Op straat toont een jonge vrouw mij een kaartje op haar telefoon. In gebroken Nederlands vraagt ze of ik de plek ter hoogte van de zwarte stip weet zijn.
...

Op straat toont een jonge vrouw mij een kaartje op haar telefoon. In gebroken Nederlands vraagt ze of ik de plek ter hoogte van de zwarte stip weet zijn. Ik neem de telefoon van haar over en lees: Abortuscentrum Luna. Ik verberg mijn verbazing en doe alsof ze gewoon de weg naar Mr. Friet heeft gevraagd. Ik ben nu eenmaal het type dat makkelijk wordt aangesproken door mensen die geld nodig hebben, zich willen laten fotograferen, de vindplaats van het Lam Gods onthullen of anderszins het noorden kwijt zijn. 'Jij bent een redder', schamperde onlangs een vriendin die altijd met het leven worstelt. Ik antwoordde: 'Dat was vroeger. De redder in mij is verdronken. In plaats van met heldenmoed in de branding te duiken, ligt hij nu liever op het strand te staren naar het voorbijschuiven van de wolken.' Toch ben ik weer te behulpzaam, in plaats van de mensen van mij af te schudden als waren het rupsen. Ik zeg aan de jonge vrouw dat zij gerust een eindje met mij kan meestappen, want dat ik toevallig toch ook die richting uit moet. Ik zeg er niet bij dat ik het abortuscentrum een eenzame plek vind om in je eentje naartoe te wandelen. De jonge vrouw draagt sandaaltjes, die bij elke stap tegen haar voetzool klepperen zonder iets wezenlijks aan de wereld toe te voegen. Haar telefoon zit in een roze hoesje, waarop diamanten opzichtig flonkeren. Ik vraag of zij het Engels machtig is. 'Français', glimlacht zij verontschuldigend. 'Je me débrouille', zeg ik. 'Ou plutôt: je me démerde.' Mijn straat-Frans leerde ik van een ex die voortdurend door mannen belaagd werd. Dankzij haar weet ik nu dat versieren draguer is en un flingue een blaffer. Mijn ex had van haar ex een kast waarop je Pac-Man kon spelen, en een oude revolver. Ze liet mij die zien en vroeg: 'Wil jij hem hebben?' Ik bedankte toen ik voelde dat er speling zat op de trommel. Dat alles vertel ik niet aan de vrouw die nu naast mij loopt. De zon schijnt, in een container liggen piepschuim en een afgedankt toilet op afhaling te wachten. Intussen zijn wij aangekomen bij Luna. Het gebouw is fris en statig, de activiteit staat discreet op een blad papier. Ik heb talloze keren door deze straat gelopen, maar het was mij niet eerder opgevallen. 'Het zit goed verborgen', zegt de jonge vrouw opgewekt. Ik denk: het is geen nachtwinkel die met lichtreclames volk wil lokken. ' Bonne journée', zeg ik tot afscheid. Het klinkt misschien wat ongelukkig. Zij antwoordt: ' A la prochaine', alsof zij overweegt dat een meerbeurtenkaart goedkoper zou uitvallen. Ik zet mijn weg alleen voort, met de gedachte aan eendenbekken die de oorsprong van de wereld oprekken. Misschien kwam ze gewoon solliciteren voor een job in het centrum. Ik hoop dat zij gelukkig wordt, met of zonder diamanten. Er brult een motorfiets in de verte, als een dinosaurus die niet beseft dat zijn dagen geteld zijn. Ik denk aan mijn ex, die mij op een blauwe maandag onverwachts opbelde. Haar vader was gestorven. Zij had inmiddels drie kinderen en was getrouwd met een zakenman die zeventien huizen bezat en twee appartementen. Ik vroeg of zij die Pac-Man nog staan had.