Waar te beginnen? Misschien in de opulente balzaal van het Hôtel de Ville in Parijs, begin maart, met de show van Balmain. Ontwerper Olivier Rousteing had zichzelf naar het jaar 2050 verplaatst en vooral met futuristische materialen gewerkt. Holografische pailletten, neonkleurig plissé. De soundtrack, daarentegen, kwam recht uit 1985 ( Take On Me van A-ha), of daaromtrent ( Don't Go van Yazoo uit 1982).
...

Waar te beginnen? Misschien in de opulente balzaal van het Hôtel de Ville in Parijs, begin maart, met de show van Balmain. Ontwerper Olivier Rousteing had zichzelf naar het jaar 2050 verplaatst en vooral met futuristische materialen gewerkt. Holografische pailletten, neonkleurig plissé. De soundtrack, daarentegen, kwam recht uit 1985 ( Take On Me van A-ha), of daaromtrent ( Don't Go van Yazoo uit 1982). Bij nader inzien leken ook de kleren geteletijdflitst uit die periode: ze deden meer denken aan Tron (in die sciencefictionfilm van Disney uit 1982 zaten ook holografische uniformen) dan aan 2050, een jaar waarover we alleen maar kunnen speculeren. Het ligt namelijk in de toekomst, en wie weet of we dan nog kleren zullen dragen, laat staan pailletten. Maar ik vond het goed zo. Ik vond het zelfs de beste show van het seizoen. Met de kleren had dat weinig te maken. Ik ben opgegroeid in de jaren tachtig. Als ik Morten Harket Take On Me hoor inzetten, krijg ik al kippenvel. Ik associeer Balmain eigenlijk altijd met de eighties. De glam, de epauletten, de excessen. Jaren geleden zat ik tijdens een show in de balzaal van Hotel Intercontinental recht tegenover Cher. Als ik aan Cher denk, zie ik haar in transparante lingerie en leren perfecto op een vliegdekschip met driehonderd matrozen in de video voor If I Could Turn Back Time. Veel meer eighties dan dat wordt het niet. Ik zag de jaren tachtig de voorbije maanden regelmatig de kop opsteken. Misschien is dat normaal. Er wordt dezer dagen vaak geschreven - meestal door grijze babyboomers - dat 2018 wel erg lijkt op 1968. Maar de overeenkomsten met de eighties zijn misschien nog groter. Ook toen waren we bang van de atoombom en was een muur een belangrijk politiek symbool. Donald Trump kreeg ook in de eighties meer aandacht dan hij eigenlijk verdiende. Al bij al was het een vrij mooi decennium. De bom is nooit gevallen, de muur wel. De sectoren die nu door de technologische revolutie murw zijn geslagen, waren springlevend: de popmuziek, de pers, Hollywood.Nostalgie is nergens goed voor. De eighties waren niet beter (er was aids, er was nog geen internet, wat misschien een zegen was, maar ook niet praktisch), zij het misschien toch een beetje. We geloofden nog in vooruitgang. We hadden niet voortdurend het gevoel dat de wereld elk moment kon vergaan. En dus hangt er heimwee in de lucht. Bij de laatste show van Kris Van Assche voor Dior Homme in januari, hadden we al naar een alle-dertien-goed megamix geluisterd met hits uit de periode, van Alphavilles Forever Young tot The Sound of C. van de Confetti's. De baggy jeans en sweatshirts met Dior-logo uit de collectie van dit najaar? Erg 1987. Karl Lagerfeld, vaste gast front row, vertoonde zich die dag bovendien voor het eerst met zijn nieuwe ringbaardje.In New York hadden Tom Ford en Marc Jacobs elk een eigen eightiesmoment, met powersuits voor meisjes en jongens in vleeskleurig ondergoed bij de eerste; boude schouders, maxicoats en wijde plooibandbroeken bij de tweede (Jacobs liet zich naar eigen zeggen inspireren door de eightiescouture van onder anderen Montana, Mugler, Ungaro en Saint Laurent). En dan was er nog de show van Julie de Libran voor Sonia Rykiel in Parijs, enkele dagen na Balmain: daar verscheen plotseling, redelijk onverwacht, onder wolken van zilveren confetti, Bananarama op de catwalk. In de originele bezetting nog wel. Siobhan Fahey, Keren Woodward en Sara Dallin. Bananarama! Toen ik elf was, in 1982, stelde ik voor het programma van mijn vader op Radio Centraal in Antwerpen mijn Top 11 samen. Ik heb de cassette