De eerste sneeuw is gevallen, nog een paar dagen laat de bergpas reizigers door. Voor middeleeuwers was dit een gevaarlijke tocht, vandaag betalen automobilisten voor de tunnel. Maar ik wil de Grand-Saint-Bernard over z'n kruin op 2473 meter passeren, waar de Romeinen op hun Mons Jovis een tempel voor Jupiter bouwden. Op de pas is het mistig, in de nevels breken de contouren van het hospitium. Al in de elfde eeuw liet Bernard van Menthon, de aartsdiaken van Aosta, een onderkomen bouwen opdat pelgrims zich op de doorsteek van Zwitserland naar Italië verzekerd wisten van voedsel en onderdak. Kale bergen, een meer, de barokkapel. Wind danst rond de toppen, ver weg baadt de zon in de vallei van Aosta. Daar geven poorten toegang tot een recht stratenplan : het handschrift van een castrum romanum, een legerkamp met resten van amfitheater, forum en theater die afsteken tegen de besneeuwde Alpen. Rome in miniatuur, zegt de stad van zichzelf terwijl ze zich tooit met de romaanse kloostergang van St.-Orso. De kleuren zijn de harde natuursteen van het noorden, Italië moet nog beginnen. Langs de triomfboog van Augustus verlaat ik als een moderne pelgrim Aosta voor de Via Francigena. Deze bedevaartweg, letterlijk 'Frankenweg', is een herontdekte route die tot nut van het Italiaans toerisme met borden langs de weg meer een culturele reis is dan een spirituele of religieuze pelgrimage. Bekoorlijk aan de Via is, dat die zich langs minder bekende plaatsen een weg baant naar Rome : een boeiende variant op een zwerftocht naar het zuiden.
...

De eerste sneeuw is gevallen, nog een paar dagen laat de bergpas reizigers door. Voor middeleeuwers was dit een gevaarlijke tocht, vandaag betalen automobilisten voor de tunnel. Maar ik wil de Grand-Saint-Bernard over z'n kruin op 2473 meter passeren, waar de Romeinen op hun Mons Jovis een tempel voor Jupiter bouwden. Op de pas is het mistig, in de nevels breken de contouren van het hospitium. Al in de elfde eeuw liet Bernard van Menthon, de aartsdiaken van Aosta, een onderkomen bouwen opdat pelgrims zich op de doorsteek van Zwitserland naar Italië verzekerd wisten van voedsel en onderdak. Kale bergen, een meer, de barokkapel. Wind danst rond de toppen, ver weg baadt de zon in de vallei van Aosta. Daar geven poorten toegang tot een recht stratenplan : het handschrift van een castrum romanum, een legerkamp met resten van amfitheater, forum en theater die afsteken tegen de besneeuwde Alpen. Rome in miniatuur, zegt de stad van zichzelf terwijl ze zich tooit met de romaanse kloostergang van St.-Orso. De kleuren zijn de harde natuursteen van het noorden, Italië moet nog beginnen. Langs de triomfboog van Augustus verlaat ik als een moderne pelgrim Aosta voor de Via Francigena. Deze bedevaartweg, letterlijk 'Frankenweg', is een herontdekte route die tot nut van het Italiaans toerisme met borden langs de weg meer een culturele reis is dan een spirituele of religieuze pelgrimage. Bekoorlijk aan de Via is, dat die zich langs minder bekende plaatsen een weg baant naar Rome : een boeiende variant op een zwerftocht naar het zuiden. Het parcours van de Via is gebaseerd op de reis van Sigeric, aartsbisschop van Canterbury, die bij de paus de pallium of witte stool met zwarte kruisen ontvangt, het symbool van zijn waardigheid. Over de heenreis weten we niets, de terugreis van Rome naar Wissant aan de Noordzee duurde 79 dagen en staat opgesomd in zijn verslag uit 990 : die plaatsnamenlijst is in omgekeerde richting de leidraad voor de pelgrimsroute, een tocht van het ene onbestaande naar het andere lege graf, van Becket naar Petrus, apostel en eerste paus. Op kaarten, in boeken en brochures van de toeristische dienst