Erg druk is het voorlopig niet in die bakermat van de beschaving. Dat is mijn conclusie na een tiendaagse rondreis in de hoogste regionen van het land. Aan troeven nochtans geen gebrek. Met het imponerende Simien-gebergte, een indrukwekkende lijst met UNESCO-erfgoed en een wildgroei aan kerken fietst het land de concurrentie vlotjes voorbij. Een overzicht van de hoogtepunten in het hoge noorden. Wie er snel bij is, kan daar nog in z'n eentje van genieten.
...

Erg druk is het voorlopig niet in die bakermat van de beschaving. Dat is mijn conclusie na een tiendaagse rondreis in de hoogste regionen van het land. Aan troeven nochtans geen gebrek. Met het imponerende Simien-gebergte, een indrukwekkende lijst met UNESCO-erfgoed en een wildgroei aan kerken fietst het land de concurrentie vlotjes voorbij. Een overzicht van de hoogtepunten in het hoge noorden. Wie er snel bij is, kan daar nog in z'n eentje van genieten. Mijn eerste stop is Lake Tana bij Bahir Dar. Het grijsblauwe meer is gelegen op een hoogte van 1.788 meter en kaapt daarmee de status weg van hoogste waterplas in Afrika. In totaal beslaat het wateroppervlak zo'n 3.000 vierkante kilometer, wat ongeveer een tiende van België is. Toch zijn het niet de cijfers, wel de ongelooflijke stilte de me hier bijblijft. 'Jullie komen uit België? Welkom aan boord!', aan het woord is onze eerste gids, die ons begeleidt tijdens een dagtrip naar de kloosters op de wat verder gelegen schiereilanden. In hoofdberoep is hij vogelspotter en kloosterexpert, na de uurtjes is hij zoals veel Ethiopiërs een fervent voetbalfan. 'Jullie zijn niet de eerste Belgen in mijn boot. Een tijdje geleden mocht ik de familie van Kevin De Bruyne rondleiden', vertelt hij met pretlichtjes in de ogen. Wanneer ik rond me kijk, snap ik maar al te goed waarom Kevin en co naar hier zijn afgezakt. Aan deze horizon zie ik geen gebouwen, enkel een uitgestrekte blauwe vlakte die naadloos overgaat in de lichtblauwe lucht. Af en toe passeert er een pelikaan of een visser in een papyrusboot, maar eigenlijk gebeurt er volstrekt niets. In onze motorboot is geen stadslawaai, geen wifi en geen afleiding. Ik ben opgesloten in het hier en nu. Die dag zet ik voet aan wal op twee eilanden in postzegelformaat, elk voorzien van een kerk. Praktische overwegingen, zoals transportmogelijkheden of voedselbedeling, spelen blijkbaar geen rol bij het uitkiezen van een plek om zo'n kerk neer te poten. Qua architectuur lijken de kerken in niets op de Westerse variant. Het zijn vrij kleine, ronde gebouwen waarvan de muren van boven tot onder beschilderd zijn met kleurrijke Bijbelse taferelen. Dat is ook de reden waarom licht binnenin zoveel mogelijk geweerd wordt: het tast de soms 500 jaar oude schilderijen aan. Op een half uurtje rijden van Lake Tana liggen de Blue Nile Falls, veruit de bekendste watervallen van het land. Het spektakelgehalte ervan varieert sterk naargelang het seizoen en de hoeveelheid neerslag. Mijn bezoek (in december) valt in principe in het droogseizoen, maar door de regen van de afgelopen nacht heb ik geluk. Wat ik te zien krijg, is minstens even indrukwekkend als de bekende Niagara Falls in de V.S. Om er te geraken moet je een half uurtje over een onhandig rotspad klauteren, maar eigenlijk is dat geen straf. Het landschap is zo schilderachtig mooi dat ik het plakkerige zweet op mijn voorhoofd vanzelf vergeet. Vanuit Bahir Dar vlieg ik naar Gondar, de grootste stad in de buurt van het Simien-gebergte. Gondar is misschien minder modern dan de huidige hoofdstad Addis Abeba, qua sfeer is ze een pak gemoedelijker. 