Het lijkt alsof we de verkeerde kant willen uitgaan. Zuidwaarts dieper Frankrijk in? In Ouistreham wijst alles naar Engeland. Straatnamen, monumenten en gedenkplaten, allemaal verwijzen ze naar 6 juni 1944, toen de landing van de geallieerden de Tweede Wereldoorlog in een beslissende plooi legde. Sword Beach is dan misschien de minst bekende van de vijf invasiestranden, de zeventigste verjaardag van D-Day werd wel hier gevierd met tientallen koningen, presidenten en regeringsleiders. En rond de haven dolen groepjes jonge Afrikanen. Ze azen op een plaatsje in een vrachtwagen, vóór de ferry naar Portsmouth uitvaart.
...

Het lijkt alsof we de verkeerde kant willen uitgaan. Zuidwaarts dieper Frankrijk in? In Ouistreham wijst alles naar Engeland. Straatnamen, monumenten en gedenkplaten, allemaal verwijzen ze naar 6 juni 1944, toen de landing van de geallieerden de Tweede Wereldoorlog in een beslissende plooi legde. Sword Beach is dan misschien de minst bekende van de vijf invasiestranden, de zeventigste verjaardag van D-Day werd wel hier gevierd met tientallen koningen, presidenten en regeringsleiders. En rond de haven dolen groepjes jonge Afrikanen. Ze azen op een plaatsje in een vrachtwagen, vóór de ferry naar Portsmouth uitvaart. Toch vertrekt hier, onder ons raam in het comfortabele Hôtel Riva-Bella, de Vélo Francette. Met de teller op nul en de neus naar het zuiden vertrekken we. Het kasteel dat Willem de Veroveraar duizend jaar geleden liet bouwen in Caen laten we links liggen en we kiezen de 'Voie Verte de la Suisse normande', een mondvol voor de autoloze, beboste oever van de Orne.De term Suisse normande is ooit bedacht door een Engelse schrijver, die wellicht nooit in Zwitserland is geweest. Bergen vallen er niet te beklimmen, maar de weg gaat wel permanent op en neer, als over een vel golfkarton. Soms zacht glooiend, af en toe pittig genoeg om op je adem te trappen. Voorbij Flers duiken we weer de schaduw van het bos in, langs restanten van een negentiende-eeuwse ijzermijn. Ran-geerstationnetjes en viaducten zijn overwoekerd met bomen en gordijnen van klimop, de Engelse schrijver zou dit 'La Jungle normande' noemen. In Domfront overnachten we in Hôtel de France, in de benedenstad. Vlakbij staat het sobere, romaanse kerkje uit de elfde eeuw, de Notre-Dame-sur-l'Eau. Een groter contrast met de Saint-Julien in de bovenstad is nauwelijks denkbaar. Die kerk uit het interbellum is een betonnen kolos in neo-Byzantijnse stijl. Je kunt er niet naast kijken, helaas. De vele vakwerkhuisjes die schots en scheef elkaar overeind houden en de indrukwekkende restanten van de elfde-eeuwse burcht geven het dorp nochtans de allure van een historische stad. Wie zijn Francetteplannen vroegtijdig wil afbreken kan dat in Domfront: op de kruising met de Véloscénie wenkt links de fietsroute naar Parijs of rechts naar de Mont-Saint-Michel. Maar ons stuur blijft op het zuiden gericht. Volgens de routebeschrijving staan we voor een pittig traject, een intermédiaire, maar deze nacht hebben kabouters een nieuwe voie verte geopend: 41 kilometer biljartvlak door het bos. Tot aan de Mayenne, waar een breed jaagpad het kronkelende water volgt langs een twintigtal watermolens en sluizen. Die chemin de halage heeft links een eeuwenoude groene flank met platanen, wilgen en massieve esdoorns; en rechts de rivier met trage bootjes, zwemmers en opvallend veel hengelaars, sommigen houden vijf lijnen tegelijk in het oog. Voor de snoek, baars of karper is de Mayenne dus een heikele overlevingstocht, voor de fietser een heerlijk relaxte passage. Bij de sluis van Montgiroux valt ons oog op een ijsjeskraam. Beter wordt het vakantiekiekje niet. Evelyne verkoopt niet alleen Magnums en Cornetto's, als vrijwilligster telt ze voor de toeristische dienst de passerende fietsers en laat hen enquêteformulieren invullen. 