Onderzoek van het genoom van 273 paarden uit verschillende tijdperken en regio's heeft uitgewezen dat paarden voor het eerst gedomesticeerd zijn geweest omstreeks 2000 voor Christus op de Euraziatische steppes in de Volga-Don regio, ten noorden van de Kaukasus. Het onderzoek, door een internationaal team van wetenschappers onder leiding van Ludovic Orlando van het Centre d'Anthropobiologie et de Génomique de Toulouse (Université Paul Sabatier), verschijnt woensdag in het wetenschappelijk tijdschrift Nature. Een belangrijk fossiel bij de studie is een botfragment uit het been van een paard dat in de Belgische grot van Goyet werd gevonden en dat gedateerd is rond 36.000 jaar geleden.

'Er zijn opvallende genetische verschillen tussen gedomesticeerde en wilde paarden', zegt paleontologe Mietje Germonpré van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) in Brussel en co-auteur van de studie. 'Er is een gen gevonden bij het gedomesticeerde paard dat zorgt voor een steviger ruggengraat. Verder werden de gedomesticeerde paarden blijkbaar geselecteerd op hun dociliteit: ze zijn minder nerveus dan hun wilde soortgenoten die tijdens de ijstijden zowat overal in Eurazië rondliepen. Waarschijnlijk werden de eerste gedomesticeerde paarden toen ook al gebruikt om ze te berijden.'

De eigenlijke domesticatie begon omstreeks 5000 jaar geleden door steppenvolkeren, die tot die tijd als jager-verzamelaars over de grote vlakten ten westen van de Oeral zwierven. De genetische data bevestigen eerder archeologisch onderzoek, waaruit bleek dat de mens rond die tijd ook begon met het melken van paarden. Een millennium later begon ook de verspreiding over de rest van het Euraziatisch continent. Naar het oosten toe was dat een kwestie van vooral grote en kleinere migratiebewegingen. De paarden zorgden ervoor dat er dagelijks grotere afstanden konden worden afgelegd.

Statussymbool

De verspreiding van de paarden als huisdier naar de steppes van Azië was volgens het onderzoek een kwestie van enkele eeuwen. De verspreiding van gedomesticeerde paarden naar het westen was niet migratiegebonden, gebeurde later en was vooral gerelateerd met de handel. Ondanks de instroom van Indo-Europese volkeren in Europa rond de tijd van de domesticatie zijn gedomesticeerde paarden dan nog niet in onze streken ingevoerd. Toen paarden ten slotte ook in toenmalig West-Europa ingeburgerd raakten, waren ze vooral een belangrijk statussymbool, getuige daarvan de vele koningsgraven waar soms hele paardenspannen in opgegraven zijn.

'Het staal van het wilde paard uit de grot van Goyet, in de buurt van Namen, dat bij ons uit het KBIN werd meegenomen, was belangrijk voor het onderzoek', zegt Germonpré. 'Het DNA van de fauna en van de menselijke resten in die grot zijn heel goed bewaard. Het DNA van het Goyet-staal was een onmisbare en erg betrouwbare referentie voor het DNA van de wilde paarden en noodzakelijk om de studie tot een goed einde te brengen.'

De fossiele paardenresten in Goyet waren als jachtbuit in de grot naar binnengehaald. Sommige van de paardenbeenderen waren opengebroken om er het merg uit te halen. De botten dateren uit het midden van de laatste ijstijd en zijn gevonden in associatie met resten van de vroege Europese moderne mens.

Paarden op het Amerikaanse continent maakten geen deel uit van de studie. 'Wilde paarden waren er al uitgestorven toen de ijstijd voorbij was', aldus Germonpré. De Europese Tarpan-paarden, die zelf al eens quasi uitgestorven zijn geweest, maar die eerder toevallig zijn blijven voortbestaan omdat Oost-Europese boeren ze als fokmateriaal gebruikten, zijn zonder uitzondering hybride paarden, waar weliswaar nog flink wat DNA van hun wilde voorgangers in terug te vinden is, maar die al gekruist waren met gedomesticeerde paarden en die naderhand weer verwilderd zijn.

Waarschijnlijk is de domesticatie van de wilde paarden ook hun redding geweest. De meeste grote steppendieren als mammoeten en reuzenherten uit de Euraziatische ijstijden zijn immers uitgestorven, deels door de jacht, deels door de klimaatverandering als gevolg van de opwarming van de aarde na de ijstijden.

