Dat nieuwsgierige museumbezoekers al een tijdje moeten wachten op de heropening van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA) is allesbehalve een understatement. Maar er is licht aan het einde van de tunnel. Het museum dat in 2011 de deuren sloot voor een volledige make-over, rondde net de tweede en voorlaatste fase van zijn renovatie af en maakt zich klaar voor de laatste rechte lijn richting de heropening.
...

Dat nieuwsgierige museumbezoekers al een tijdje moeten wachten op de heropening van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA) is allesbehalve een understatement. Maar er is licht aan het einde van de tunnel. Het museum dat in 2011 de deuren sloot voor een volledige make-over, rondde net de tweede en voorlaatste fase van zijn renovatie af en maakt zich klaar voor de laatste rechte lijn richting de heropening. 'We zijn heel trots op het resultaat', vertelt Dikkie Scipio van KAAN Architecten, die de plannen voor het nieuwe museum op zich nam. In 2003 won het Nederlandse architectenbureau de prijsvraag om het masterplan voor het KMSKA 2.0 te tekenen. 'Het is een prachtig negentiende-eeuws gebouw dat gedurende een lange tijd helemaal niet als dusdanig werd bezien', legt Scipio uit. 'In de twintigste eeuw vond men het museum veel te pompeus, te monumentaal. Het keek als het ware neer op de menselijke maat, waardoor het helemaal niet populair was.' 'In de loop der jaren was het daardoor een rommeltje geworden. Jan Jacob Winders en Frans Van Dijck, de oorspronkelijke architecten, hadden het gebouw zo opgevat dat je er een wandeling door kon maken als door een park, maar dan langs kunstwerken. Door allerlei ingrepen was dat bijna niet meer mogelijk. Bijna elke gang liep dood. Vanuit die gedachte was het natuurlijk prachtig om dat gebouw terug te kunnen brengen in zijn oude grandeur.'KAAN Architecten kreeg de opdracht om het museum te restaureren en uit te breiden zodat er meer expositieruimte beschikbaar zou zijn. Het prijskaartje is intussen opgelopen tot zo'n honderd miljoen euro. Wat werd er daar allemaal mee gedaan? Dikkie Scipio nam ons mee door de maagdelijk lege gangen van het vernieuwde KMSKA. De meest geanticipeerde museumopening van ons land in zes architecturale hoogtepunten. De geplande uitbreiding voor het museum wilde KAAN Architecten niet buiten de museummuren plaatsen, maar werd als een luciferdoosje in het hart van het negentiende-eeuwse gebouw geschoven. Als je iets nieuws maakt, moet je het ook anders durven aanpakken, meent architecte Dikkie Scipio. 'Ik wilde een concept dat even sterk was als het oude museum, maar dat niet met alle aandacht zou gaan lopen.' In tegenstelling tot de oude zalen, waar de oorspronkelijke architecten poogden de blik van de bezoeker op de muur gericht te houden door alles te framen tussen kroonlijsten en lambrisering, wilde Scipio het nieuwe museum helemaal dematerialiseren. Het resultaat is een hagelwitte ruimte die op sommige plaatsen tot wel tweeëntwintig meter hoog gaat. 'We wilden de nadruk leggen op de verticaliteit van de ruimte en werken met verschillende dimensies', legt Scipio uit. 'We hebben heel lang nagedacht over de invulling van het nieuwe museum. Als je kiest voor een kleur als rood, roze of groen kom je al snel uit bij de klassiekere museumzalen. Ga je voor grijs, zoals heel wat moderne musea, dan is dat vaak heel dominant en zwaar. Het gebouw werd oorspronkelijk getekend als een daglichtmuseum, en dat wilden we ook in het nieuwe deel vertalen. Zo kwamen we uiteindelijk uit bij deze witte ruimte waarbij we er alles aan hebben gedaan om er geen klassieke klassieke witte doos van te maken. Doordat de wanden en de vloeren in elkaar overgaan, krijg je een energieke ruimtebeleving.'Een van de opvallendste ingrepen in het nieuwe deel is een monumentale trap van maar liefst 103 treden die een verbinding vormt tussen de gloednieuwe zalen in het KMSKA. 