Thuis loopt een poes rond. Wij zijn van haar. Regelmatig kijkt ze ons aan, vol spijt, dat ze een kat in een zak gekocht heeft. Wat heeft ze pech, dat haar mensen zo dom zijn en niets van haar complexe gevoelsleven begrijpen. Miauwend ritst ze langs mijn benen en die van de tafel. Ze wil daarmee vast iets vertellen, maar helemaal duidelijk wat, is het niet. Wat denkt ze dan ? Dat ik verbonden ben met alle meubels in de kamer, zodat ik het voel wanneer ze de zetel kopjes geeft, en spontaan weet wat haar intenties zijn ? Ze wil niet naar buiten, ze heeft genoeg brokjes, in aai-tjes heeft ze ook geen zin, noch in de kattenbak en ook haar...

Thuis loopt een poes rond. Wij zijn van haar. Regelmatig kijkt ze ons aan, vol spijt, dat ze een kat in een zak gekocht heeft. Wat heeft ze pech, dat haar mensen zo dom zijn en niets van haar complexe gevoelsleven begrijpen. Miauwend ritst ze langs mijn benen en die van de tafel. Ze wil daarmee vast iets vertellen, maar helemaal duidelijk wat, is het niet. Wat denkt ze dan ? Dat ik verbonden ben met alle meubels in de kamer, zodat ik het voel wanneer ze de zetel kopjes geeft, en spontaan weet wat haar intenties zijn ? Ze wil niet naar buiten, ze heeft genoeg brokjes, in aai-tjes heeft ze ook geen zin, noch in de kattenbak en ook haar drinkbakje is goed gevuld. Alle basisbehoeftes lijken vervuld, op internet na. Spelen misschien ? Nee. Mismoedig staren we elkaar aan. "Spreek toch woordjes", zucht ik wanhopig. "Miew", antwoordt ze. Blijkbaar ben ik zo'n mens geworden die met de kat converseert. Soms praat ik tegen de poes, maar merk ik dat het stiekem tegen mezelf is. Dan zeg ik dingen als "waarom doe je zo gek ?" en "wees maar niet bang". Ik begrijp haar niet, maar dankzij haar begrijp ik mezelf wel beter. Kom ik thuis na een lange dag, en ligt ze nog steeds op hetzelfde plekje te slapen, dan spreek ik haar vermanend toe : "Poes toch, wat doe jij eigenlijk met je leven ?" In haar groene ogen zie ik mezelf weerspiegeld. "Je hebt gelijk", geef ik dan toe. "Je kunt hetzelfde van mij zeggen." En dan begin ik al strelend te praten over mijn existentiële twijfels, terwijl ze zich spinnend de aandacht laat welgevallen. En tijdens die monologen ontwar ik mezelf weer meer. Het blijft een dier natuurlijk, alle projecties ten spijt. Natuurlijk beeld ik me alles maar in, wat ze zou denken. Ik mag er geen mens van maken. Maar het omgekeerde is wél een interessant experiment. Ik beschouw mijn harig huisgenootje als een goeroe waar ik veel van kan opsteken. Zo leerde ik al om net als zij zonlicht te volgen, zodat ik altijd in een warme gloed lig te soezen achter het glas, en tot in het diepst van mijn tenen ongegeneerd gaap. Je plek in de zon moet je zelf opzoeken. Ik keek van haar de kunst af om aandacht op te eisen door me als een sfinx te plaatsen tussen wie ik nodig heb, en het object dat op dat moment diens aandacht krijgt. Ooit ga ik leren om net als zij alleen het voedsel van mijn bord te eten waarin ik zin heb, en niet uit onnadenkendheid alles op te schrokken. Het is klinkklaar dat zij beter is in leven dan ik. Fier paradeert ze door het huis, zonder poespas, onverschrokken en eigengereid. Ze doet haar zin, maar is uiterst voorzichtig daarbij niemand voor het hoofd en niets van de schouw te stoten. Jaloers kan ik naar haar zitten kijken. Hoe gelukkig ze kan zijn met kleine dingen. Gisteren zat ze een half uur met een rood lintje te spelen. Verrukt keek ik naar hoe ze het draadje opjoeg, er haar klauwtjes insloeg en het door de kamer sleepte. Plots werd ik mismoedig. Kon ik ook maar zo lang van zoiets eenvoudigs genieten... Tot ik me realiseerde dat ik al kijkend even lang nét zo gelukkig was. Ze is vast fier op haar kleine mens. katrijn.van.bouwel@knack.be KATRIJN VAN BOUWELIk beschouw mijn harig huisgenootje als een goeroe waar ik veel van kan opsteken