Er werd sinds een jaar of tien niet veel meer gepraat over XULY.Bët. Het Franse label was grotendeels vergeten, over het hoofd gezien, genegeerd.
...

Er werd sinds een jaar of tien niet veel meer gepraat over XULY.Bët. Het Franse label was grotendeels vergeten, over het hoofd gezien, genegeerd. Ontwerper Lamine Kouyaté was in de nineties nochtans zijn tijd ver vooruit. Net als Virgil Abloh nu, probeerde hij zwart talent meer zichtbaarheid te geven. 'En ik was heel zwart', zegt hij tijdens een gesprek via Zoom. 'Je zag af en toe wel een zwart model: Iman, Katoucha, Naomi. Maar dat bleef zeldzaam. Ik vind nog altijd dat je gekleurde mensen moet tonen, en dan vooral in de media.' XULY.Bët recupereerde tweedehandskleding, zoals onder anderen Marine Serre in 2021. Hij showde op straat, kleedde een hele generatie jonge, vrijgevochten Parisiennes in upcycled nylon jurken en shoppingtassen van bij Tati, de Franse Zeeman. Hij was ook de eerste Franse ontwerper die in zee ging met een sportswearmerk. De Azzedine Alaïa van de straat, als het ware. Die tegen de schenen schopte van het Franse textielestablishment. Hij verlegde grenzen, was een beetje een profeet. Instagram bestond nog niet en toen hij langzaamaan van de radar van de mode verdween, bleef er weinig over van de gloriejaren van XULY.Bët. Kouyaté groeide op in Bamako, Mali. Toen hij veertien was, bracht hij twee jaar in Parijs door met zijn ouders. Zijn vader, Seydou Badian Kouyaté, was een gereputeerd schrijver en politicus in Mali (hij schreef de tekst van het volkslied), die na een staatsgreep het land werd uitgezet. Zijn moeder, Henriette Carvalho, was een van de eerste vrouwelijke dokters in Senegal. Hij begon XULY.Bët -- de naam betekent 'houd je ogen open' in Wolof, de taal van Senegal -- in 1991, vijf jaar nadat hij Mali had ingewisseld voor Frankrijk. Hij opende een atelier, zijn Funkin' Fashion Factory, in Hôpital Ephémère, een legendarisch krakerspand in een leegstaand hospitaal in het achttiende arrondissement van Parijs, waar hij terechtkwam na een opleiding architectuur in Straatsburg. 'Ik voelde meer affiniteit met de mode. Die had een zekere lichtheid, een esprit libre. Ik vond mode interessanter dan architectuur. En ik voelde me ook gewoon goed tussen vrouwen.' De modebusiness was 'als een zwaar bewapend fort', zegt Kouyaté. 'De grote huizen hadden alle macht. Er was niets anders. Mijn generatie heeft muren omvergeduwd. On a tout bousculé.' Hij beschrijft zichzelf als een soort inbreker. 'Ik gebruikte de middelen die ik had. Ik behoorde tot de periferie, mijn cultuur was die van de banlieue. We waren onzichtbaar, en we wilden gezien worden. Ik organiseerde shows op straat met veel lawaai. Geweld ging er niet mee gepaard, maar ergens voelde het als inbreken.' Hij debuteerde haast illegaal, in de gietende regen, naast de tent van Jean Paul Gaultier. Voor zijn tweede show liet Kouyaté een bus stoppen aan de Jardin des Tuileries. De modellen kwamen dansend naar buiten, gewapend met gettoblasters. In 1993 volgde een show tussen de stands van het art-decogrootwarenhuis La Samaritaine, waar Louis Vuitton in oktober vorig jaar defileerde. 'Ik had in die periode niet echt het gevoel dat ik tot het modemilieu behoorde. Ik bewonderde mensen als Yves Saint Laurent en Azzedine Alaïa, Gaultier zelfs.' Hij denkt lang na. 