Ons vertrekpunt: Parijs, Frankrijk. Onze bestemming: Tauá, Brazilië. Onderweg zullen we halt houden in Porto Alegre en in Fortaleza. Doel van onze reis: een sneaker. De sneaker die wij zoeken, is vervaardigd uit agro-ecologisch en biologisch katoen en heeft een zool van rubber, geoogst door de rubbertappers uit het Amazonegebied en aangekocht volgens de principes van de eerlijke handel. Model: Volley, uit 2005. Merk: Veja, zoals 'Kijk' in het Portugees, in dit geval te interpreteren als 'Besef'. Want tussen beide continenten kreeg langzaam maar zeker een transparant, baanbrekend en ook wel een tikje gewaagd project vorm. De bedoeling: tegen de stroom in roeien, op een andere, vernieuwende manier schoenen maken, met aandacht voor elke fase van het productieproces. De drijvende krachten: oprichters François-Ghislain Morillion en Sébastien Kopp. Die laatste is onze gids tijdens deze korte reis door Brazilië.
...

Ons vertrekpunt: Parijs, Frankrijk. Onze bestemming: Tauá, Brazilië. Onderweg zullen we halt houden in Porto Alegre en in Fortaleza. Doel van onze reis: een sneaker. De sneaker die wij zoeken, is vervaardigd uit agro-ecologisch en biologisch katoen en heeft een zool van rubber, geoogst door de rubbertappers uit het Amazonegebied en aangekocht volgens de principes van de eerlijke handel. Model: Volley, uit 2005. Merk: Veja, zoals 'Kijk' in het Portugees, in dit geval te interpreteren als 'Besef'. Want tussen beide continenten kreeg langzaam maar zeker een transparant, baanbrekend en ook wel een tikje gewaagd project vorm. De bedoeling: tegen de stroom in roeien, op een andere, vernieuwende manier schoenen maken, met aandacht voor elke fase van het productieproces. De drijvende krachten: oprichters François-Ghislain Morillion en Sébastien Kopp. Die laatste is onze gids tijdens deze korte reis door Brazilië. We zijn in de deelstaat Rio Grande do Sul. Op een vijftigtal kilometer van Porto Alegre, in een rustige laan in het stadje Campo Bom, staan we bij nummer 270 voor een houten deur. We lopen enkele treden op en belanden in een nagelnieuw kantoor. Veja heeft zich hier nog geen jaar geleden gevestigd. De muren zijn wit en nagenoeg kaal, op een diploma in een vergulde lijst na. Op dat document herkennen we het profiel van Chico Mendes, die in 1988 werd vermoord omdat hij durfde te dromen van een betere wereld en omdat hij het opnam voor het Amazonewoud en voor de seringueiros, de rubbertappers aldaar. Op het diploma ook de namen en voornamen van de oprichters van Veja: zij zijn in zijn voetsporen getreden en werden dus officieel bekroond met de Chico Mendes de Florestania-prijs 2015. Het team, dat bezoekers met een hartelijke omhelzing verwelkomt, is op post. Het valt op dat ze een anorak dragen: het is herfst en de verwarming staat hier zelden aan. De elf leden van het team verdelen de taken onder elkaar: behalve een ontwerper is er een productiehoofd, iemand die verantwoordelijk is voor de kwaliteit, voor het materiaal, voor het leer, voor de financiën, voor de verkoop, voor de lokale e-commerce, voor de logistiek... Allemaal, of ze nu pas zijn aangeworven of er al van bij de start bij zijn, kennen ze het verhaal van de oprichters. Sébastien en François-Ghislain zijn al sinds hun tienerjaren vrienden, zeg maar bloedbroeders. Allebei studeerden ze economie - de ene aan de universiteit Paris-Dauphine, de andere aan de HEC in Parijs - en liepen ze stage in New York, place to be voor al wie aan de slag wil in de financiële sector. Maar ze hadden de indruk dat hun 'iets ontglipte', dat de zeer cynische wereld waarin ze zich bewogen 'de ogen sluit voor de ongelijkheden en voor de nefaste impact van de business op het milieu'. 'We wilden iets anders, we zagen het niet zitten om een radertje te zijn in een systeem dat op zijn ondergang afstevent', vertelt Sébastien Kopp. 'Dat was in 2001, we startten een verenigingsproject op rond duurzame ontwikkeling. De drie pijlers: ecologie, sociale ontwikkeling en economische rechtvaardigheid. We waren van mening dat de wereld alleen kon veranderen onder impuls van de economie en de ondernemingen.' In 2003 reisde het duo zowat de hele wereld rond. Ze deden Vietnam, Marokko, Zuid-Afrika en China aan en bestudeerden om en bij de 70 projecten rond duurzame ontwikkeling van de grote bedrijven uit de CAC 40. 