Nadjette vertelt me bij een kop warme chocola in een Antwerps café over haar verdriet. Ze woont in Algiers, ze is 33, journaliste en niet getrouwd. Haar moeder schaamt zich voor haar omdat ze nog steeds geen man heeft. Nadjette is een vrome moslim, maagd en mooi. Ze zegt van zichzelf dat ze een goede huisvrouw is en ze heeft een universitair diploma. Maar ze vertikt het om in het gezelschap van mannen haar kennis en ontwikkeling te verdonkeremanen. Sinds haar studietijd al woont ze alleen in Algiers, haar vader is advocaat in een stadje op 300 kilometer van de hoofdstad. Toen haar zussen zich inschreven aan de universiteit kwamen ze bij haar in de hoofdstad wonen. Ze hadden het best naar hun zin samen. Nadjette toont me foto's van elegante feesten met vrolijke gezichten en frivole toiletten. Maar nu woont Nadjette, die voor een officieel persagentschap werkt, op kosten van de regering in een hotel aan de kust. De vrouwenetage van het voormalige toeristenoord is een beschermde kooi, waarin alleenstaande vrouwen zich veilig te pletter vervelen. Sinds de hel losbrak in 1992 heeft Nadjette collega's zien vermoorden voor haar ogen, moeders horen huilen om hun dode kinderen, geluisterd naar mensen die vertellen over de moordenaars die hen 's nachts overvielen en wier gezichten ze kenden. Haar familie, zoals zovele, werd geterroriseerd. Maar drie geconfisceerde auto's zijn een peulschil naast het onmetelijke leed van zovele anderen. Nadjette koopt boeken, maar tot lezen komt ze niet meer. Ook al zijn woorden haar vak. Ze kan zich niet meer concentreren op fictie. Ze moet met haar handen bezig zijn om het malen van haar geest de baas te blijven. In Algiers zit ze uren doelloos naar de zee te turen op het terras van haar kamer. Te dromen van een écht leven, waarin ze zou kunnen doen wat ze wil, zoals vroeger. Haar werk op de redactie en reportages zijn haar manier om te ontsnappen uit de kooi. Hoewel ze wéét dat het hier veilig is, draait ze 's avonds als we mijn appartement binnenkomen de sleutel in het slot en schuift ze de grendel dicht. Een automatisme.

Nadjette is opgelucht negen dagen te kunnen ademhalen, hier in België, waar ze samen met 14 collega's verblijft op uitnodiging van de organisatie Actions in the Meditteranean.

Zineb, Fawzia, Saliha, Sonia... Ze hebben allemaal verhalen. Over overleven. Over vechten. En ze willen dat die verhalen verteld worden. Naast de gruwel. Verhalen over de verbeten levenswil van Algerijnse vrouwen. Sonia gaat nooit meer 's avonds uit samen met haar man, uit angst dat haar kind alleen achterblijft. Op een dag in 1995 hing Algiers vol affiches waarop aangekondigd werd dat vrouwen die zonder hoofddoek buitenkwamen afgemaakt zouden worden... Sonia en duizenden andere vrouwen stonden 's ochtends voor de spiegel, dachten aan hun man en kinderen en gingen toch trots blootshoofds naar hun werk.

Nog steeds studeren aan de Algerijnse universiteiten meer vrouwen dan mannen af. Vrouwelijke journalisten zijn vaak de eersten die ter plekke zijn bij de zoveelste gruweldaad. En toch zijn zij het die het meeste gevaar lopen. ?In de eerste plaats als vrouw, daarna als journalist?, zoals Zineb zegt.

?Ondanks het feit dat de vrouwenorganisaties gedecimeerd zijn door het terrorisme, ondanks het feit dat ze geen stem hebben in de politieke partijen en dus ook niet in het parlement, ondanks het feit dat mannen ons opnieuw als een bedreiging zien, blijven de vrouwen vechten?, zegt Fawzia. Ze verdienen ons diepste respect en onze steun.

Tessa Vermeiren