'Ik vond toen dat ik zelf alleen maar kleren maakte. Mode? Daar was ik niet van overtuigd. Achteraf beschouwd zie ik dat het wel degelijk mode was, en waren mijn kleren de stigmata van die generatie.' Kouyaté was in velerlei opzicht een pionier. Hij was een zeldzame zwarte stem in de Franse mode. Hij maakte 'street couture' van afgedankte kleren die hij vond op de rommelmarkt van Montreuil, de groezeligste van Parijs. Hij gebruikte geen standaardmodellen. Zijn publiek, dat waren authentieke, échte Parisiennes, niet de onbestaande, of toch bijzonder zeldzame fantasieversie van de Parisienne waarin mensen dertig jaar later nog altijd lijken te geloven (kijk maar naar Emily in Paris). Multicultureel, jong, vrijgevochten en sexy. De industrie had het moeilijk met XULY.Bët. 'In een stad die couturejurken van tienduizend dollar gewoon is, ergert het mode-establishment zich aan de tanktops van tien dollar en de hemdjurken van vijftig dollar van Kouyaté', schreef wijlen Amy Spindler in 1993 in The New York Times. Spindler schonk haar kleren van XULY.Bët aan het Costume Institute van het Metropolitan Museum; Kouyaté droeg zijn laatste show aan haar op. Zijn kleren zijn nog altijd relatief goedkoop. 'De vrouwen die wij kennen kunnen zich geen jurk van 800 euro veroorloven', lacht hij. 'Ik gebruikte afgeschreven kleren als materiaal. Onverkochte hemden, tweedehandse voetbalshirts en joggings, oude werkuniformen, collants.' In Bamako, waar Kouyaté is opgegroeid, waren de kids het gewoon om uit Europa geïmporteerde tweedehandskleren te dragen. Maar dit was nog iets anders - hij maakte nieuwe kleren van oude kleren. 'Ik nam die afdankertjes naar een nieuw creatief spectrum', zegt hij zelf. Upcycling was nog geen modewoord. Hij heeft wel wat gemeen met Martin Margiela. 'Margiela is iets vroeger begonnen, maar er waren inderdaad gelijkenissen, al was ons publiek totaal verschillend. Margiela had net als ik een sociale aanpak, hij was geïnteresseerd in overconsumptie, in vervuiling. Hij zocht de periferie op.' Margiela had zijn 'onzichtbare' logo van vier witte steken. Kouyaté gebruikte consequent rood garen, een soort litteken in zijn patchworks van uit elkaar gerukte kledingstukken. Rood is de kleur van bloed. Bloed kent geen ras, gender of geaardheid. Het is wat ons allemaal verbindt. Dat rood garen is met andere woorden letterlijk de rode draad door zijn werk. Een rode draad ook, die het verleden met het heden verbindt. 'Soms kijk je naar een oude film of serie op televisie en valt je oog toevallig op die rode draad', zegt zijn jonge CEO, Rodrigo Martinez. Hij haalt zijn telefoon tevoorschijn. 'Vandaag stuurde iemand me een screenshot uit een aflevering van Friends. Kijk, dat is Phoebe, in een jurk van XULY.Bët.' XULY.Bët was nooit gigantisch groot. Maar toch. 'Op een bepaald moment stonden we in de top 15 van meest verkochte ontwerpers. We hadden meer dan driehonderd verkooppunten.' Toen Robert Altman in 1994 de cultfilm Prêt-à-Porter draaide, baseerde hij het personage van designer Cy Bianco op Kouyaté: de rol werd vertolkt door Forest Whitaker. Op de Franse televisie ging hij in debat met Karl Lagerfeld. In 1996 won hij de prix de l'ANDAM, de belangrijkste Franse modeprijs. Hij opende drie winkels in Parijs, had een zaak in Marseille en een flagshipstore in Orchard Street in New York met ingebouwde skateramp. Hij organiseerde er graffiticompetities. Hij ontwierp een collectie voor Puma, een sportswearmerk, wat destijds ongezien was. Hij tekende gastcollecties voor postorderbedrijf 3 Suisses en voor winkelstraatmerk Naf Naf. En toen verdween hij stilletjes uit de belangstelling. Deels omdat hij de groei van zijn bedrijf niet aankon. Maar ook omdat de tijden veranderd waren. 'De industrie richtte zich volledig op luxe.' Hij gebruikt de Franse uitdrukking: ' La mode retournait à son pré carré.' Alles werd weer zoals vroeger, zoals in de jaren zeventig, voor de onafhankelijke designers doorbraken en de traditionele huizen uitgeblust leken. Tom Ford maakte Gucci opnieuw populair en plotseling speelde luxe weer mee. 