lees ik de namen : Canterbury en Dover, Wissant, Arras en Reims, Besançon en Lausanne, Vevey en dan nu, halfweg het traject, de Grand-Saint-Bernard die uitgeeft op de vallei van Aosta. Honderdduizenden zijn me voorgegaan, met hun hoop en wedervaren zoals die staan afgebeeld op de dom van Fidenza. Op de pas is mijn zwerftocht naar Rome begonnen, een reis met zoveel mogelijk ommetjes langs dorpen en valleien waarvan ik nooit eerder heb gehoord en die me sporadisch naar een bestemming voert die de grote toeristenstroom allang heeft ontdekt. Maar het is geen peregrinatio, een tocht met ontberingen, loutering of boete, het is gewoon 'Italië anders' : het is evengoed een oefening in het dagelijks leven als het verlangen naar een trager tempo, het is een bezinning over een verleden dat nog niet Europees is, maar met romaans en gotiek, renaissance en barok daar de regionale voorbode van is. En op het einde zal ik me beperken : zoals Mozes het beloofde land enkel mocht aanschouwen, zo stop ik op de Monte Mario met zicht op de heilige stad, het hart van de christenheid en de eindbestemming van de pelgrims. De vallei van de Doire Baltée is bezaaid met burchten, ieder dorp heeft een kerkje met fresco's. Bij Chambaye S. Lorenzo loopt de scheidslijn van twee talen, van de Franse en Italiaanse wereld. Achter me worden de Alpen kleiner, voor me ligt de vlakte van de Po en haar rijstvelden : Italië lijkt oneindig. Zo saai de uitgestrektheid is, voortaan ligt overal een brok verleden, uitgestrooid over een route die me voert langs de geschiedenis van de kunst, het middeleeuws denken en het ontstaan van het moderne Italië. De oorsprong van de Via Francigena is Lombardisch : na de ineenstorting van het Romeinse Rijk bouwen de Lombarden verder op oude wegen, maar leggen vooral nieuwe routes aan in het binnenland, omdat de kust door de Byzantijnse overheersers wordt gecontroleerd. Langzaam versmelten antieke erfenis en middeleeuwse cultuur. De Via is een snoer van gebeurtenissen en ideeën, maar is tastbaar in de kerken en kloosters, hospitiums, abdijen en burchten. Ivrea is zowel het Romeinse Eporedia als zetel van een hertogdom. Vercelli is Keltisch, maar ook het eerste bisdom van Piemonte, met de baksteenrode Sant'Andrea als een van de eerste romaanse kerken in Italië. Dan rijd ik onder Milaan door : waar ik vroeger stopte voor het kartuizer klooster van Pavia, bezoek ik voor het eerst de stad. Romeins stratenplan, hoofdstad van de Lombarden, een aangename verrassing met een middeleeuws decor van stegen en nauwe huizen, oude gevels, pleintjes met kapellen en de dagelijkse markt met paddestoelen en aubergines. Maar ook een stad met indrukwekkende gebouwen. De San Michele is een romaanse basiliek waar koningen en keizers, ook Frederik Barbarossa, zijn gekroond met een ijzeren kroon. De façade is sober maar versierd met portalen, sculpturen van mensen en dieren, vensters en zuilen. Op de Piazza Leonardo da Vinci bij de universiteit pronken drie bakstenen torens naast elkaar, samenzweerderig en dreigend, maar ook harmonieus. Maar ik wil naar de kerk met de fragiele baksteengevel, de San Pietro in Ciel d'Oro. In een marmerkist in de crypte ligt Boethius, de raadsheer van Theodoric, die op beschuldiging van hoogverraad in de zesde eeuw ter dood werd veroordeeld. Boven hem in de kerk rust in een marmeren schrijn het gebeente van Augustinus, kerkvader en auteur van 'De stad van God', een ontwerp voor de perfecte heilstaat van het christendom, een utopie die even dodelijk is als alle andere goed bedoelde ontwerpen voor een volmaakte samenleving. In de Middeleeuwen zette een veer pelgrims over de Po, nu voert een ijzeren brug me naar de