De tragedie van Rana Plaza is zeker niet de enige ramp van de voorbije jaren in de textielsector, maar wel een die de problemen in de kledingindustrie wereldwijd op de kaart zette. Het werd heel erg duidelijk dat fast fashion ketens, maar ook duurdere modemerken, hun kleding produceren in ontwikkelingslanden onder zeer erbarmelijke omstandigheden.
...

De tragedie van Rana Plaza is zeker niet de enige ramp van de voorbije jaren in de textielsector, maar wel een die de problemen in de kledingindustrie wereldwijd op de kaart zette. Het werd heel erg duidelijk dat fast fashion ketens, maar ook duurdere modemerken, hun kleding produceren in ontwikkelingslanden onder zeer erbarmelijke omstandigheden. Ieder jaar herdenkt de organisatie Fashion Revolution de instorting met verschillende acties en sociale mediacampagnes. Het doel? Samen timmeren aan een transparante, eerlijke en ecologische mode-industrie.Wij gingen ten rade bij Sara Ceustermans van de Schone Kleren Campagne om te achterhalen of er sindsdien vooruitgang is geboekt. Sara Ceustermans: Die is heel sterk verbeterd. Kort na de ramp van Rana Plaza werd het Akkoord voor Brand- en Gebouwveiligheid in Bangladesh opgesteld, een initiatief om de veiligheid in kledingfabrieken te verbeteren. Een tweehonderdtal modemerken en -ketens ondertekende het Akkoord, waarin werd afgesproken dat er in 1600 Bengaalse fabrieken strenge veiligheidsinspecties zouden worden georganiseerd. Na die inspecties volgden rapporten en renovaties om de veiligheid te verhogen. Die renovaties bleken echt broodnodig en in sommige gevallen hadden de renovatiewerken heel wat voeten in de aarde, maar we kunnen stellen dat de huidige situatie veel veiliger is dan zeven jaar geleden. Het positieve aan het Akkoord was dat het juridisch bindend was en bedrijven die het ondertekenden voor de rechtbank konden worden gedaagd als ze de afspraken niet nakwamen. Dat is in enkele gevallen ook gebeurd. Vorig jaar is helaas beslist dat het Akkoord zou ontbonden worden en dat het wordt overgenomen door een ander orgaan. De regering van Bangladesh was hier vragende partij voor. Het Bangladesh Akkoord was baanbrekend en heeft voor veel vooruitgang gezorgd. Het is dus heel jammer dat het niet verdergezet zal worden. Het verleden heeft uitgewezen dat een vrijblijvende aanpak niet werkt, omdat de kledingarbeiders dan overgeleverd zijn aan de goede wil van modebedrijven. Het is momenteel nog onduidelijk hoe dit in z'n werk zal gaan en de onderhandelingen zijn door de huidige crisis opgeschort. Het is heel belangrijk dat er opnieuw een akkoord komt dat de afspraken afdwingbaar maakt en dat de modemerken ter verantwoording kunnen geroepen worden als ze de afspraken niet naleven. Helaas valt er op dat gebied nog veel vooruitgang te boeken. De meeste kledingarbeiders verdienen het wettelijke minimumloon en kloppen overuren om bij te verdienen. Het probleem is dat het minimumloon structureel te laag is en dus niet in de buurt komt van een leefbaar loon.De kloof tussen het minimumloon en het leefbaar loon is in sommige productielanden kleiner dan in andere. Zo is het minimumloon in Cambodia en China de voorbije jaren wel gestegen, maar wil dat nog niet zeggen dat de arbeiders nu genoeg verdienen om een waardig leven te leiden. In Bangladesh spreken we van een verhouding van één op vijf: het wettelijke minimumloon is er dus vijf keer te weinig om rond te komen, hun gezin te eten te geven en de kinderen naar school te sturen. In 2018 werd het wettelijke minimumloon in Bangladesh verhoogd van ongeveer 53 naar 90 euro per maand. Dat lijkt een mooie stijging, maar dat is het eigenlijk helemaal niet. Belangrijk om te weten is dat de lonen in Bangladesh slechts om de vijf jaar worden herzien. Dat is veel te weinig, want het is een land met een hoge inflatie. Het leven wordt er constant duurder, maar de lonen stijgen niet mee. Er zijn toen, geheel terecht, protesten uitgebroken. Helaas werden heel wat actievoerders hardhandig aangepakt: sommigen werden ontslagen van hun job of in de gevangenis gegooid. Daarnaast schieten de productiedoelstellingen bij het verhogen van het minimumloon ook de hoogte in. Bengaalse kledingarbeiders moeten dertig procent méér produceren dan voor de stijging van de lonen. De werkdruk is dus immens. We moeten altijd kritisch blijven wanneer er een loonsverhoging wordt aangekondigd, want dit kan als gevolg hebben dat de arbeiders nog harder moeten werken terwijl ze nog steeds geen leefbaar loon krijgen. De kledingmerken moeten hun verantwoordelijkheid dragen. Zolang zij te weinig betalen aan de leveranciers, gaan de arbeiders geen menswaardig loon krijgen. Door de prijzenslag wordt de druk op de arbeiders steeds opgevoerd.Een belangrijke kanttekening is dat Europese productielanden niet automatisch wél ethisch te werk gaan. Ook in landen zoals Bulgarije en Roemenië ligt het minimumloon veel te laag. Onderzoek heeft uitgewezen dat de arbeiders in Roemenië naast hun werk in de kledingfabrieken thuis nog een veld moeten bewerken zodat ze groenten kunnen verkopen als bijverdienste. Doen ze dat niet, verdienen ze niet genoeg