Nee, Mixed Grill is niet het nieuwe barbecueboek van kok Peter De Clercq. En ook de Amazonzoekmachines zullen moeite hebben om Lionel Jadots boek onder de categorie 'interieurarchitectuur' te plaatsen. Het is de aard van de beestje: Jadot (1969) vált niet te klasseren. Hij ontwerpt eclectische interieurs, waarmee hij wereldwijd woonbladen genre World of Interiors, Casa Vogue, Elle en Architectural Digest haalt. Maar hij is ook kunstenaar, designer, filmmaker, muziekproducent, avonturier en iconoclast. Die verschillende petjes maken van hem een fascinerende omnivoor.
...

Nee, Mixed Grill is niet het nieuwe barbecueboek van kok Peter De Clercq. En ook de Amazonzoekmachines zullen moeite hebben om Lionel Jadots boek onder de categorie 'interieurarchitectuur' te plaatsen. Het is de aard van de beestje: Jadot (1969) vált niet te klasseren. Hij ontwerpt eclectische interieurs, waarmee hij wereldwijd woonbladen genre World of Interiors, Casa Vogue, Elle en Architectural Digest haalt. Maar hij is ook kunstenaar, designer, filmmaker, muziekproducent, avonturier en iconoclast. Die verschillende petjes maken van hem een fascinerende omnivoor. Laten we eerst even die boektitel uitklaren. Hoezo Mixed Grill? "Zo noem ik mijn praktijk graag", lacht Jadot. "Omdat er in mijn atelier zoveel verschillende creatieve uitingen tegelijk plaatsvinden. Ik maak hier kunstwerken, ontwerp interieurs of meubels, experimenteer met materialen. En de barbecue waar alles vandaan komt, zijn mijn schetsboeken. Continu leg ik daar mijn ideeën op te braden. Soms komen die tekeningen van pas in een interieur, soms in een meubel, in een kunstwerk, in een film, soms helemaal nergens. Mijn carnets zijn mijn broednest." Jadot heeft de verbeelding van een uitvinder, maar ook de passie van een stielman. Hij houdt van tekenen, maar ook van bricoleren op de werf. Mogen we Mixed Grill dan beschouwen als Lionels artistieke 'bordje gemengd' ? Misschien wel, want hij toont vijftien totaal verschillende interieurs, van Londen tot Mumbai, van Parijs tot Luxemburg. Maar evengoed schetsen, foto's van zijn atelier en portretten van de artisans die voor hem werken. Het uitgangspunt bij elk van zijn projecten is een fictief filmscenario. "Ik bedenk altijd eerst een verhaal over iemand die in dat huis zou kunnen wonen, los van de huidige eigenaar. Ik verzin wie de bewoner had kunnen zijn. Ik fantaseer bijvoorbeeld over een Britse etnoloog, die rond 1910 in een zelfgebouwd labo in het Amazonewoud veldonderzoek deed. Bij gebrek aan mastiek om de laboramen vast te kitten gebruikte de avonturier-wetenschapper dan maar bamboelatjes. Toen hij zijn werkplek in de brousse moest verlaten, nam hij de plankenvloer gewoon mee. Die benutte hij in zijn eigen huis in Londen." Dat verzonnen scenario stuurt Jadot in zijn interieurkeuzes. In concreto: in dat Londense town house ligt nu effectief een plankenvloer, zijn er modernistische laboratoriumelementen en kasten afgewerkt met bamboe. De badkamer lijkt wel een Victoriaanse serre, gekruist met een laboratorium. De stalen raamkozijnen zijn niet klassiek zwart zoals bij een serre, maar 'machinegroen'. "Een non-kleur, die ingenieurs gebruiken voor functionele toestellen in fabrieken", zegt Lionel. "Het is geen decoratief, maar praktisch groen: de kleur van industriële mechaniek. En de kleur van de toestellen in het meubelatelier waar ik ben opgegroeid."Hij bedoelt: bij Vanhamme, een specialist in beklede luxesofa's en totaalinrichtingen. Het bedrijf werd opgericht in 1895, Lionel Jadot is zesde generatie. Als kind hing hij vaak rond in het atelier van zijn ouders. Alle werklui - houtbewerkers, stoffeerders, naaisters - kenden hem als een overactieve knutselaar die met restjes hout bricoleerde. "Mijn eerste stoel maakte ik op mijn zesde", zegt hij. "Op mijn achttiende kwam ik, na de dood van mijn moeder, onverwacht aan het hoofd van het atelier. Vijfendertig artisans had ik onder mij, ze konden allemaal mijn vader of moeder zijn. Dankzij hun knowhow kreeg ik de liefde voor het ambacht te pakken. Tussen 