Liefhebbers van een frisse wind tussen de benen zijn vermoedelijk vertrouwd met het Île du Levant in de Middellandse Zee. Beroemd omdat twee zaken er verboden zijn: auto's en kleren. Een droomvakantie met andere woorden voor de fietsende nudist. Het kan paradijselijk klinken, maar mij krijgen ze dat eiland niet op. Een blote mens, ik zie er wel degelijk een halleluja in. Maar vierduizend blote mensen op een hoop is een kuip soepvlees. Die foto's van Spencer Tunick vind ik dan ook uitermate geschikt als omhulsel voor conservenblikken met cornedbeef. Eerder de beenhouwerij dan de kunstgalerij. Als ik naar beelden kijk van een volgepropt naaktstrand, trek ik een skipak aan. Het maakt mij niet uit hoe heet het is.

Ik durf te bevroeden dat een nudist filosofische bezwaren heeft tegen een mondmasker.

Elk zijn ding, uiteraard. Maar mijn ding hou ik liever binnensbroeks als ik ben omsingeld door een paar duizend wildvreemden. Het idee dat ik er zonnecrème op zou moeten smeren, staat mij ook wreed tegen. En dan al dat zand dat er vervolgens aan gaat plakken. Om nog te zwijgen van alle lagunes en moerassen in dat gebied, waardoor ook de tube met antimuggenspul her en der dient te worden leeggeknepen.

Enfin. Goed dat we verschillen.

Soms haalt het eiland het nationale nieuws, omdat nogal wat hardleerse Freikörper-culturelen zich verzetten tegen de hygiënische regel dat je op restaurant niet met je blote achtersnee op een stoel mag zitten. Een tangaslip volstaat, maar ook dat stukje flosdraad vinden sommigen blijkbaar al onbegrijpelijk veel textiel voor een nudisteneiland. De puristen, de wereld zou saai zijn zonder. In het hoogseizoen moet de politie dan ook vaak ingrijpen en de koppigaards dwingen die laatste centimeter van hun spijsvertering te bedekken. De Franse gendarmerie heeft daar een pracht van een term voor: la chasse aux culs nus!

Toch leuker dan parkeerboetes uit te schrijven.

Maar goed, het zou weleens kunnen dat het eilandje onder Toulon momenteel de gelukkigste mensen op aard bevat. Slechts met zijn 180 zijn ze daar, allemaal gezellig in hun poeppiebloottie. Niemand mag het eiland af, niemand mag erbij. Ze hebben zich laten testen, en ze blijken allemaal, van de eerste tot de laatste, coronavrij. En gelukkig maar, want ik durf te bevroeden dat een nudist filosofische bezwaren heeft tegen een mondmasker.

Als ik naar beelden kijk van een volgepropt naaktstrand, trek ik een skipak aan.

Ze lopen en staan waar ze willen op dat lapje grond, acht kilometer op zijn langst, twee op zijn breedst.

Ze hebben een groentewinkeltje, Pomme d'Adam geheten, jawel, dat vier keer per week wordt bevoorraad vanaf het vasteland.

De zee zelf is rustiger dan ooit, er spartelen zowaar weer walvissen in de haven van Marseille nu de kranen niets te grijpen krijgen. De natuur ontploft er, de krawieteldieren klauteren de rotsen op. En de mens, die ligt daar, in blote piezewiet en mammezel, te bakken onder de zon, of te vissen op heek. Niemand moet ergens heen, alle klokken zijn tenslotte stilgezet. Ze hebben 996 hectaren die ze met hun 180 onder elkander en de hagedissen verdelen.

Zouden zij niet stiekem hopen dat deze pandemie nog heel erg lang mag duren? Veilig afgesneden van de wereld als ze zijn.

Of zijn ze zich bewust van hun zwakte, afhankelijk te zijn van de onnozel aangekleden die hun eten komen leveren? Soms, niet altijd, is de roep om solidariteit de suikerlaag rond jaloezie. Ik zie het zo gebeuren dat, wanneer dit alles nog langer aansleept, de steviger geconfineerden hen zullen laten stikken. Dat ze stoppen met de bevoorrading.

Vrijheid is niet alleen keuzes kunnen maken, het is ook die keuzes nemen. En vervolgens de volle verantwoordelijkheid dragen voor die keuzes.

