'Stoom je klaar voor de gezelligste periode van het jaar.' De slogan van de winkel voor feest, hobby en papierwaren hinkt wat achterop bij het echte leven. Campagnes zijn in gang gestoken, budgetten toegewezen. Je kunt moeilijk op je stappen terugkeren nu de rest van het jaar lijkt tegen te vallen.
...

'Stoom je klaar voor de gezelligste periode van het jaar.' De slogan van de winkel voor feest, hobby en papierwaren hinkt wat achterop bij het echte leven. Campagnes zijn in gang gestoken, budgetten toegewezen. Je kunt moeilijk op je stappen terugkeren nu de rest van het jaar lijkt tegen te vallen. Op een affiche in de supermarkt word ik aangesproken als 'goebeziger'. Iemand die zo'n woord bedenkt, zou gestraft moeten worden met verbanning naar Siberië. Het wordt pas echt ironisch als je al die goebezigers door de gangen ziet schuifelen, met een mondmasker op en schrik in hun ogen. Aan de kassa schuift een jonge vrouw aan met een subtiele versiering waar ik twee keer naar moet kijken. Dan stel ik vast dat ik het inderdaad goed gezien heb: op haar vingernagels staan piepkleine hartjes en penissen. 'Vrouwen kiezen ter versiering van hun nagels steeds vaker voor een schattige penis', heb ik op een nieuwssite gelezen. 'Sommigen gaan daar zeer creatief mee te werk en verwerken een piemel tot een kaars of een boom.' De hedendaagse deerne steekt speels de draak met de mannelijke geslachtsdelen - het zou een goede zin zijn voor een dictee of een oefening in zinsontleding. 'Ik vind het toch maar marginaal', zegt een vriendin met wie ik van gedachten wissel over het verschijnsel. Als verpleegkundige is zij geneigd om hoornachtige bedeksels van vingers en tenen kort en clean te houden. 'Gel- en plaknagels worden afgeraden in tijden van corona. Ook kun je ringen voor het handen wassen beter uitdoen.' Zulke gesprekken voeren wij tegenwoordig, in een wereld die zijn glans en het plezier van lippenstift heeft verloren. In de stad zag ik een reuzengroot hart gemaakt van kerstboomlampjes, dat iemand had aangebracht tegen het raam van een bovenste verdieping. Daar hangt het als een lichtend baken, in de bocht waar tram 2 zich leeg en krijsend door het duister haast. In de donkere weken voor Kerstmis zoeken we naar warmte op vreemde plaatsen, zoals een hond naar botten zoekt die hij ergens heeft begraven. Wie op YouTube de zoekterm virtual fireplace invoert, wordt getrakteerd op een overdaad aan haardvuren. Er zijn geluidloze haardvuren, knappende haardvuren en knappende haardvuren met extra gezellige geluiden: druisende regen, gierende wind en rollende donder. Mij kan het geluid niet guur en onherbergzaam genoeg zijn. Het haardvuur brandt in een loop van drie uur om daarna uit zijn as te verrijzen. Ik hoef geen hout aan te slepen of sintels op te ruimen. Ik speel een partij schaak, maar delf het onderspit tegen de computer. Ik lees De eenzame stad van een schrijfster die Olivia Laing heet. Daarin staat onder meer te lezen: 'Ik snap niet waarom mensen vinden dat de hel heet is, dat er gloeiende vuren branden. Dat is geen hel. De hel is dat je bevriest in je isolement, dat je één blok ijs wordt.' In de krant staan berichten over huidhonger. Ik ben blij dat ik, als alleenstaande burger, recht op een knuffelcontact heb van overheidswege. Ik nip van een glas port en wacht op bezoek dat komt in de schemering. Aan de telefoon vroeg mijn moeder: 'Je eet toch wel goed hè?'