nog ergens liggen (geel plastic, van BASF of Memorex). Altered Images, Bow Wow Wow en Blondie stonden hoog genoteerd in mijn hitparade, maar niet zo hoog als Shy Boy van Bananarama, mijn favoriete hit die warme zomer. Ik herinner me nog precies waar ik de single kocht: een platenwinkel in een winkelgalerie in Lanaken, waar mijn grootouders wonen. Het hoesje staat wellicht voor de rest van mijn leven in mijn geheugen gegrift: Siobhan, Keren en Sara, met net iets te veel make-up, in een decor van plastic bananen. Hun witte jurken, met tekeningen van rozen en joodse symbolen, of in elk geval iets dat erop lijkt, zijn van Sue Clowes, die op dat moment ook ophef maakte met de androgyne outfits van Boy George van Culture Club. In 1989, toen ik achttien was en na school en tijdens de vakantie al voor De Morgen schreef, brak de New Beat door. Het was het jaar van Pump Up The Jam en het hogervermelde The Sound Of C. Mijn eerste artikel over mode ging over de stijl van New Beat, en meer bepaald over de Vlaamse kids die op begraafplaatsen medaillons met foto's van overledenen gingen stelen, en op donkere parkeerterreinen het stervormige embleem van Mercedessen rukten om het vervolgens trots rond hun nek te hangen. Het was een opwindende periode voor de Belgische stijl. Raf Simons plukt er nog altijd de vruchten van. Maar wat er in Parijs of Milaan op de catwalk werd geshowd, sprak minder tot de verbeelding. Mode met hoofdletter M leek wereldvreemd, een overblijfsel van een oud, stoffig verleden. Luxe bestond niet, of nauwelijks. Louis Vuitton begon pas in 1997 met kledingcollecties en de grote huizen die nu zo populair zijn, van Gucci over Dior tot Balenciaga, lagen op apegapen. Van de modeweken zag je elk seizoen nooit meer dan een paar foto's in de krant (toen nog in zwart-wit), waarna: windstilte. Met uitzondering van af en toe een reportage in Blikvanger, het modeprogramma van Ghis- laine Nuytten op de BRT. Mode was geruis op de achtergrond, geen onderdeel van de dagelijkse conversatie. Er waren Johnny's en Marina's en jongens en meisjes die echt, écht niet mee waren, en dat was eigenlijk heel cool. Tegenwoordig ziet iedereen er min of meer hetzelfde uit. Het is wachten op een nieuwe new wave. Tevergeefs, misschien. Intussen recycleren we de gimmicks van de jaren tachtig. Dat is niet de eerste keer, en allicht ook niet de laatste. In 1993 verhuisde ik naar Parijs, en datzelfde jaar zag ik een show van Veronique Leroy in een tapijtenwinkel langs de Seine waarin ze de kitsch van de eighties transformeerde tot iets heel fris. Ik herinner me de uitnodiging van fotograaf Inez Van Lamsweerde, die toen nog moest doorbreken en, alweer, de muziek: een handvol Franse pophits, van Mylène Farmer tot Herbert Léonard. Leroy was iedereen voor. Sindsdien wordt de geest van de jaren tachtig regelmatig uit de fles gehaald. Net als de geesten van ongeveer alle andere decennia uit de geschiedenis, soms allemaal tegelijk. Toch is deze reïncarnatie van de eighties behoorlijk fors. En wel hierom. In een kleerkast in de kelder van het huis van mijn ouders hing tot voor kort een zwart jasje van Dries Van Noten. Dat jasje was mijn eerste kledingstuk van een ontwerper, en het kwam van bij Stijl in Brussel of Het Modepaleis in Antwerpen, gekregen van mijn moeder toen ik een jaar of achttien was. Het was kort en opvallend breed, en perfect in de mode in 1989. En volstrekt ondraagbaar, want uit de mode, tussen pakweg 1991 en 2017. Voor mij was het jasje altijd een mooie herinnering, maar ook het bewijs dat ontwerpersmode, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, niet tijdloos is. Toen ik enkele maanden geleden mijn ouders bezocht, heb ik het jasje nog eens aangetrokken, en zie: een perfect plaatje. Het was tegen alle verwachtingen in opnieuw relevant. Helemaal nu zelfs. Eerlijk: gecombineerd met mijn baggy Levi's Silver Tab (uit de nineties, maar vandaag opnieuw verkrijgbaar) zag ik er hipper uit dan in Dries Van Noten van het tweede millennium.