Ik was als kind niet erg sociaal. Ik had vrienden, maar ik zat ook graag in mijn eigen wereld. Ik verzamelde stenen, schelpen, fossielen en andere dingen, en verpoosde soms meer tussen dingen dan tussen mensen. Gelukkig kleefde mijn omgeving daar geen label op, zoals nu zo vaak gebeurt. Ik mocht mezelf zijn en daar op mijn manier mee omgaan. Net zoals mensen die heel open zijn - die moeten hun karakter ook een plaats geven in hun leven. De behoefte om me af te zonderen is trouwens gebleven. Tijd voor jezelf kunnen maken: in onze gejaagde, hypergeconnecteerde wereld is dat een luxe.

Objecten fascineren me. Slimme ontwerpen van Enzo Mari bijvoorbeeld, maar ook alledaagse voorwerpen zoals een koffiekopje. Daarbij voel ik vaak een zekere verwondering en nederigheid. De Franse essayist Francis Ponge had dat ook in Le parti pris des choses, een verzameling prozagedichten over op het eerste gezicht banale dingen als een kei op het strand of een kaars. Vaak leggen we het accent op de mens die dingen maakt, terwijl het omgekeerde evengoed waar is. Denk aan de smartphone - het zou me niet verbazen als die niet alleen onze manier van leven, maar mettertijd ook onze anatomie verandert.

Tijd voor jezelf kunnen maken: in onze gejaagde, hypergeconnecteerde wereld is dat een luxe

Ik koester traagheid. Ik heb altijd liever langzaam en goed gewerkt dan snel en slordig, maar dat ligt in veel sectoren steeds moeilijker. Ook in de culturele wereld: dat is net zo goed een ratrace. Veel organisaties zouden gebaat zijn met periodes van braak liggen, zoals in de landbouw. Zodat ze zich kunnen bezinnen over hun werking, hun best practices en de toekomst. Dan heb ik het niet over een namiddagje brainstormen, maar echt een tijdje de deuren sluiten. Zo kun je een solide basis creëren van waaruit je nadien weer dingen verwezenlijkt.

De rol van designers evolueert voortdurend. Vroeger waren dat per definitie makers en productontwerpers, nu treden ze ook op als curatoren, onderzoekers, opiniemakers en beleidsadviseurs. Denk aan juweelontwerpers die werken met de metalen in onze smartphones, die we nu amper recupereren. Zo werken designers op allerlei manieren rond urgente thema's als duurzaamheid, ecologie, mobiliteit en huisvesting, en dat moet ook. Er wachten ons nog veel ethische keuzes en zij kunnen mee de richting aangeven. Wie een beroep met toekomst zoekt, moet designer of filosoof worden.

Onderschat het publiek niet. Ja, de invloed van Instagram en de selfiecultuur is voelbaar in het museum. Bezoekers verkennen en bekijken de ruimtes meer gekadreerd, en sommigen zien ze vooral door hun telefooncamera. Maar de vraag is niet wat je dénkt dat het publiek leuk zal vinden, wel hoe je je eigen verhaal en ideeën kunt overbrengen, in de wetenschap dat aandacht nooit gegarandeerd is. Maak daar werk van en dan kun je mensen heus wel meenemen in een verhaal. Social media kunnen daarbij helpen: ze maken het museum toegankelijk op afstand en tonen heel concreet wat er leeft in de designgemeenschap.

In onze veranderende hoogtechnologische maatschappij kan vernieuwing niet enkel van binnenuit komen

Het hele plaatje moet kloppen. Veel culturele instellingen besteden in hun programma wel aandacht aan actuele maatschappelijke thema's en onze veranderende waardesystemen, maar werken zelf nog op een verouderde manier. Volgens een strakke hiërarchie bijvoorbeeld, weinig transparant, of vooral met het oog op grote bezoekersaantallen. Een verouderd idee, maar daar steunen de werkingsmiddelen vaak wel op. Tegelijkertijd stellen musea over de hele wereld zich vragen. Is een fysiek gebouw nog nodig? Is een vaste collectie een must, en hoe ontsluit je die dan? Het momentum voor verandering is er.

De toekomst is interdisciplinair. Sowieso weet ik vaak niet goed waar de ene discipline stopt en de andere begint. Daarvoor waren mijn interesses altijd te breed: van architectuur en de beeldende kunsten tot vormgeving en productontwikkeling. Maar ik denk ook dat openheid naar andere disciplines meer dan ooit een must is. In onze veranderende hoogtechnologische maatschappij kan vernieuwing niet enkel van binnenuit komen of van de vraag wat we nog meer kunnen. Wat doen we met wat we al hebben, hoe combineren we al die mogelijkheden: daar zit de vernieuwing.