'Ik had geen zin om daartegen te gaan vechten.' Tegelijk stond de luxesector ook niet te popelen om hem in te lijven. 'Je moet gevraagd worden, en ik ben nooit gevraagd. Ik behoorde niet tot de uitverkorenen.' In tegenstelling tot Margiela, die door Hermès werd opgepikt, of John Galliano, die naar Givenchy en Dior ging. Kouyaté was meer Porte de la Chapelle dan avenue Montaigne. 'Ik zat altijd veel meer in de popcultuur dan in de modesalons', zegt hij. 'Mijn business is zachtjes verder blijven draaien, maar ik ben wel uit het officiële systeem gestapt. Ik had mijn atelier en ik heb nog regelmatig geshowd, in Afrika vooral. In Mali, Senegal, Zuid-Afrika. Ik heb veel gereisd.' Hij showde ook verschillende keren in New York, eerst sporadisch (in de winter van 2019 liep Grace Jones mee), vanaf 2015 bijna elk seizoen. 'Ik wilde ook in New York gaan wonen, maar na de verkiezing van Trump hoefde het niet meer zo nodig.' Sinds vorig jaar staat hij opnieuw op de kalender van de Parijse modeweek. Alles, of toch veel, is letterlijk vergeten, maar ook vergeven: hij lijkt blij weer thuis te zijn en de industrie onthaalt hem dit keer met open armen. Hij hoort in Parijs. 'Ik had het nodig om terug te komen, om me te verzoenen met Parijs. Toen ik ben weggegaan voelde ik me... volledig naast de kwestie, complêtement à côté. Terugkomen was fundamenteel. Niet om wraak te nemen, eerder om terug naar huis te keren.' De industrie erkent intussen dat hij in zijn tijd een pionier was. Met Lucien Pagès heeft hij de belangrijkste persagent van Parijs achter zich: dat helpt. 'Zonder hem en zijn equipe zou het veel moeilijker zijn geweest.' In maart gaf XULY.Bët een show in een kringwinkel. Legendes Rossy de Palma en Michelle Elie liepen mee. In oktober schaarde hij zich bij het handvol labels met een fysiek defilé, in een voormalige fabriekshal in voorstad Ivry-sur-Seine, in de gietende regen. Er was, zoals overal die week, relatief weinig volk. Buitenlandse journalisten en buyers bleven verplicht thuis, en het aantal stoeltjes was om veiligheidsredenen beperkt. Toch was het geen triest defilé, integendeel. De sfeer was vrolijk, uitbundig. Na afloop stond iedereen te dansen (het hielp dat de beroemde dj Honey Dijon de muziek had uitgekozen). 'Het is belangrijk om wat vreugde te brengen.' De Funkin' Fashion Factory draait opnieuw op volle toeren, of toch bijna. Kouyaté, intussen 59, en zijn CEO zijn op zoek naar een nieuw, groter hoofdkwartier. Ze hopen 2021 te overleven, lachen ze. 'Het is nu moeilijker dan in de nineties. Kleine, onafhankelijke labels krijgen minder snel aandacht in de magazines.' Adverteren is onbetaalbaar en boven het geroezemoes van de sociale media uitstijgen kost ook veel geld. 'We moeten nog harder vechten, terwijl de grote merken meer macht hebben dan ooit.' Maar het is ook niet allemaal kommer en kwel. 'Iedereen begrijpt nu wat ik destijds wou zeggen. Racisme, diversiteit, duurzaamheid, alles waar ik het toen al over had - het is tijd om oplossingen te vinden. En de jonge generatie spreekt mijn taal.' 'XULY.Bët is een ruwe diamant waarvan we alle facetten blijven polijsten', zegt hij. 'We willen waarde creëren, niet in de marge blijven, zelfs als we veel stemmen vertegenwoordigen die misschien gemarginaliseerd worden. We hebben veel te vertellen, we zijn redelijk uniek, en er is vraag naar wat we doen. Er is diversiteit nodig in de mode, en eerlijkheid, anders gaan we recht de muur in.'