Ik ben niet zo'n bewaarder, nooit geweest. De verzamelwoede van mijn moeder, die elke lege mosterdpot afwaste omdat die nog wel voor iets dienen kon, heb ik gelukkig niet geërfd. Op bedden en hoofden na, vind ik bijna alles mooier leeg. Als ik kon, ik kocht me het grootste huis van de wereld, om het leeg te laten. Zo'n kasteeltje aan de Loire bijvoorbeeld, zoals Mick Jagger, waar dan een stoel zou staan, nou ja, twéé stoelen, een tafel, een muziekinstrument, een lekkere geluidsinstallatie, en een boekenkastje. Al hoeft dat laatste voor mij bizar genoeg ook niet per se. Om een lettergek te zijn, bezit ik bijzonder weinig boeken. Eens uitgelezen gooi ik de meeste exemplaren weg. Ze zitten waar ze moeten zitten, in mijn hoofd, en vangen daar behoorlijk minder stof.

Ik heb mijn mondmaskers, jongens. Een vals gevoel van veiligheid? Ho maar!

(Ik heb collega's die alle drukken van hun eigen schrijfsels bewaren als waren het relikwieën, en ook daar is bewaardrift mij volkomen vreemd.)

Mijn grootouders zouden het wel geweten hebben: 'Jij had eens een oorlog moeten meemaken!'

Inderdaad, oorlog is wreed als het ook betekent dat je decennia later nog geen leeg wc-rolletje kan weggooien. Bruikbaar om plantjes te zaaien, tenslotte.

Maar er zit een manco in mijn minimalisme: om een niet te verklaren reden krijg ik het nooit over mijn hart om kapotte sokken weg te flikkeren. En ik heb er nogal wat. Die dikke tenen van mij, die groeien maanwaarts. Alle twee. Eigenlijk zijn het halve klimplanten met teennagels van kwaliteitsvolle kalk die ik, indien netjes afgeknipt, kan gebruiken als gitaarplectrum. Geeft een betere sound dan nylon, dat is meegenomen. (Flamencogitaristen weten dat al langer en laten daarom gewoon hun vingernagels groeien, maar daar bijt ik dan weer op, dus ja.) Al mijn schoenen krijgen onverbiddelijk gaten ter hoogte van de dikke teen, dat stuk voetduim wringt zich gewoon doorheen het sterkste leer. En al mijn sokken zijn uiteraard hollen, met wat wol eromheen.

Waarom ik die bewaar, ik zweer dat ik het niet weet, ik heb namelijk niet de intentie om die sokken te herstellen. Eén keer heb ik het gedaan, een sok hersteld, dat is waar, met matig succes en met een draad in een afwijkende kleur, en daarna besloot ik dat het een klusje voor begijnen is.

Die dikke tenen van mij, die groeien maanwaarts. Eigenlijk zijn het halve klimplanten met teennagels van kwaliteitsvolle kalk die ik, indien netjes afgeknipt, kan gebruiken als gitaarplectrum.

Maar kijk, deze week circuleerde er een instructiefilmpje dat toonde hoe er van sokken mondmaskers kunnen worden gemaakt.

Tjakka. Ik werd op slag een man met een plan, dook in die doos met kapotte kousen, en omdat ik die uiteraard zelf niet weet liggen, vroeg ik daarna aan mijn lief waar de textielschaar kon zijn. Een lief met een textielschaar, daar kan je mee verder. Relatiebureaus zouden het er altijd bij moeten vermelden, vind ik, deze heeft wel een textielschaar, deze niet. Maar als je goed kijkt zie je het eigenlijk wel zo. Misschien heb ik er een oog voor, dat kan ook.

Bon, de specialiste snit en naad in het filmpje beloofde dat het slechts twee minuten zou duren om die sok om te vormen tot een levensreddend iets, en aangezien eerst de top van de sok diende te worden weggeknipt, met andere woorden daar dus waar bij mij het gapende gat zit, ervoer ik de vreugd van de recycleur.

Er kwam wat origami aan te pas. Sok diende eerst zus te worden gevouwen, dan weer zo. Knipje hier, sneetje daar. Bijna kon je aan me zien dat ik nog op een nonnenschool heb gezeten, alwaar ik naast het weesgegroet ook de Engelse steek heb aangeleerd, en werd ondergedompeld in het ambacht van het crocheteren.