om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien.Het is rampzalig. Er zijn fabrieken die rapporteren dat tot vijftig procent van hun bestellingen geannuleerd worden. Dat gaat in tegen het contract, maar modemerken kunnen zich dat permitteren omdat zij de touwtjes in handen hebben. Wanneer merken bestellingen annuleren of niet betalen, kunnen de fabriekseigenaars daar bitter weinig tegen doen. Ze hebben de middelen niet om te procederen. De leveranciers hebben de kosten al gemaakt. De stoffen werden aangekocht, de arbeiders gingen aan de slag en de kleding werd verscheept. Als de merken niet betalen, worden de kledingarbeiders niet betaald of zelfs op straat gezet. Dat is dramatisch, want in lageloonlanden betekent geen inkomen ook geen eten.De machtsverhoudingen zijn volledig scheefgegroeid en dat wordt tijdens crisissen altijd extra duidelijk. Net zoals je in de nasleep van de ramp van Rana Plaza goed kon zien wat er mis was met het modesysteem, legt ook de coronacrisis de pijnpunten bloot. Het is maar te hopen dat er nu eindelijk wordt ingezien dat de prijszetting anders moet en dat modemerken mee verantwoordelijk zijn voor het welzijn van de kledingarbeiders. In goede tijden gaat het grootste deel van de winst naar de merken. Niet naar de fabrieksbazen en al zeker niet naar de kledingarbeiders. In slechte tijden zijn het net wel die mensen die de klappen opvangen. Dit toont de enorme kwetsbaarheid van de mensen aan het begin van de keten aan. Wij in het Westen kunnen in deze crisisperiode terugvallen op systemen zoals technische werkloosheid en ziekteverlof. In de productielanden kennen ze dit niet. Als een modebedrijf kiest om in een land te produceren zonder sociale zekerheid en met extreem lage lonen is het ook hun verantwoordelijkheid om die mensen te beschermen. Je kunt niet enkel de vruchten plukken, en vervolgens weglopen van je verantwoordelijkheid. Wij roepen dan ook op om de bestellingen die al geplaatst zijn zo snel mogelijk te betalen en samen met de lokale overheden en fabrieksbazen te bekijken hoe een inkomen voor de arbeiders gegarandeerd kan worden. Doe je dat als bedrijf niet, is het alsof je op restaurant eten bestelt, maar weigert te betalen wanneer het voor je neus staat. Er zijn intussen gelukkig al heel wat merken die hun bestellingen betaald hebben of beloofd hebben dat te doen. Je kunt via de brand tracker van Worker Rights Consortium zien welke merken beloftes hebben gedaan en wie er muisstil blijft. Wij pleiten voor een noodfonds, waar merken aan kunnen bijdragen. Sommige bedrijven richten een eigen fonds op, maar daar zijn we minder fan van. In tegenstelling tot het officiële noodfonds is een eigen potje aanleggen veel minder transparant of afdwingbaar. We weten niet wat ze met dit geld doen en of het wel goed terechtkomt. Zo'n eigen fonds is vooral goede reclame voor een merk. De voorbije jaren zijn merken veel transparanter gaan communiceren over hun toeleveringsketen. Dat is zeker positief, maar we moeten onthouden dat ketentransparantie een middel is en geen doel. Het is niet omdat je de lijst van leveranciers publiek maakt, dat alles oké is. Openlijk communiceren over je leveranciers geeft organisaties wel de mogelijkheid tot onafhankelijke controles. Het is hoe dan ook heel belangrijk om te weten wie onze kleding maakt. Bij de Schone Kleren Campagne ijveren we ook voor transparantie over de lonen van de kledingarbeiders. Merken vermelden vaak een beleid hierrond, maar hebben ze hun streefdoelen eigenlijk al bereikt? Graag zouden we ook wat meer rapportering zien over wat er beter kan. Ook dat hoort bij eerlijke, transparante communicatie. Verschillende lidstaten van de EU hebben op nationaal niveau stappen in de goede richting gezet. Zo is er in Nederland een wet tegen kinderarbeid en heeft Frankrijk een wet rond respect voor ecologische rechten en mensenrechten door bedrijven, met een aansprakelijkheidsmechanisme. Ook in landen zoals Finland, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk en Noorwegen beweegt er wat. België loopt wat achter op dat vlak. Het is heel positief dat verschillende EU-landen actie ondernemen, want dat zorgt ervoor dat de Europese Unie uiteindelijk ontvankelijk zal zijn voor een overkoepelend initiatief. Er zijn bovendien ook modebedrijven die zelf vragende partij zijn voor wetten rond ketenverantwoordelijkheid. Zij zien het immers als oneerlijke concurrentie en zouden liever een gelijk speelveld zien, met een minimumwetgeving voor alle bedrijven. Helaas strooit het coronavirus roet in het eten. Veel landen zullen zichzelf immers willen beschermen en steunmaatregelen uitschrijven voor lokale bedrijven. Wij hopen dat die maatregelen gekoppeld zullen worden aan beloftes rond engagement voor mensenrechten. De regeringen van de westerse modebedrijven hebben de middelen om steunmaatregelen toe te kennen aan modebedrijven, maar de landen waar de fabrieken zich bevinden niet. Het zou dus kunnen dat de machtsverhoudingen nog schever groeien. Laat ons hopen dat deze tijd zorgt voor meer zelfreflectie en een eerlijkere verdeling van de winsten die gegenereerd wordt in de sector.