Van de zee moeten ze afblijven, dacht ik bij het zien van mijn eerste windmolenpark in 2002, op een ferry van Schotland naar Zeebrugge. De Noordzee en met haar alle zeeën en oceanen, leken me de laatste nog niet door mensen aangetaste plekken op aarde. Mijn naïviteit was aandoenlijk en toen ik deze zomer het Kanaal overvloog, vond ik de militair geordende windmolens, die toch écht een goed idee zijn, net mooi blinken in de zon. Voortschrijdend inzicht, heet dat. In 2000 was ik me bewust van de ozonlaag, zure regen en uitstervende panda's, vandaag besef ik dat ons dagelijkse leven de volgende twintig jaar drastisch zal veranderen. Omdat we dat zelf beslissen of omdat we geen keuze hebben.

Volgens mijn nonkel zit er geen plastic in de Noordzee. Hij weet dat, want hij woont ernaast.

Eerlijk gezegd, ik lees kranten- en andere artikels over het klimaat niet altijd met evenveel enthousiasme. Een mens wordt niet vrolijk van alweer een smeltende gletsjer, brandend stuk Amazone of razende tyfoon. Misschien kon ik daarom niet stoppen met lezen in Mathilda Masters' 123 superslimme dingen die je moet weten over het klimaat. Ik ben niet haar doelpubliek, Masters schrijft haar succesvolle weetjesboeken voor wie nog geen 13 is. Maar haar humor, de behapbare informatie en de leuke tekeningen van Louize Perdieus maken dat ik niet afhaak van miserie. Ook als 13-plusser leer ik bij. Dat het zand van woestijnen voedingsstoffen voor plankton en vissen bevat en dat er bij hogere temperaturen meer meisjeszeeschildpadden geboren worden, bijvoorbeeld.

Weetje 93 in het hoofdstuk 'Wat gaan we eraan doen' is duidelijk: het lukt alleen als we samenwerken. Maar dat ligt moeilijk. In 2018 steeg de CO2-uitstoot van wagens in België, maar onze verse minister-president schokschoudert dat we als klein Vlaanderen maar 0,3% van het probleem veroorzaken, en mijn nonkel Kustbewoner stelt dat er helemaal geen plastic in de Noordzee zit. Hij weet dat, want hij woont ernaast.

De wetenschap, geruggensteund door al dan niet spijbelende activisten, mag dan wel al dertig jaar aan de bel trekken, veel mensen blijven Oost-Indisch doof. Het probleem is natuurlijk immens, en niemand wil constant over catastrofale ontwikkelingen en de bijbehorende drastische oplossingen horen. Willen we de klimaatveranderingsklok stilzetten, dan moeten beleidsmakers grootscheepse en onpopulaire beslissingen nemen en zal de hele economie zich moeten aanpassen waardoor de dagelijkse gewoontes van miljarden mensen veranderen.

De wetenschap, geruggensteund door al dan niet spijbelende activisten, mag dan wel al dertig jaar aan de bel trekken, veel mensen blijven Oost-Indisch doof.

Dat gaat waarschijnlijk niet gebeuren, schreef auteur Jonathan Franzen onlangs in een artikel in The New Yorker. Zijn suggestie: misschien moeten we ophouden met doen alsof we de opwarming tot twee graden kunnen beperken en beginnen na te denken over hoe we met de gevolgen van de onvermijdelijke veranderingen van het leven op aarde kunnen omgaan. De kritiek kwam snel en was vernietigend. Hij heeft er geen verstand van, zeiden wetenschappers. Hij onderschat beleidsmakers, schreven politieke journalisten. Hij schat de menselijke psychologie verkeerd in, schreven psychologen. Ik hoop het. Ik hoop het echt. Want Damian Carrington, klimaatcorrespondent van The Guardian, die zich al tien jaar in het onderwerp verdiept, schreef recent dat de volgende twaalf maanden absoluut cruciaal zijn. Het is zwemmen of verzuipen. Letterlijk. Misschien moet ik de heer Jambon het boek van Mathilda Masters opsturen. Want geef toe, zo met je kop in het zand, is het wel erg donker.

123 superslimme dingen die je moet weten over het klimaat, Mathilda Masters, illustraties Louize Perdieus, Lannoo.