overkant. Land van populieren. Piacenza, dat betekent zoveel als 'plezier', is een knooppunt van water- en landwegen, een handelscentrum dat rijkelijk was voorzien van hospitiums. Il gotico of het raadshuis is elegante architectuur uit de dertiende eeuw. De kathedraal met drie schepen, zuilen en presbyterium is een van de belangrijkste romaanse kerken in de Po-vlakte. De romaanse basiliek van San Antonino verwijst met een achthoekige toren naar de gotiek. De stad is een oefening in stijlen en overgangen. Daarna ligt Fidenza op de route, met de graftombe van Donnino, die samen met Christoffel, Martinus en Jacob een beschermheilige van pelgrims en reizigers is. Maar er is niet één weg naar Rome : sommigen trokken recht de bergen in, anderen reisden naar Parma, wat ik ook doe, al was het voor de gevel van de kathedraal, die samen met het baptisterium een parel van romaanse architectuur is. Het is de signatuur van Antelami, met sculpturen, karavanen van pelgrims, beelden van profeten en evangelisten. Op de trappen zitten moeders met hun kinderen te keuvelen : argeloos gaan ze op in een decor van zuilen, leeuwen en mijn gestolde herinnering. Op de landkaart maakt de weg een kronkel en snijdt door de Apennijnen om daarna van de kust terug het Toscaanse binnenland in te trekken. Langs de Taro-rivier slingert de weg naar de Col de la Cisa : van Parma naar zee, Lucca en Pisa is de N62 niet identiek met de oude Francigena, maar toch kan ik voelen hoe de pelgrims in een onherbergzaam landschap werden belaagd door struikrovers. Oorspronkelijk heette dit traject Via di Monte Bardone, een verbastering van Mons Langobardorum of de 'berg van de Lombarden'. Pas met Franken en Karolingers krijgt de weg de naam Via Francigena. In een dorp koop ik ham en kaas, brood en een fles wijn en zet me in een veld, met uitzicht op de bergen, de vallei en een burcht. De verbazing die me telkens weer in zelfs het kleinste dorp van Spanje overvalt, ervaar ik na zoveel jaren voor het eerst in Italië : de overvloed aan bouwwerken vol verhalen over geschiedenis en architectuur. Overal kleine en grote boodschappen voor de pelgrims : hospitium of kapel, brug, donjon of leprozerie, bas-reliëfs en inscripties als verkeersborden van de Middeleeuwen. Als ik omkijk, blijkt mijn traject bezaaid met monumenten. En het houdt niet op. Het portaal van San Biagio in Talignano heeft een laatste oordeel, een thema dat tussen Alpen en Rome herhaaldelijk terugkeert : goeden en slechten worden gescheiden, de ene is uitverkoren en de andere verdoemd. Het is een memento voor de bedevaarders, opdat ze de reden van hun tocht indachtig zouden zijn. Of de Santo Stefano van Sorano, waar Lombardische motieven met Pisaanse architectuur verrijkt zijn : zoals het landschap langzaam Toscaanser wordt, zo zijn ook de bouwkundige overgangen zichtbaar. De weg daalt af door de Val di Magra en bereikt Pontremoli. Toscaans van zinnen vlijt het stadje zich langs de Verde. Op de kerk van San Pietro is een labyrint afgebeeld, als symbool voor de moeilijke tocht naar Rome en Jeruzalem. En vanuit het nabije Luni vertrokken pelgrims naar Santiago de Compostela, die andere belangrijke bedevaartplaats van het christendom. Of in de woorden van Dante, uit Il Paradiso : hier vertrekken Italiaanse pelgrims om eer te betuigen aan die "Heer voor wie ze op aarde Galicië bezoeken". Parallel met de kust passeert de Via het stille Pietrasanta, een stadje met oude en veel moderne kunst. Eindelijk Lucca : vanop de Guinigi-toren, begroeid met een steeneik, heb ik zicht over de stad, met het ovaal plein dat de contouren van een Romeins amfitheater volgt. Stad van het Licht met herbergen, restaurants en kerken die zijn