Ik rijd naar mijn moeder om een kast op te halen. Het is een pièce unique dat mijn overgrootmoeder in de fifties speciaal heeft laten maken. De kast heeft een marmeren blad en gebombeerde deuren die weer erg in de mode zijn bij hedendaagse jonge vrouwen. Haar deurknoppen zijn van het soort hemelsblauw waar dromen van gemaakt worden op onbewolkte dagen.

Bekropen door een voorgevoel, maak ik een omweg langs de plek waar ik de eerste vijf jaar van mijn leven heb doorgebracht. Ik woonde bij mijn grootouders, in een klein huis in de schaduw van een spaanplaatfabriek die daar plotseling gebouwd was. Het was er een beetje als in de Kapellekensbaan. Ik herinner mij de machteloze woede van mijn grootmoeder, die allergisch bleek voor spaanplaat. Terwijl zij in bed piepend naar adem lag te happen, duwde grootvader mij gelukkig vaak op de schommel. Ik reikte naar de wolken met de toppen van mijn schoenen.

De wereld was een spel, met spelregels die je maar halvelings uitgelegd werden.

Soms hagelde het in de Kortrijkstraat. Soms viel er sneeuw in onze voortuin. In de zomer stonk het er naar vlaskapellen. Die stonden in die dagen op de velden, terwijl ze nu verbannen zijn naar namen van carnavalverenigingen en plattelandskroegen. Op het dak van de spaanplaatfabriek stonden ijzeren constructies met eigenaardige vormen. Ze deden denken aan goedmoedige robots met tovenaarshoeden, die ik later zou herkennen in The Wizard of Oz. Het huis lag in het verlengde van een klein vliegveld. Als de zon scheen en er hoog in de lucht propellervliegtuigen ronkten, voelde ik iets waarvan ik later leerde dat het weemoed genoemd wordt. Terwijl er nog zo weinig was om weemoed naar te voelen.

Het huis had een voutenkamer en een kelder die naar grond rook. Soms waaiden er stukken van het huis weg als het stormde. Eens zat ik door het raam naar buiten te kijken, toen plotseling de dakgoot in haar geheel op het grasperk neerplofte. Dat was geen voorval dat je vertrouwen in de wereld sterkte. Mijn grootmoeder belde naar de huisbaas en naar geheimzinnige instanties. Trots zei ze dat het huis onbewoonbaar verklaard was. Dat begreep ik niet; hoe konden wij wonen in iets wat onbewoonbaar was?

Als de zon scheen en er hoog in de lucht propellervliegtuigen ronkten, voelde ik iets waarvan ik later leerde dat het weemoed genoemd wordt.

Het paste bij de groteske vormen en het gevoel van surrealisme dat ik mij van mijn jongste jaren herinner. De wereld was een spel waar je halverwege was ingevallen, met spelregels die je maar halvelings uitgelegd werden.

Dat surrealisme voel ik weer als ik bijna een halve eeuw later de Kortrijkstraat insla, die inmiddels herdoopt is tot Europalaan. Ik wrijf mijn ogen uit zoals Jommeke in Purperen Pillen, als blijkt dat het huis is verdwenen. Er rest zelfs geen kuil, alleen een braakliggende lap grond met enkele glasscherven. Tegen de buitenmuur van de aanpalende woning flappert behangpapier, op die troosteloze wijze waarin flapperend behangpapier uitblinkt. 'Bekendmaking beslissing omgevingsvergunning', staat op een geel aanplakbiljet te lezen. De aanvraag betreft het bouwen van twee woningen en zeven garages.

De spaanplaatfabriek staat er nog. De tovenaars van ijzer zijn verdwenen. De termijn om beroep aan te tekenen, is inmiddels verstreken.