De voedselindustrie beïnvloedt voedingsonderzoek. Dat is de uitkomst van verschillende studies. Samenwerking tussen industrie en wetenschap is niet in alle gevallen nadelig, maar is dat wel wanneer voedingsbedrijven wetenschappers louter financieren om te staven dat hun producten gezond, milieuvriendelijk of op een andere manier voordelig zijn. Onderzoeken draaien immers in negentig procent van de gevallen positief uit voor de opdrachtgever. Dat gebeurt steeds vaker, aldus de Nederlandse voedselwaakhond foodwatch. Daarom trekt de organisatie nu ten strijde tegen het gebruik van wetenschap als marketingtruc.
...

De voedselindustrie beïnvloedt voedingsonderzoek. Dat is de uitkomst van verschillende studies. Samenwerking tussen industrie en wetenschap is niet in alle gevallen nadelig, maar is dat wel wanneer voedingsbedrijven wetenschappers louter financieren om te staven dat hun producten gezond, milieuvriendelijk of op een andere manier voordelig zijn. Onderzoeken draaien immers in negentig procent van de gevallen positief uit voor de opdrachtgever. Dat gebeurt steeds vaker, aldus de Nederlandse voedselwaakhond foodwatch. Daarom trekt de organisatie nu ten strijde tegen het gebruik van wetenschap als marketingtruc. De praktijk is niet alleen nadelig voor consumenten die denken gezonde keuzes te maken, maar ook voor de wetenschap op zich en voor de bredere samenleving. Onderzoek dat gevoerd werd met privé middelen is niet altijd publiek beschikbaar en specialisten vrezen voor een verstoorde balans tussen verschillende maatschappelijke en economische agenda's en academische vrijheid. Om voedingsonderzoek eerlijker te maken, schuift foodwatch allerlei oplossingen naar voren, zoals de oprichting van een onafhankelijk onderzoeksfonds en een betere controle. Die en andere oplossingen bundelt de organisatie in een manifest, waarvan ze oproept het massaal te ondertekenen. Er zijn honderden studies te vinden waarbij stevige vraagtekens te plaatsen zijn. Wij bundelen hier enkele frappante voorbeelden uit de recente geschiedenis. In 2015 maakte The New York Times bekend dat Coca-Cola verschillende onderzoekers financierde om de invloed van suiker in frisdranken op de obesitasepidemie te minimaliseren, door vooral de impact van te weinig lichaamsbeweging bij de ontwikkeling ervan te benadrukken. In de navolging van de bekendmaking zag Coca-Cola zich gedwongen om bekend te maken welke gezondheidsinstellingen het bedrijf sponsorde en hoe hoog de budgetten waren. Bleek dat in Noord-Amerika alleen al een budget opzij was gezet van 118 miljoen dollar, voor een periode van vijf jaar. 21,8 miljoen dollar daarvan ging naar onderzoeksprojecten. Ook in Europa werd er overigens heel wat gesponsord en drong de frisdrankengigant door tot op de hoogste niveaus. Zo was er eind 2019 behoorlijk wat consternatie over de sponsoring van het EU-voorzitterschap door Coca-Cola. Chemiereus Monsanto heeft jarenlang de vruchten geplukt van zijn goudmijn in pesticidevorm genaamd Roundup. Toen de eerste onderzoeken begonnen aan te tonen dat glyfosaat, een belangrijke stof in de onkruidverdelger, potentieel kankerverwekkend zou zijn, ging het bedrijf dan ook in het verweer. Uit interne mails die uitlekten in 2017 blijkt dat Monsanto al sinds de jaren '90 inzet op 'productverdediging', zoals het binnen de bedrijfsmuren werd genoemd, hoewel experts zelf schreven niet zeker te kunnen zijn dat hun product veilig was. Uit de mails spreekt ook een duidelijke beïnvloeding van het wetenschappelijk onderzoek. 