeologische vondst van de eeuw. Samen met andere boeren stootte hij in maart '74 op wat sindsdien het achtste wereldwonder heet : het terracotta leger van Xi'an, zesduizend soldaten in slagorde die de wacht houden rond de graftombe van Qin Shi Huangdi, de stichter en eerste keizer van China. Om zijn onsterfelijkheid te verzekeren, omringde de keizer zich met voetknechten en kruisboogschutters, infanteristen en paarden, officieren en bevelhebbers die het graf tegen plunderaars moesten beschermen. Een derde van dat versteend leger is nu blootgelegd. In rijen van vier, geboetseerd op mensenmaat, wachten de krijgers onder de gewelven van een immense loods op de volkstoeloop. De aanblik ontgoochelt, de mannetjes van grauwe klei staan in de sombere ruimte. Tot ik het leger opsplits in zijn individuele leden : gewaden en harnassen zijn versierd met klinknagels, elke officier draagt een hoofdtooi, alles is precisiewerk. Soldaten kijken strak voor zich uit, maar geen twee hebben dezelfde gelaatstrekken. De officier die verbeten de bronzen strijdwagen ment, de generaal die trots z'n troepen schouwt of de boogschutter die vastberaden de vijand afwacht. Het schouwspel krijgt de dreiging van een echte veldslag. Zesduizend wachters voor één lijk. Zevenhonderdduizend gecastreerde dwangarbeiders hebben een decennium lang aan dit lemen legioen gewerkt. Versteende geschiedenis, even krankzinnig als onmenselijk. Even onvatbaar is de Stenen Draak die mensenhanden in het landschap hebben gekerfd : meer dan tweeduizend jaar hebben miljoenen dwangarbeiders, boeren en soldaten, duizenden kilometers muur gebouwd, door berg en dal, in oorlog en vrede, bij vriesweer of in de brandende zon, van de oceaan tot de woestijn. De Chinese Muur is van alle tijden, van de eerste dynastieën tot de heropbouw voor het gretig oog van de toerist. Bij Badaling is het stuk gerestaureerde Muur overvol. Al die wriemelende mensjes die over de bergkammen kruipen, roepen datzelfde beeld op van grenzeloze opoffering : een kerkhof van anonieme arbeid. Ik klim omhoog, snak al vlug naar adem, kijk rond door de wazige lucht en zie een stenen slang die eindeloos over de bergen kruipt. Wachttorens en forten, trappen en kantelen, een onverwoestbaar litteken van grootsheid en waanzin. De Muur is haar eigen horizon, een symbool van macht en claustrofobie, van angst voor de barbaarse nomaden uit de steppen van Azië. Aan het eind, waar de Muur gesloten is voor het publiek, is er zover ik zien kan niets dan een ononderbroken keten van brokstukken en torens. Dit is een krankzinnig bouwwerk, een lint van zesduizend kilometer dat zichtbaar is vanuit het heelal. Alleen Kafka kon hier een gepast verhaal bij verzinnen. Cijfers hebben in China een verpletterende kracht : de eeuwenlange bouw van de Muur, doden bij overstromingen, de tol bij veldslagen en moordpartijen, de ontberingen tijdens de Lange Mars, een kwart van de wereldbevolking, de afstanden in dit onmetelijke Middenrijk, het aantal fietsen op een kruispunt of de immense boulevards in de steden. Nergens anders ter wereld is je eigen nietigheid zo opdringerig. In het hotel spoel ik de plakkerige hitte van de dag weg. Op stap door Peking : drie rechte kilometers naar de plaats die in de geschiedenis nooit meer onschuldig zal zijn : Tian An'men, gehuld in een zwoele mist waar avondlichten onheilspellend doorheen stralen. Het plein is leeg, afgezet met hekken. Politieagenten paraderen voorbij, twee mannen zij aan zij in strenge pas. Ik sta daar en kijk naar die lege plek, zonder rumoer, zonder massa's studenten en spandoeken, zonder vrijheidsbeeld of revolte, zonder soldaten en tanks en bloed en doden. Het jaar '89 hangt als een aura over het Plein van de Hemelse Vrede. Aan de muur van het keizerlijk paleis prijkt het portret van Mao, dat tijdens de studentenopstand met modder besmeurd is. Ik weet niet of de man glimlacht, trots is of minachtend op ons neerkijkt. Een soldaat staat op wacht, in zijn rug gedekt door de starre blik van de Voorganger. Onbeweeglijk, tot hij me in een bitse reactie aanmaant op te hoepelen. Ik laat me wegdrijven doorheen donkere straatjes die veranderen in