Vooralsnog is de keuze van die 180 bloteriken nog de slechtste niet. De tijd van hun leven, misschien.

Liefhebbers van een frisse wind tussen de benen zijn vermoedelijk vertrouwd met het Île du Levant in de Middellandse Zee. Beroemd omdat twee zaken er verboden zijn: auto's en kleren. Een droomvakantie met andere woorden voor de fietsende nudist. Het kan paradijselijk klinken, maar mij krijgen ze dat eiland niet op. Een blote mens, ik zie er wel degelijk een halleluja in. Maar vierduizend blote mensen op een hoop is een kuip soepvlees. Die foto's van Spencer Tunick vind ik dan ook uitermate geschikt als omhulsel voor conservenblikken met cornedbeef. Eerder de beenhouwerij dan de kunstgalerij. Als ik naar beelden kijk van een volgepropt naaktstrand, trek ik een skipak aan. Het maakt mij niet uit hoe heet het is. Elk zijn ding, uiteraard. Maar mijn ding hou ik liever binnensbroeks als ik ben omsingeld door een paar duizend wildvreemden. Het idee dat ik er zonnecrème op zou moeten smeren, staat mij ook wreed tegen. En dan al dat zand dat er vervolgens aan gaat plakken. Om nog te zwijgen van alle lagunes en moerassen in dat gebied, waardoor ook de tube met antimuggenspul her en der dient te worden leeggeknepen. Enfin. Goed dat we verschillen. Soms haalt het eiland het nationale nieuws, omdat nogal wat hardleerse Freikörper-culturelen zich verzetten tegen de hygiënische regel dat je op restaurant niet met je blote achtersnee op een stoel mag zitten. Een tangaslip volstaat, maar ook dat stukje flosdraad vinden sommigen blijkbaar al onbegrijpelijk veel textiel voor een nudisteneiland. De puristen, de wereld zou saai zijn zonder. In het hoogseizoen moet de politie dan ook vaak ingrijpen en de koppigaards dwingen die laatste centimeter van hun spijsvertering te bedekken. De Franse gendarmerie heeft daar een pracht van een term voor: la chasse aux culs nus! Toch leuker dan parkeerboetes uit te schrijven. Maar goed, het zou weleens kunnen dat het eilandje onder Toulon momenteel de gelukkigste mensen op aard bevat. Slechts met zijn 180 zijn ze daar, allemaal gezellig in hun poeppiebloottie. Niemand mag het eiland af, niemand mag erbij. Ze hebben zich laten testen, en ze blijken allemaal, van de eerste tot de laatste, coronavrij. En gelukkig maar, want ik durf te bevroeden dat een nudist filosofische bezwaren heeft tegen een mondmasker. Ze lopen en staan waar ze willen op dat lapje grond, acht kilometer op zijn langst, twee op zijn breedst. Ze hebben een groentewinkeltje, Pomme d'Adam geheten, jawel, dat vier keer per week wordt bevoorraad vanaf het vasteland. De zee zelf is rustiger dan ooit, er spartelen zowaar weer walvissen in de haven van Marseille nu de kranen niets te grijpen krijgen. De natuur ontploft er, de krawieteldieren klauteren de rotsen op. En de mens, die ligt daar, in blote piezewiet en mammezel, te bakken onder de zon, of te vissen op heek. Niemand moet ergens heen, alle klokken zijn tenslotte stilgezet. Ze hebben 996 hectaren die ze met hun 180 onder elkander en de hagedissen verdelen. Zouden zij niet stiekem hopen dat deze pandemie nog heel erg lang mag duren? Veilig afgesneden van de wereld als ze zijn. Of zijn ze zich bewust van hun zwakte, afhankelijk te zijn van de onnozel aangekleden die hun eten komen leveren? Soms, niet altijd, is de roep om solidariteit de suikerlaag rond jaloezie. Ik zie het zo gebeuren dat, wanneer dit alles nog langer aansleept, de steviger geconfineerden hen zullen laten stikken. Dat ze stoppen met de bevoorrading. Vrijheid is niet alleen keuzes kunnen maken, het is ook die keuzes nemen. En vervolgens de volle verantwoordelijkheid dragen voor die keuzes. Vooralsnog is de keuze van die 180 bloteriken nog de slechtste niet. De tijd van hun leven, misschien.