Startpunt: Lagos

Lagos is een van de grotere steden langs de zuidkust en vormt een uitstekende uitvalsbasis om een van de trekpleisters van het land te ontdekken: de met gouden rotsen omzoomde kustlijn die terecht op zowat elk postkaartje te zien is. Wie goed wil eten en - in niet corona-tijden - dansen is hier op het juiste adres. De stad zelf is niet bijster groot, een dag is ruimschoots voldoende voor een eerste indruk.
...

Lagos is een van de grotere steden langs de zuidkust en vormt een uitstekende uitvalsbasis om een van de trekpleisters van het land te ontdekken: de met gouden rotsen omzoomde kustlijn die terecht op zowat elk postkaartje te zien is. Wie goed wil eten en - in niet corona-tijden - dansen is hier op het juiste adres. De stad zelf is niet bijster groot, een dag is ruimschoots voldoende voor een eerste indruk. Op een half uurtje tijd sta je vanuit Lagos in Albufeira, een van de toeristische trekpleisters van het land. De weg erheen is bochtig en smal en parkeerplaats vinden na 10 uur 's ochtends kan een uitdaging zijn. Het strand zelf is best klein en ongezellig druk. Toch loont het de moeite om er te stoppen. Het vormt namelijk het vertrekpunt voor een bootreis langs de sprookjesachtige kust. Die bootreis kan je doen op eigen kracht in een kano, al suppend of via een gemotoriseerde 'toeristenboot'. Door de verzengende hitte opteer ik zelf voor het boottochtje, onder stil protest van mijn innerlijke avonturier. Ik troost me met de gedachte dat de boot alleszins de meest efficiënte manier is om de volledige kustlijn te overschouwen. Praktisch: aan het strand zijn twee touroperators die aan ongeveer dezelfde prijs dezelfde service aanbieden. Ik ging uiteindelijk in zee met Taruga Tours. Opgelet: check vooraf online zeker de vertrekschema's van de bootjes of reserveer al een plekje, anders riskeer je lang te moeten wachten.Het motorbootje vaart tot diep in de gouden grotten, terwijl de gids uitleg geeft over het ontstaan en de vorm van de openingen die bovenaan ontstaan zijn. Erg toeristisch, maar ook gewoon interessant en bijzonder mooi. En zeg nu zelf: ontspannen achterover leunen met de wind in je haren, de deinende golven onder je en de prachtige kustlijn voor je kan je onmogelijk een straf noemen, zelfs niet als je medepassagier een nerveuze chihuahua op de boot heeft meegesmokkeld. Onderweg stop je onder meer in de Benagil-grot. Daar twijfel ik even over wat het spectaculairste is: de grot op zich, of mijn collega-toeristen die elkaar verdringen om precies dezelfde foto te kunnen maken als souvenir. Om de onsportieve voormiddag te compenseren, besluit ik om de kustlijn in de namiddag te voet verkennen. Aan Praia Vale Centianes vertrekt een wandeling van ongeveer negen kilometer die je langs de meest hallucinante vergezichten en afgelegen strandjes leidt. En hoewel ik intens geniet van de verrassende rotsformaties, verloopt de tocht niet zonder slag of stoot. De zon brandt vervaarlijk, het pad stijgt en daalt dat het een lieve lust is en de weg staat niet altijd even duidelijk aangeduid, waardoor je geen flauw idee hebt of je nota bene een beetje opschiet. Mijn versnelde ademhaling zegt dat er een inspanning geleverd wordt, maar oriënteren is in hier niet altijd makkelijk. Onderweg kom je bijzonder weinig cafés of andere plekken om te verpozen tegen: water, zonnecrème en snacks zijn geen overbodige luxe in je rugzak. Wie zowel heen als terug wil wandelen, begint er best op tijd aan. 'Op tijd' betekent hier niet rond half 2 in de namiddag, want dan besef je halverwege dat de zon al in de zee begint te zakken. En 's nachts is zo'n smal, afgelegen en pikkedonker rotspad een pak minder charmant. Een hapje eten om te bekomen van de inspanning kan nadien in de fameuze restaurantboulevard van Albufeira, die zijn naam 'The Strip' niet gestolen heeft. Veel verbeelding is er niet nodig om je in Las Vegas te wanen, al voelt deze plek net iets gemoedelijker. Ook Sagres ligt op een half uurtje rijden van Lagos, al doe je er in de praktijk een pak langer over omdat je onderweg tal van spectaculaire uitkijkpunten tegenkomt die je absoluut niet wil missen. Sagres zelf is een zeer gezellig surfdorpje waar je uitstekend kan eten en relaxen. Surfen kan op één van de vier stranden, die een pak minder druk zijn dan elders in de regio. De reden waarom veel mensen naar hier komen is de prachtige vuurtoren, Fortaleza de Sagres, die op het meest westelijke punt van Europa ligt en tot de mooiste van het land behoort. In mijn reisgids lees ik dat de zonsondergang er zonder meer spectaculair is. Dat klopt, maar helaas blijken zo'n 200 andere collega-toeristen hetzelfde gelezen te hebben. De idylle wordt bijgevolg een beetje overschaduwd door de drukte. Al trek ik natuurlijk net zoals alle