'Er zijn wat minder Nederlanders dan vorige maand,' weet ze, 'en nog maar weinig Belgen kennen de Francette.' Wat haar naadloos op een keukenprobleem brengt: 'Belgische friet, hoe bak je dat eigenlijk? Wacht, ik neem een pen.' Verbaasd leest ze de toverformule nog eens hardop. 'Tweemaal bakken? En tussendoor laten afkoelen? Zeker weten? Dat bel ik vanavond door aan mijn moeder.' Bij het viersterrenhotel Périer du Bignon in Laval staan geen fietsen voor de deur, wel een Bentley en een paar Porsches. Toch zijn we hartelijk welkom, Acceuil Vélo is geen loze slogan. Het verrukkelijke diner op het tuinterras, met een fles Quincy Les Follets, is het elegantste compromis dat twee- en vierwielers kunnen sluiten. Laval is trots op zijn Lactopôle, het grootste zuivelmuseum ter wereld. Als kaasliefhebber heb ik geen geldig excuus, maar de Francette is vandaag aantrekkelijker: voortpeddelen langs de Mayenne. Over de Pont Vieux kiezen we op de rechteroever richting Château Gontier en Grez-Neuville. Net als gisteren een meanderende, autoloze tocht. Aan het aantal kastelen boven op de beboste flanken kunnen we aflezen dat we het hart van Pays de la Loire naderen, kastelenland bij uitstek. Hier en daar hebben de bomen al plaatsgemaakt voor een wijngaardje. Na wat zoekwerk vinden we in Grez- Neuville de oprit van Manoir du Bois de Grez achter een muur van populieren. Het landhuis komt recht uit een film: een rozentuin die eindeloos doorloopt, bloemenborders vol vlinders en kleur; het middeleeuwse plaveisel op de binnenplaats; de waterput en het kapelletje; een oude ronde vijver met dril en wat waterlelies; en duizend bomen en struiken. De oudste delen van de manoir dateren uit de twaalfde eeuw. We worden uitgebreid verwelkomd door Marie-Laure en Jean, alsof ze al hun hele leven gasten ontvangen. Maar ze lieten nog maar een paar jaar geleden hun dokterspraktijk in Angers achter, kochten deze vervallen heerlijkheid, restaureerden de gebouwen in negen maanden en wonen er tussen antieke harnassen, meubelen en reissouvenirs. 'Ja, dertig hectare is wat groot,' geeft Marie-Laure toe, 'maar ik ben ingeschreven als landbouwer, zo hou ik nog iets over aan de hooilanden. In huis verhuren we vier kamers, dat is ruim genoeg werk voor ons tweeën.' Bij het uitgebreide ontbijt drukt Marie-Laure ons op het hart dat we in Angers zeker de tijd moeten nemen om de burcht te bezoeken. 'Onbegrijpelijk dat de Apocalyps nog altijd niet is opgelijst als werelderfgoed door Unesco. Ga zeker kijken, je zult me gelijk geven.' Het Wandtapijt van de Apocalyps is inderdaad een meesterwerk. Met zijn 4,5 meter hoog en 100 meter lang is dit het grootste geweven tapijt ter wereld. In de veertiende eeuw gaf de hertog van Anjou de ontwerpopdracht aan zijn Vlaamse hofschilder, Jean de Bruges, die zich ook Jan van Bodol liet noemen. Hij combineerde Bijbelse horrorverhalen met de gruwel van zijn tijd, de Honderdjarige Oorlog: honger, pest en martelingen. Het is een wonder dat het tapijt nog bestaat, want tijdens de Franse Revolutie werd het lompweg in lappen verknipt. Sommige stukken eindigden als dekzeil op de oogst of als paardendeken. Pas decennia later werden