Onderzoek van het genoom van 273 paarden uit verschillende tijdperken en regio's heeft uitgewezen dat paarden voor het eerst gedomesticeerd zijn geweest omstreeks 2000 voor Christus op de Euraziatische steppes in de Volga-Don regio, ten noorden van de Kaukasus. Het onderzoek, door een internationaal team van wetenschappers onder leiding van Ludovic Orlando van het Centre d'Anthropobiologie et de Génomique de Toulouse (Université Paul Sabatier), verschijnt woensdag in het wetenschappelijk tijdschrift Nature. Een belangrijk fossiel bij de studie is een botfragment uit het been van een paard dat in de Belgische grot van Goyet werd gevonden en dat gedateerd is rond 36.000 jaar geleden.'Er zijn opvallende genetische verschillen tussen gedomesticeerde en wilde paarden', zegt paleontologe Mietje Germonpré van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) in Brussel en co-auteur van de studie. 'Er is een gen gevonden bij het gedomesticeerde paard dat zorgt voor een steviger ruggengraat. Verder werden de gedomesticeerde paarden blijkbaar geselecteerd op hun dociliteit: ze zijn minder nerveus dan hun wilde soortgenoten die tijdens de ijstijden zowat overal in Eurazië rondliepen. Waarschijnlijk werden de eerste gedomesticeerde paarden toen ook al gebruikt om ze te berijden.' De eigenlijke domesticatie begon omstreeks 5000 jaar geleden door steppenvolkeren, die tot die tijd als jager-verzamelaars over de grote vlakten ten westen van de Oeral zwierven. De genetische data bevestigen eerder archeologisch onderzoek, waaruit bleek dat de mens rond die tijd ook begon met het melken van paarden. Een millennium later begon ook de verspreiding over de rest van het Euraziatisch continent. Naar het oosten toe was dat een kwestie van vooral grote en kleinere migratiebewegingen. De paarden zorgden ervoor dat er dagelijks grotere afstanden konden worden afgelegd. De verspreiding van de paarden als huisdier naar de steppes van Azië was volgens het onderzoek een kwestie van enkele eeuwen. De verspreiding van gedomesticeerde paarden naar het westen was niet migratiegebonden, gebeurde later en was vooral gerelateerd met de handel. Ondanks de instroom van Indo-Europese volkeren in Europa rond de tijd van de domesticatie zijn gedomesticeerde paarden dan nog niet in onze streken ingevoerd. Toen paarden ten slotte ook in toenmalig West-Europa ingeburgerd raakten, waren ze vooral een belangrijk statussymbool, getuige daarvan de vele koningsgraven waar soms hele paardenspannen in opgegraven zijn. 'Het staal van het wilde paard uit de grot van Goyet, in de buurt van Namen, dat bij ons uit het KBIN werd meegenomen, was belangrijk voor het onderzoek', zegt Germonpré. 'Het DNA van de fauna en van de menselijke resten in die grot zijn heel goed bewaard. Het DNA van het Goyet-staal was een onmisbare en erg betrouwbare referentie voor het DNA van de wilde paarden en noodzakelijk om de studie tot een goed einde te brengen.' De fossiele paardenresten in Goyet waren als jachtbuit in de grot naar binnengehaald. Sommige van de paardenbeenderen waren opengebroken om er het merg uit te halen. De botten dateren uit het midden van de laatste ijstijd en zijn gevonden in associatie met resten van de vroege Europese moderne mens. Paarden op het Amerikaanse continent maakten geen deel uit van de studie. 'Wilde paarden waren er al uitgestorven toen de ijstijd voorbij was', aldus Germonpré. De Europese Tarpan-paarden, die zelf al eens quasi uitgestorven zijn geweest, maar die eerder toevallig zijn blijven voortbestaan omdat Oost-Europese boeren ze als fokmateriaal gebruikten, zijn zonder uitzondering hybride paarden, waar weliswaar nog flink wat DNA van hun wilde voorgangers in terug te vinden is, maar die al gekruist waren met gedomesticeerde paarden en die naderhand weer verwilderd zijn. Waarschijnlijk is de domesticatie van de wilde paarden ook hun redding geweest. De meeste grote steppendieren als mammoeten en reuzenherten uit de Euraziatische ijstijden zijn immers uitgestorven, deels door de jacht, deels door de klimaatverandering als gevolg van de opwarming van de aarde na de ijstijden.