Ik heb mijn mondmaskers, jongens. Ze zien er niet uit, schots en scheef als ik ze heb gesneden. Maar een vals gevoel van veiligheid? Ho maar!

Ik ben niet zo'n bewaarder, nooit geweest. De verzamelwoede van mijn moeder, die elke lege mosterdpot afwaste omdat die nog wel voor iets dienen kon, heb ik gelukkig niet geërfd. Op bedden en hoofden na, vind ik bijna alles mooier leeg. Als ik kon, ik kocht me het grootste huis van de wereld, om het leeg te laten. Zo'n kasteeltje aan de Loire bijvoorbeeld, zoals Mick Jagger, waar dan een stoel zou staan, nou ja, twéé stoelen, een tafel, een muziekinstrument, een lekkere geluidsinstallatie, en een boekenkastje. Al hoeft dat laatste voor mij bizar genoeg ook niet per se. Om een lettergek te zijn, bezit ik bijzonder weinig boeken. Eens uitgelezen gooi ik de meeste exemplaren weg. Ze zitten waar ze moeten zitten, in mijn hoofd, en vangen daar behoorlijk minder stof. (Ik heb collega's die alle drukken van hun eigen schrijfsels bewaren als waren het relikwieën, en ook daar is bewaardrift mij volkomen vreemd.) Mijn grootouders zouden het wel geweten hebben: 'Jij had eens een oorlog moeten meemaken!' Inderdaad, oorlog is wreed als het ook betekent dat je decennia later nog geen leeg wc-rolletje kan weggooien. Bruikbaar om plantjes te zaaien, tenslotte. Maar er zit een manco in mijn minimalisme: om een niet te verklaren reden krijg ik het nooit over mijn hart om kapotte sokken weg te flikkeren. En ik heb er nogal wat. Die dikke tenen van mij, die groeien maanwaarts. Alle twee. Eigenlijk zijn het halve klimplanten met teennagels van kwaliteitsvolle kalk die ik, indien netjes afgeknipt, kan gebruiken als gitaarplectrum. Geeft een betere sound dan nylon, dat is meegenomen. (Flamencogitaristen weten dat al langer en laten daarom gewoon hun vingernagels groeien, maar daar bijt ik dan weer op, dus ja.) Al mijn schoenen krijgen onverbiddelijk gaten ter hoogte van de dikke teen, dat stuk voetduim wringt zich gewoon doorheen het sterkste leer. En al mijn sokken zijn uiteraard hollen, met wat wol eromheen. Waarom ik die bewaar, ik zweer dat ik het niet weet, ik heb namelijk niet de intentie om die sokken te herstellen. Eén keer heb ik het gedaan, een sok hersteld, dat is waar, met matig succes en met een draad in een afwijkende kleur, en daarna besloot ik dat het een klusje voor begijnen is. Maar kijk, deze week circuleerde er een instructiefilmpje dat toonde hoe er van sokken mondmaskers kunnen worden gemaakt. Tjakka. Ik werd op slag een man met een plan, dook in die doos met kapotte kousen, en omdat ik die uiteraard zelf niet weet liggen, vroeg ik daarna aan mijn lief waar de textielschaar kon zijn. Een lief met een textielschaar, daar kan je mee verder. Relatiebureaus zouden het er altijd bij moeten vermelden, vind ik, deze heeft wel een textielschaar, deze niet. Maar als je goed kijkt zie je het eigenlijk wel zo. Misschien heb ik er een oog voor, dat kan ook. Bon, de specialiste snit en naad in het filmpje beloofde dat het slechts twee minuten zou duren om die sok om te vormen tot een levensreddend iets, en aangezien eerst de top van de sok diende te worden weggeknipt, met andere woorden daar dus waar bij mij het gapende gat zit, ervoer ik de vreugd van de recycleur. Er kwam wat origami aan te pas. Sok diende eerst zus te worden gevouwen, dan weer zo. Knipje hier, sneetje daar. Bijna kon je aan me zien dat ik nog op een nonnenschool heb gezeten, alwaar ik naast het weesgegroet ook de Engelse steek heb aangeleerd, en werd ondergedompeld in het ambacht van het crocheteren. Ik heb mijn mondmaskers, jongens. Ze zien er niet uit, schots en scheef als ik ze heb gesneden. Maar een vals gevoel van veiligheid? Ho maar!