1989 en 2000 leerde ik alles op de werkvloer. Een complete autodidact ben ik. Bij mijn vader in het atelier besefte ik dat je niets moet weggooien. Met restjes kun je ook creatief zijn. Daar liggen de roots van mijn upcyclingideeën. Ik werk nog steeds graag met bouwafval of 'afgedankte' meubelen, die ik opwaardeer. Voor een Zwitserse chalet hergebruikte ik zo veel mogelijk afbraakmaterialen. Repareren met het materiaal dat je ter plekke vindt: de boeren uit die streek doen dat al generaties lang. Daarom wou ik deze boerderij zo lokaal en eerlijk mogelijk renoveren. Alles is homemade." Nog een schoolvoorbeeld van Lionels upcycling: de houten latjes die her en der in zijn projecten terugkomen. Ze dienen normaal om tussen hout te leggen dat aan het drogen is. "Ik recupereer ze bij een houthandel en gebruik ze om kasten, deuren of zelfs gevels mee af te timmeren. Liefst in grafische patronen, zoals de razzle-dazzle-schepen uit de Tweede Wereldoorlog." Zetels van Vanhamme, grote designklassiekers of gratuite namedropping moet je in Jadots realisaties niet zoeken. Hij creëert geen herkenbare interieurs waar geld of smaak van het meubilair spatten. Voor hem geen voorgekauwde interieurs, samengesteld uit catalogi. Liever kiest hij voor niet-evidente, anonieme stukken die een smoel hebben. Een pleidooi voor non-design dus. En dat is misschien wel een term die goed bij zijn werk past. "Noem me maar een mixologist", zegt hij. "Ik gooi verschillende ingrediënten bij elkaar, schud er eens goed mee en brouw een uitgebalanceerde interieurcocktail. Eentje die je niet meteen herkent qua smaak. Maar die toch prikkelt en verrast." Elk project van mixologist Jadot lijkt alsof het al een paar keer verbouwd is, telkens met behoud van oude elementen. "Een huis is als een mens. Het draagt sporen mee uit alle fasen van het leven : liefdes, collecties, reizen, ervaringen. Die accumulatie geeft een huis zijn unieke karakter, maar ook zijn maturiteit", zegt hij. "Ook al vernieuwen wij als interieurarchitect meestal alles van boven tot onder, toch proberen we die gelaagdheid erin te stoppen. Het resultaat: je kunt de stijlperiode of tijdgeest niet meteen aflezen." Strak, aseptisch of minimalistisch is Lionels stijl allerminst. En daar heeft hij zijn reden voor. "Een huis wordt beschouwd als het verlengstuk van een imago. Maar wie leeft er nu strak en afgelijnd? Niemand. Een huis moet tegen een stootje kunnen, vind ik. En strakke villa's kunnen dat niet, want een mensenleven is nu eenmaal niet strak geregisseerd. Vergeet niet dat we wilde dieren zijn. Logisch dat ik in mijn realisaties het liefst materialen gebruik die mooi verouderen. Bruut pleisterwerk, geborsteld marmer, gezandstraalde eik: soms martel ik materialen op voorhand, zodat ze al een patina hebben." In andere gevallen gebruikt hij dan weer net het blinkendste messing, het luxueuste bladgoud of het mooiste palissander: gesofisticeerde materialen die gespecialiseerd ambacht vergen. Dat artisanaat is een van Jadots stokpaardjes. "Voor een appartement in art-decosfeer in Brussel tekende ik bijvoorbeeld handgrepen aan de keukenkasten: op een rond stukje massief palissander is een knop van gepatineerd nikkel gemonteerd. Ik hou ervan om verschillende ateliers te laten samenwerken op zulke kleine details", zegt hij. "Daarom loop ik ook zo graag rond op werven: ik zie er de artisans live aan het werk. Soms grijp ik zelfs in. Een tegelplaatser die zijn lijm opruwde met een kam, vroeg ik bijvoorbeeld om te wachten met tegelen. Zijn gekraste wand was exact de textuur die ik zocht. Soms bevat het proces fantastische tussenfases die anders verstopt zitten onder het finale resultaat." Het is Lionels guilty pleasure: op elke werf vindt hij wel iets dat hij meeneemt naar zijn atelier. Een stuk hout, een brok plaaster, een stuk afgebroken zoldergebinte. "En dat belandt ooit weer, onder een andere vorm, in een andere realisatie. Of in een designobject. Zo is elk project de prequel van het volgende. Met dezelfde materialen, maar met andere personages."