versierd met boodschappen voor de Romei, de pelgrims die naar Rome trokken. Zo vooral de Volto Santo, een houten kruis met een geklede Jezus en open ogen die streng kijken. Natuurlijk bezoek ik het huis van Puccini, maar dan doet de Porta San Jacopo me uitgeleide uit het wonderlijke Lucca, ik reis langs moerassen, passeer Pistoia en steek de Arno over, de belangrijkste rivier van Toscane. Hier liepen drie routes door een van de meest gecultiveerde landschappen ter wereld. Ik kies die langs San Gimignano : van ver staan de torens in de heuvels, het waarmerk van een dorp dat door de voorspoed van de pelgrimsroute tot rijke stad is uitgegroeid. Ik doe het ook nu weer : van poort naar poort, dwars door de stad zoals de pelgrims het deden en voor het eerst kijk ik anders naar de torens, de dom met angstaanjagende fresco's uit het oude en nieuwe testament, de kerken en pleinen tussen de Porta San Matteo en de Porta San Giovanni. Maar het is te druk, de stad betaalt de tol van de toeristische roem. Langs Monteriggioni dat tussen koolzaadvelden als een versterkt fort op een heuvel ligt, wil ik natuurlijk naar de mooiste van alle Toscaanse steden : Siena is een verhaal op zich, met de fabelachtige kathedraal, het plein van de Palio en de musea, maar vandaag geniet ik van het straatleven met de palaverende mannen, de schoenwinkels en stijlvolle kledij. In die sfeer moet Siena een vrolijke stopplaats op de Francigena geweest zijn, die niet onderdoet voor de stad uit de 21ste eeuw waarin we op zoek zijn naar wereldse geneugten. Ik houd het op de waarneming van de IJslandse monnik Nikulas van Munkatherva, die vond dat de vrouwen in Siena zeer mooi zijn. Nog een laatste stuk Toscane : ik maak een ommetje langs Montalcino, niet zozeer voor de wijn als wel voor de abdij van Sant'Antimo die sierlijk is omgeven door cipressen. Vanaf Bagno Vignoni, het kuuroord waar de Italiaanse patroonheilige Catharina van Siena een nutteloze dood stierf, zijn de tekens in het landschap Etruskisch : Bolsena, Orvieto, Viterbo en de laatste halte Sutri, met de god Saturnus in het wapenschild. Aquapendente was voor de Franse wijsgeer Montaigne "een klein dorp van vijf of zes huizen, aan de voet van kale bergen en dor van uitzicht". Toch staat daar de kerk van Santo Sepolcro, met in de crypte negen schepen, zuilen en gesculpteerde kapitelen. Langs het meer lokt Bolsena met twee relikwieën : tijdens de consecratie twijfelde een priester aan de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Jezus, waarop het dogma van de transsubstantiatie zich voltrok en bloed uit de hostie drupte. In dezelfde kerk staat de voetafdruk van Santa Cristina, die vanwege haar christelijk geloof door haar vader met een steen aan de voeten in het meer werd gegooid, maar wonderbaarlijk terug aan land is gezet. Het is anekdotiek onderweg, zoals in Viterbo waar ik in de kerk naast het pauselijk paleis de toevallige gast van een huwelijkspaartje ben. De wijk San Pelegrino, waar de bedevaarders onderdak vonden, oogt intimistisch maar ook somber zoals het beeld dat we vaak onterecht van de Middeleeuwen hebben. En Sutri is dan weer de 'wachtkamer van Rome' met veel kerken, zoals de Santa Maria del Parto, met in tufsteen uitgehakte Etruskische en Romeinse graven, die waarschijnlijk ooit een cultusplaats voor de god Mithra was. Op de muur van het voorportaal vertellen fresco's het leven van de aartsengel Michael, maar ook van pelgrims op stap naar hun einddoel. Dan is het niet meer ver naar de Monte Mario, waar diezelfde pelgrims voor het eerst de heilige stad konden zien. Daar ook is mijn reis voorbij, want Rome is een ander, eeuwig gevarieerd verhaal. n Tekst en foto's Mark Gielen