hier en daar delen teruggevonden, opnieuw samengebracht en gerestaureerd. Ongeveer een derde is verloren gegaan. De Tapisseriede l'Apocalypse heeft nu een eigen, zacht verlichte zaal in de kloeke burcht van Angers. Je staat perplex van de gedetailleerde taferelen, die nog het meest lijken op de miniatuurkunst in oude boeken. Het is fascinerend hoe de kleuren - allemaal op basis van natuurlijke pigmenten - hun dolle rit door de eeuwen hebben overleefd.Angers is een gezellige stad, met veel vakwerkhuizen en een hele lijst kerken en musea, maar het tapijt neemt zo'n hap uit de dag dat we ons moeten reppen naar de volgende stop, Saumur. Nog zestig kilometer tempo houden, de Loire en haar wijnen wenken. De trots van Saumur - de musea van de champignon, van de cavalerie en de collectie legertanks - slaan we over en we installeren ons op het terras van Bistrot de la Place. Na het diner beginnen we, in het spoor van een paar honderd Fransen, aan de klim naar het kasteel. Daar, met een wijngaard aan onze voeten en neerkijkend op de Loire, wachten we op het vuurwerk. Het is quatorze juillet, Franser wordt Frankrijk niet. De Loire moeten we achterlaten in Saumur, de volgende dagen is de Thouet onze gezel. Elke fietsreis heeft haar lastigste dag. Vandaag hebben we prijs: we rijden uren tussen wijngaarden, zonnebloemen en maisvelden, de zon schroeit sadistisch, we vinden geen centimeter schaduw. De lege dorpjes op de route kunnen ons niet opvrolijken. Eén hert doet nog een gewaardeerde poging: het duikt op tussen de rijen druivenstokken, springt de weg over en verdwijnt even snel bij de buren. En dan doet de offday er nog een schepje bovenop: voorbij het spoorwegviaduct van Gustave Eiffel, halverwege een klim van 15 procent naar Thouars, is de weg afgesloten: travaux. Maar er wordt helemaal niet gewerkt. Met wat zweten en vloeken tillen we onze fiets over het dranghek en sukkelen te voet naar boven. Niet één Fransman ziet het, iedereen maakt zich op voor de wereldbekerfinale voetbal tegen Kroatië. Alweer vuurwerk, één dag na quatorze juillet, dat moet een primeur zijn. Over zacht glooiende wegen loopt de Francette richting Parthenay. De wijngaarden en zonnebloemvelden zijn uit beeld verdwenen, weiden en mais spelen nu de hoofdrol. Vandaag staat er 73 kilometer op het programma, waarvan een paar honderd meter over middeleeuwse keien. De Pont de Gourgé en de Pont de Saint-Généroux uit de twaalfde eeuw zijn bijzonder intact bewaard gebleven, maar een comfortabel fietspad zullen ze nooit worden. Net buiten Parthenay hebben we geboekt in een wereld die aan Tati doet denken. Steenbakker René Ayrault boerde ontzettend goed net na de Tweede Wereldoorlog en voor zichzelf wilde hij een villa bouwen met alle technologische snufjes en hoogwaardige materialen die op dat moment voorhanden waren. De bouw van Villa Ayrault liep jaren vertraging op, omdat er alleen gewerkt werd op momenten dat het iets kalmer was in de fabriek. Pas in 1965 was zijn jarenvijftigdroom gerealiseerd: een hypermoderne woonmachine van duizend vierkante meter in een park van negen hectare. Vrachtwagens marmer en glas kwamen eraan te pas. De zeven slaapkamers hebben elk een riante badkamer. Faiences van één bij één centimeter, alles geduldig met de hand gezet. Ontbijten deed het gezin aan een gigantische draaitafel, waarvan de motor in de kelder gestopt is, zodat het stokbrood en de confituur geruisloos naderbij konden komen. In de grote eetkamer lijkt de tafel te zweven. Vandaag runt Dany, de dochter van de steenbakker, een chambre d'hôte in het witte monument. 