'Data, gegenereerd door academici, zijn altijd een grote zorg geweest in de verdediging van onze producten...', schrijft Monsanto-toxicoloog William Heydens bijvoorbeeld. De wetenschappers die ingehuurd worden, doen dat onder een geheimhoudingscontract. In de mails is er sprake van studies die geschreven werden door interne medewerkers en vervolgens verschenen onder de naam van andere wetenschappers, en van het herwerken van onderzoeken die negatief uitdraaien tot ze positief lijken. Verschillende studies die in die sfeer gecreëerd worden, halen het tot het rapport van de Europese voedselautoriteit EFSA, die moet beslissen over de veiligheid en toelating van producten. Ondanks heel wat wetenschappelijke twijfel, koos Europa er onlangs voor het gebruik van glyfosaat nog zeker toe te staan tot 2022. De vorige twee voorbeelden tonen een langdurige en grootschalige inmenging van de industrie, maar beïnvloeding van de wetenschap kan ook op kleinere schaal. Zo is er het voorbeeld van een onderzoek dat aantoonde dat druivensap een positieve werking heeft op cognitieve vaardigheden, en dat een regelmatige consumptie iemand bijvoorbeeld een betere chauffeur kon maken. Tien wetenschappers zetten elke dag 355 ml druivensap op het menu van enkele testpersonen en bekeken wat dat deed met hun cognitieve vaardigheden. Na twaalf weken stelden ze een 'significante verbetering van onder andere rijvaardigheid vast. Een fijne vaststelling voor de opdrachtgever van de studie, Welch Foods Inc, een producent van druivensap. Wat die producent er niet bijvertelt, is dat er stevige bedenkingen te maken zijn bij die conclusie. Zo dronken de proefpersonen elke dag maar liefst 355 milliliter druivensap. Dat is een immense hoeveelheid, die in het dagelijks leven amper te evenaren valt, en waarover gediscussieerd zou kunnen worden in tijden van overmatige suikerconsumptie. Bovendien schort er iets met het opzet van de proef op zich. Om iets te kunnen zeggen over de verbetering van rijcapaciteit, moet die ook objectief getest worden voor aanvang van het onderzoek. Het is niet ondenkbaar dat de eerste keer plaatsnemen in een rijsimulator wat onwennig kan aanvoelen en extra zenuwen - en dus fouten - met zich kan meebrengen. Na twaalf weken kruipen de vrouwen opnieuw achter het stuur van de simulator, en is het wederom niet ondenkbaar dat ze zelfzekerder zijn ten opzichte van de vorige keer en ze al een beter beeld hebben van wat gaat komen. Laat ons tenslotte eens kijken naar de deelnemers zelf. Naast enkele opmerkelijke uitsluitingscriteria (het onderzoek was enkel gericht op vrouwen tussen 40 en 50 jaar en wie meer dan drie stuks fruit per dag at, mocht niet meedoen), is er ook iets aan de hand met het aantal. 25 vrouwen stapten in het onderzoek. Dat is op zich al weinig, maar door uitval onderweg deden uiteindelijk slechts 16 proefpersonen mee aan de rijtest en bleef er zelfs maar van 11 deelnemers een volledige set data over. Een deel van dat kleine aantal kreeg een placebo, een ander deel het echte druivensap. Met andere woorden: op basis van de resultaten van een vijftal vrouwen, wordt besloten dat druivensap drinken je een betere chauffeur maakt. Bovenstaande voorbeelden scheppen misschien een beeld van op geld beluste wetenschappers die hun hand er niet voor omdraaien het niet zo nauw te nemen met onderzoekspraktijken, maar dat is niet helemaal juist. De beïnvloeding van voedingswetenschap verloopt vaak subtieler. Zo gebeurt het dat sommige perspectieven nu eenmaal meer belicht worden dan anderen, omdat ze op meer interesse uit de industrie kunnen rekenen en dus op meer fondsen. Een mooi voorbeeld daarvan is het debat rond alcohol. Zo wordt hier en daar beweerd dat alcohol gezond is, want elke dag een glaasje drinken zou helpen om hart- en vaatziekten tegen te gaan. Hoewel er inderdaad wetenschappelijk bewijs is dat dat laatste zou kloppen, wil dat nog niet zeggen dat alcohol gezond is. Zelfs aan een minimale consumptie ervan hangen immers meer nadelen dan voordelen. Zo is er onder meer een link aangetoond tussen de consumptie van alcohol en verschillende kankersoorten. Dat is echter geen boodschap die de industrie graag wil benadrukken. Geld voor onderzoek naar de link tussen alcohol en hart- en vaatziekten is er dan weer wel. De conclusies die daaruit getrokken worden zijn niet fout, maar ze zijn lang niet het hele verhaal. Meer onderzoeken over het effect van alcohol op de werking van het hart maakt alcohol nog niet gezond..