stegen en nauwe doorgangen. Na een paar passen wordt de wereldstad een stille straat. Kleine huizen, de hoogbouw is verdwenen. Hier en daar brandt een lamp. Vredigheid. Op de binnenpleintjes zitten kaartspelers rond een ton te lachen. Peking is een dorp. Of een fabriekswijk : achter de boulevards met hun torenhoge hotels, kantoren en buildings schuilt een wereld van genummerde woonblokken, armoedige steegjes, een hocus-pocus van elektriciteitsdraden en opschriften. Op de markten mengen kruidengeuren zich met de stank van openbare toiletten. Volkse drukte. Iedereen doet inkopen, je raakt nauwelijks vooruit. Naast kramen met fruit en groenten vind ik er in hokken opgesloten kippen en ganzen, maar ook hagedissen en ratten en soms een paar slangen, of dode vissen in een aquarium. Aan een eetstalletje bestel ik een portie bao zi, gestoomde balletjes ravioli gevuld met een farce van vlees of groenten. Voor een paar yuan krijg ik er van de vrouw een glimlach bij. Mao lokt voor een bezoek aan de Verboden Stad, die vijf eeuwen lang ontoegankelijk is gebleven. Een geometrische doolhof van pleinen, paleizen en marmeren trappen, bewaakt door bronzen leeuwen. Tempels en paviljoenen. Een wereld van blokkendozen waarin steeds kleinere doosjes zitten opgesloten. In het midden, op de Drakentroon in de Zaal van de Opperste Harmonie, troonden de 24 keizers uit de Ming- en Qing-dynastie, de Zonen van de Hemel. Zij moesten de dragers van de harmonie op aarde zijn. Maar het laatste wat ik verwacht gebeurt : al die harmonie laat me koud. Ik weet niet of het verzadiging is, of de stenen leegte van het paleis, waarin het onleefbaar en vervelend moet geweest zijn, maar glimmend in de witte zwoele hemel zegt het me niets. Het is een benepen oord, een gevangenis waaruit de keizer, zijn vrouw, de eunuchen en de concubines niet konden ontsnappen. Een kerker van hout, stenen en intriges. Tot ik me op de rijk gekleurde daken toespits, details van lachende monniken uitvergroot, of kijk naar gevleugelde paarden die de boze geesten moeten weghouden. Op elke hoek van een gebouw prijkt dat mythische symbool van het goede, een draak met 81 schubben en koppen. Hij heeft trekken van tijger en konijn, hert en slang, karper en havik, kameel, koe en kikker. Voor ons een demon uit de hel, voor de Chinezen een gezant uit de hemel. Zo laat het paleis dan toch iets speels binnensijpelen in zijn strenge geometrie. Ook het leven van alledag maakt zich stilaan meester van de Verboden Stad. Een oud vrouwtje kan zich niet wakker houden terwijl haar kleinkind op de trappen speelt. Een vrouw wuift met haar waaier elegant de hitte weg. Bezoekers van voor het keizerlijk geel in de troonzalen laten bewonderende kreetjes. Voor de Poort van de Opperste harmonie vragen een moeder en haar zoon me om hen te fotograferen. Weer buiten slenter ik in de vroege avond een laatste keer over het Tian An'men-plein, dat park zonder bomen, die immense vlakte die meer dan een miljoen mensen kan bevatten. Honderden Chinezen drommen samen om bij zonsondergang het strijken van de vlag te volgen. Alles is nu verlicht. Er waait een stoffige, maar weldoende wind. Papieren draken en vissen wapperen in de donkere hemel. Het is druk. Een uitgelaten menigte beweegt zich als in een vredige optocht heen en weer. Kinderen op rolschaatsen rijden rond het Monument voor de Helden van het Volk. Naast hun fietsen zitten groepjes mensen op de grond, ze kletsen, kaarten en spelen met hun kinderen. Een meisje struikelt en moet wenen. Kinderen vallen hier niet anders dan bij ons. Iedereen is opgewekt en nog één keer, in alle denkbare richtingen, voor het portret van de Grote Roerganger of voor het paleis van het Volkscongres, nog een laatste keer poseren ze voor een foto. Links : vijf eeuwen ontoegankelijk, nu nemen gewone mensen de Verboden Stad in. Rechts : de mode ontwaakt, de proletarische revolutie is voorbij.Wierookstokjes voor Boeddha. De Lama-tempel in Peking.De Verboden Stad in Peking. Draken, monniken, mythologische figuren, iedere tempel is versierd.De Lijang. Een jadesnoer in een rotslandschap zoals dat alleen bestaat in het schilderwerk van de oude meesters.