'Nee,' geeft ze toe, 'het huis is niet meegeëvolueerd met de tijd. We hebben elk jaar ruim tienduizend liter stookolie nodig voor de verwarming. Maar wij willen het werk van papa echt in ere houden.' En dat bedoelt ze letterlijk: al het meubilair, de verlichting, de kunstwerken, de biljartzaal en de bib zijn origineel. Tussen Parthenay en Niort ligt opnieuw een vel golfkarton, elke zoevende afdaling betaal je prompt met een nijdig klimmetje. Op de velden liggen strorollen te wachten, ideale uitkijkposten voor buizerds die op veldmuizen jagen. Niort heeft zich in een paar jaar tijd ontdaan van dode industriewijken, fris groen kwam in de plaats, en in de binnenstad is de voetganger koning. Op het terras van Les Planches, vlak bij de Sèvre, ontmoeten we Stéphanie Mattrat, coördinator van de Vélo Francette. 'Een paar jaar geleden groeide hier in Deux Sèvres het plan om een aantal lokale fietsroutes te verbinden. Meteen sprongen de zeven departementen tussen Ouistreham en La Rochelle mee op de kar, en toen ging het snel: nieuwe voies vertes, openbare toiletten, bewegwijzering, alle hotels en B&B's op twee kilometer van de route werden aangeschreven. Met enkele kleine aanpassingen kregen ze het label Acceuil Vélo. In 2017 werden we Europese Fietsroute van het Jaar. De Nederlanders kwamen, dan de Fransen, de Britten en nu en dan wat Belgen.' Ze glundert. 'En jullie hebben nog niet alles gezien, straks fietsen jullie het Groene Venetië binnen.' LaVenise Verte is het koosnaampje van het Marais Poitevin, na de Camargue het grootste wetland van Frankrijk, bijna de oppervlakte van Vlaams-Brabant. We fietsen het moeras in op smalle paadjes, over nog smallere bruggetjes - soms twee balkjes breed - tussen erehagen van wilgen, geknotte essen en een weelderig aanbod van water- en oeverplanten. We zigzaggen tussen waterpartijen en elzenbos, ganzen en reigers vliegen op als we naderen. De link met Venetië vinden we in het dorpje Coulon. Gondeliers nemen er toeristen mee op platbodems naar de wirwar van een paar duizend kilometer kanaaltjes. 's Avonds bestellen we in Le Central natuurlijk hét moerasgerecht: gegratineerde paling in een wijnsaus. Dat vind je niet in Venetië. De laatste fietsdag, Coulon-La Rochelle, is een uitboller. Vlakke wegen langs het water, met als afsluiter twintig kilometer langs het Canal de Marans. Dat ligt er rimpelloos en groen bij, net een plaat spiegelend marmer. La Rochelle is een grandioos orgelpunt. De oude haven is het geschiedenisboek van de stad, de versterkte poorthuizen beschermden La Rochelle tegen invallen. Vandaag zijn ze een fotogeniek decor voor selfietoeristen. Eeuwenlang was dit de grootste haven aan de Atlantische kust. Even lang was de hugenotenstad de rebel, de steen in de schoen van veel koningen. In de zeventiende eeuw werd de stad zelfs veertien maanden omsingeld door troepen van Richelieu. Twee op de drie inwoners verhongerden voor de stad zich overgaf. Vandaag is het hier moeilijk om honger te lijden, de terrassen schreeuwen het uit: vakantie en overvloed. La Rochelle heeft de grootste jachthaven van Europa en een sierlijke brug naar Île de Ré. Het enige wat ontbreekt, is een bordje 'Hier stopt La Vélo Francette, goed gereden!' Als compensatie klinken we met de lokale Pineau de Charentes. De mooiste beloning hebben we trouwens nog te goed: als we terugkeren naar Ouistreham - met de tgv via Parijs - wacht in hotel Riva Bella een wellnessmiddag.