anderen foto's waarop dat amper te zien is. Wie anderhalf uur via de kust naar het noorden rijdt, botst op Vila Nova de Milfontes. Het dorpje is een zakdoek groot en vormt een heerlijke oase aan rust. Er zijn hier beduidend minder toeristen, maar dat is niet helemaal terecht: liefhebbers van de betere wandeling zijn hier dagenlang zoet. Het landschap is er iets ruiger, maar zeker niet minder spectaculair dan in het populaire zuiden. Zelf waag ik me aan een lus van een dertiental kilometer. De route loopt achtereenvolgens door het bos, de duinen, via het strand en langs rotsen: aan afwisseling is er absoluut geen gebrek. Dat geldt helaas niet voor de aanwezige wegwijzers. Ik raak regelmatig de weg kwijt, maar verlies gelukkig op geen enkel moment de moed. Praktisch: Het tourist office in Vila Nova de Milfontes heeft verschillende wandelkaarten voor elk niveau. Wie niet goed weet waar te beginnen, stapt daar best eens binnen. Na enkele dagen zon, zee en strand is het tijd voor wat anders. Ik trek zo'n twee uur landinwaarts, richting Monsaraz, een dorpje aan het Alqueva-stuwmeer. Ook hier hoef je je niet te verwachten aan een grote toeristenstroom. Deels is dat begrijpelijk. De kleine strandjes naast het meer verbleken bij de stranden in het zuiden en het eten in de zeldzame restaurants ernaast is niet meteen van sterrenkwaliteit. Toch zijn er wel degelijk redenen om naar hier te komen. De regio is door Unesco uitgeroepen tot Startlight Tourism Destination. Bijna nergens in Europa ontvouwt de sterrenhemel zich zo kristalhelder. Dat is ook te danken aan de inspanningen van de plaatselijke overheden: de dorpjes rond het meer doven 's avonds de lichten zodat je optimaal kan genieten van het spectaculaire uitzicht. Als je meer wil weten over wat er in de hemel te zien is, of al dat natuurschoon van dichtbij wil observeren, dan boek je best een rondleiding in het observatorium, Dark Sky Alqueva.Monsaraz zelf is een zucht groot. En dat mag je letterlijk nemen: op vijftien minuten stap je het charmante dorpje volledig rond. Er zijn een paar leuke souvernirshops, ik drink er geweldige wijn en geniet van het mooie uitzicht over het meer, de kurkbomen en de witte huisjes, maar na een uur of twee hou ik het voor bekeken.Praktisch: de rondleidingen in het observatorium zijn zeker in de zomermaanden razend populair. Vooraf reserveren is aangewezen. Vergeet ook niet te reserveren voor de Engelstalige rondleiding, want dezelfde tour wordt ook in het Portugees gegeven.Vanuit Monsaraz sta je op een klein uurtje in Evora, de hoofdstad van Alentejo. Onderweg stop ik bij een paar obelisken. Die worden aangeprezen op het internet en zijn ook netjes aangegeven met bordjes langs de weg, al is niet elke obelisken-plek per se spectaculair. Selectief zijn is hier de boodschap, of je vooraf kritisch afvragen of je je kostbare tijd in dit prachtige land echt al kijkend naar uit de kluiten gewassen stenen wil spenderen. De reisgids prijst Evora aan als een plek waar je met gemak zo'n drietal dagen bezig blijft. Dat blijkt niet helemaal te kloppen. Na ongeveer een middagje doorstappen kan ik de voornaamste bezienswaardigheden van m'n lijstje vinken. Het hoogtepunt is - letterlijk en figuurlijk - de kathedraal van Sé, die op de Unesco werelderfgoed lijst staat en een erg atypische architectuur heeft door de uitgesproken torens op het dak. Wie écht van deze stad wil proeven, kan bijna niet anders dan ook een wijntoer te boeken in een van de vele wijnhuizen waar de regio om bekendstaat. Op mijn terugweg richting het zuiden stop ik in Mértola, nog zo'n onontdekte parel die terecht beschouwd wordt als een openluchtmuseum. Ook deze plek bestaat uit slechts een handvol straten en evenveel goede restaurantjes, maar laat je daardoor zeker niet tegenhouden. Het is idyllische gelegen aan de rand van de Guardiana-rivier en je kan in de regio prachtig wandelen, kanovaren en roadtrippen. De wegen kronkelen door kurkbomen, natuurgebieden en verrassende plekken. Zo stop ik voor een korte ontdekkingstocht door Alcaçova, een ruïnedorp dat zelfs bij 35 graden mijn verbeelding aan het werk zet. Of hoe een voetnoot in de reisgids het hoogtepunt van je dag kan zijn. Tijdens mijn laatste dagen zet ik opnieuw koers richting het zuiden. Op een tweetal uur van Mértola ligt Tavira, een middelgrote kuststad die iets frisser en hipper aanvoelt dan Albufeira. Je kan er overheerlijk eten en de terrasjes in de zon nodigen uit tot overmatige wijnconsumptie. De roze zoutvlaktes zijn zonder meer de bizarste bezienswaardigheid in de buurt, al loont het op een mooie dag ook de moeite om de overzetboot te nemen naar de nabijgelegen eilandjes om een laatste keer te genieten van dat zon-zee-strandgevoel. Een ideale afsluiter van deze spectaculaire roadtrip.