'Welkom in de Camelot van Africa', glimlacht gids Time me toe bij aankomst aan Fasil Ghebbi, een kasteel uit de 17de eeuw dat intussen een plek veroverd heeft op de Unesco Werelderfgoedlijst. Ook hier valt het me op hoe ingenieus de Ethiopiërs destijds tewerk zijn gegaan. Zo deden koeienhoorns dienst als kapstokken, werd er in de kelder een stoombad geïnstalleerd en waarschuwden de vissen in het waterreservoir bij vergiftiging door de vijand. 'Zie je die bel voor de deur?', vraag Time. 'Daar konden ontevreden burgers hun beklag doen. Ze deden dat rechtstreeks bij de keizer, die veel belang hechtte aan een open communicatie.' 'Daar zouden we misschien nog iets van kunnen leren', flitst het kort door mijn hoofd. De volgende dag vertrek ik per 4x4 naar de Simien Mountains voor een alternatief soort safari. 'Je komt hier niet voor the big five, wel voor de gelada apen, de steenbokken en met wat geluk een Ethiopische wolf', aldus de parkranger. En, opnieuw, voor de rust. Wie lange tijd in een stedelijke omgeving vertoeft, dreigt te vergeten hoe helend een paar dagen natuur kunnen zijn. Onze gids vergelijkt de Simien Mountains met de Grand Canyon en daar zit wat in. Met hun roodachtige kleur en hoekige vormen zijn de rotsen gelijkaardig van uitzicht, maar de ervaring errond is totaal verschillend. In de V.S. sta je met tussen een horde collega-toeristen voor een hek te drummen met een fototoestel in de aanslag. Hier vallen noch hekken, noch mensen te bespeuren. Voorlopig althans, want het is een kwestie van tijd voor het massatoerisme deze fotogenieke plek van z'n charme berooft. De grote groepen bavianen zijn de grote trekpleister van de regio. Na amper tien minuten stappen botsen de gids en ik al op de eerste kudde: een tachtigtal apen die net aan hun ontbijt beginnen. Onze aanwezigheid laat hen totaal onverschillig. 'Zie je die kale, hartvormige plek op de borst van de vrouwtjes?', fluistert de gids. 'Wanneer ze klaar zijn om te paren, wordt die rozige kleur nog iets donkerder, als een soort lichtgevend hart.' Romantiek op apenniveau, ik hou er wel van. Even later leer ik dat de vrouwelijke dieren flink hun mannetje staan. Ze kiezen zelf leider van de troep. Beschermt hij hen niet naar behoren, dan verliest hij het recht om met hen te paren en wordt hij in een louter zorgende rol geduwd. 'Moeten we hier iets van leren?', vraag ik me glimlachend af. Het bezoek aan de bergtop op 4.550 meter is letterlijk en figuurlijk het hoogtepunt van mijn bezoek aan de Simien Mountains. Aan de ene kant kijk ik uit op de bergtop, die bezaaid is met witte bloemen, palmbomen, etende bavianen en huppelende steenbokken. Aan de andere kant geniet ik van kilometerslange rotswanden die zich schril aftekenen tegen de blauwe horizon. Het is bijna buitenaards. Hoog tijd om terug te keren naar de beschaving dus. De laatste stop van deze trip is Lalibela, een van de meest heilige plaatsen in het land. Wie dit skipt, pleegt in feite heiligschennis. De meeste toeristen trekken naar hier voor de verzameling rotskerken die je hier vindt op een steenworp van elkaar. In één dag bezoek ik ze alle twaalf, al is dat zeker geen must. Mijn advies: kies er een drietal en focus je op de geweldige eet- en drinkcultuur in de stad. Zo nuttig ik mijn laatste avondmaal in Ben Abeba: een restaurant dat even beroemd is om de aparte architectuur als om het eten. Naast me zit iemand die verdacht veel weg heeft van Vogue-hoofdredactrice Anna Wintour, al ontbreekt het me aan moed om deze info te dubbelchecken. De eigenares is een vrolijke Schotse vrouw, die vaak in het restaurant vertoeft en altijd in is voor een praatje. De trip besluit ik met lokale honingwijn en een uitbundige dance battle in een comedy café. Het is een surreële afsluiter voor een reis waarbij ik verbazing tekortkwam. Zelden wist een land me zo te verrassen. Aan al wie nog twijfelt: nu is het moment.