'Eerlijk gezegd wilde ik altijd al zo'n trap maken', lacht Scipio. 'Ik wilde meerdere routes maken zodat het museum op verschillende manieren te doorlopen is. Ik vind het belangrijk dat je architectuur niet in een oogopslag helemaal doorhebt. Zo kan je elke keer iets nieuws ontdekken en blijft het veel langer interessant.' De Stairway to heaven, zo doopte aannemer ARTES de creatie, is een van de vele bijzondere trappen in het museum. 'Ook de coulissentrap aan de andere zijde en de secundaire trappenhuizen zorgen voor een leuke energie in het gebouw. Al hadden we een van de trappenhallen in een auberginekleur geschilderd die blijkbaar overeenstemt met een van de Antwerpse voetbalclubs', grinnikt de Nederlandse. 'Dat was even een probleem voor enkele van de werkmannen, die blijkbaar fan waren van het andere team. (lacht) ' Op de originele plannen voor het gebouw in 1890 tekenden Jan Jacob Winders en Frans Van Dijck vier patio's waardoor het daglicht vanuit de lichtkoepels op het dak tot in de binnenste ruimtes van het museum zou schijnen. In de jaren twintig werd besloten om deze historische binnenkoeren dicht te maken om meer tentoonstellingsruimte te creëren. Omdat KAAN Architecten dit wilde rechtzetten, creëerden ze vier lichtkokers. Die kokers staan op de oorspronkelijke plaats en ondersteunen als vier tafelpoten het zogenaamde 'tafelblad', de bijnaam voor de verdieping waarop de Stairway to heaven uitkomt. Vanop deze etage kan je doorheen de vier vides helemaal tot op het gelijkvloers kijken. Het is ook de moeite om tijdens je toekomstige museumbezoek hier even naar boven te kijken. De dakconstructie boven het tafelblad bevat 198 symmetrische lichtkoepels die het noorderlicht langs de witte muren en vloeren tot op het gelijkvloers weerkaatsen.De etage die zich tussen het tafelblad en het gelijkvloers bevindt is niet gewoon donkerblauw. In deze zalen die bedoeld zijn voor kwetsbare werken zoals schetsen en andere lichtgevoelige kunst, koos Scipio voor een nachtblauwe invulling. 'Dat is veel moeilijker om te schilderen dan zwart, maar je moet ergens je ambitie leggen', knipoogt de architecte. Vanuit deze black box krijg je eveneens een mooi zicht dankzij de vide die zich doorheen het midden van de eerste ruimte boort. Ook de kroonjuwelen van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten kregen een facelift. Het historische pleisterwerk en schrijnwerk werden opgeknapt, de parketvloeren opgeschuurd en de lambrisering in ere hersteld. 'Bijna alles wat je hier ziet, is nieuw', knikt Scipio. 'Verschillende ornamenten waren weggenomen doorheen de jaren. In de Rubenszaal hing er een soort grijze velours over de wanden, de plafonds waren wit geschilderd en de zitjes waren weg. Het was een heel andere zaal. Wij hebben het zo gerestaureerd dat er opnieuw een zekere rust hangt.' Binnenkort worden ook de sierlijsten van de zalen opnieuw voorzien van gouddecoratie, een manueel proces dat maar liefst tien maanden in beslag zal nemen.Aan de voorzijde van het gebouw vind je een gaanderij terug met borstbeelden van allerhande kunstenaars. De zogenaamde Loggia Pellarin werd vernoemd naar de gelijknamige Noord-Italiaanse broers die destijds de gaanderij en alle andere mozaïekvloeren in het museum voor hun rekening namen. Na 130 jaar blootstelling aan regen, zon, duiven en uitlaatgassen, was de passage dringend aan een opfrissing toe. Gino Tondat en Sarah Landtmeters van het Antwerpse mozaïekatelier Mosaico di Due restaureerden de gaanderij met hand gekliefde marmerblokjes en volgens historische technieken. Omdat de vloer bovenaan de trappen aan de ingang van het museum niet te redden was, werkt het duo intussen naarstig verder aan een nieuwe mozaïekvloer van 480.000 steentjes naar een ontwerp van de Luikse kunstenares Marie Zolamian. Het is meteen ook het grootste Europese kunstmozaïek van de voorbije twintig jaar.