'We waren behoorlijk teleurgesteld door wat we zagen, door het gebrek aan samenhang tussen het discours van die bedrijven en de realiteit. Alles is business as usual, je vervuilt, maar tegelijkertijd stamp je ook een schooltje uit de grond. In onze ogen was dat een achterhaald en ietwat bizar model, een joods-christelijk trucje om je zonden af te kopen.' Gelukkig ontmoetten ze Tristan Lecomte, die net zijn fairtradelabel Alter Eco had gelanceerd. Het model beviel hun. Ze waren helemaal weg van de eenvoudige, maar efficiënte regels van deze trade not aid: rechtstreeks aankopen bij de producenten, prefinanciering van de oogsten, economische rechtvaardigheid, een billijke prijs die is losgekoppeld van de door de markt opgelegde grondstoffenprijs. 'Waarom, dachten we, zouden we het voorbeeld van Tristan niet trachten te volgen? Waarom zouden we niet proberen om een concreet product opnieuw uit te vinden? En wat konden we beter kiezen dan sneakers van textiel, een product dat symbool staat voor onze generatie, maar ook heel wat problemen samenbalt, zoals de dominantie van het Noorden op het Zuiden en zelfs uitbuiting en moderne slavernij? We wilden duurzame sneakers maken. Het was onze bedoeling om alles te verzoenen in één enkel product en in één enkele economische keten.' Brazilië werd hun vertrekpunt. Omdat ze van dat land houden. Al was dat niet de enige reden. 'We vonden er ook alle grondstoffen die we nodig hadden. Wilde rubber uit het Amazonewoud, maar ook biologisch katoen, een industrie die er nog bestond, terwijl alle andere landen zich al hadden laten aftroeven door de concurrentie uit Azië. We voelden ook al aan dat je hier wordt beschouwd als een Braziliaan zodra je de taal begrijpt en spreekt.' We verlaten de stad en volgen een kleine dertig kilometer lang de RS 239 door een bosrijk gebied. In deze regio bevinden zich namelijk veel schoenfabrieken. De fabriek die de sneakers van Veja in elkaar zet, voldoet aan de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie. En aan een heleboel andere, want Sébastien Kopp is nog altijd niet vergeten dat hij in China ooit een confectieatelier bezocht waar alles prima ging tijdens de audit. Tot hij vroeg of hij mocht zien waar de arbeidsters woonden. Eerst weigerde men op dat verzoek in te gaan, maar uiteindelijk opende iemand toch de deur van een vertrek van 25 vierkante meter met rijen stapelbedden. Daar sliepen ze met dertig. Een gat in het midden fungeerde als douche en toilet. Toen besefte hij dat 'de mondialisering ontspoord is'. We zijn aangekomen in Fortaleza, de hoofdstad van de deelstaat Ceará. In de wijk Benfica staat een geel huis, omgeven door een tuintje met een weelderige mangoboom. 'Eigenlijk ontroert het me dat ik jullie kan verwelkomen bij Esplar', zegt Sébastien Kopp. 'In deze zaal hebben we Pedro Jorge in 2004 voor het eerst ontmoet. Echt een hele grote meneer! Via deze organisatie, die hij in de jaren zeventig stichtte, introduceerde hij ons in de wereld van het biologische katoen en van de agro-ecologie.' Al decennia verdedigt Pedro Jorge alternatieven voor de brandcultuur en voor het gebruik van pesticiden. Hij ijvert voor een familiale landbouw die de bodem niet verarmt, maar verrijkt. En hij waakt over de rechten van de mensen die deze vorm van landbouw beoefenen, ook die van de vrouwen. 'Het is een extreem feministische organisatie', aldus Sébastien. 'We hadden al van in het begin door dat de schaduw van die strijd alomtegenwoordig is. Esplar heeft bijzonder veel aandacht voor genderrechtvaardigheid op het terrein en hamert erop dat het geen zin heeft om biokatoen te produceren als je tegelijkertijd vervalt in de schema's uit het verleden.' Vanuit Fortaleza is het 320 km rijden naar Tauá. Een kuil in het versleten asfalt, een schok. De bus wankelt en slingert, helemaal uit balans door een lekke band. Een paar krekels blijven opgewekt zingen en staken hun lied amper wanneer een zware truck in een wolk van stof langsdendert. De bus hobbelt een klein eindje verder en bereikt dan een garage. Er heerst een onbeschrijfelijke chaos, maar de heer des huizes weet elk stuk gereedschap liggen en duikelt op wonderbaarlijke wijze een krik op om het wiel van de bus te halen. Na even zwoegen en zweten geven de bouten mee.Sébastien Kopp herinnert zich zijn eerste rit over deze weg nog heel goed. 'In oktober 2004 ging ik samen met Ronildo, de landbouwtechnicus van Esplar, op pad om de boeren te bezoeken. Aanwezig zijn op het terrein, de mensen ontmoeten met wie je werkt, weten wat de uitdagingen en de problemen zijn en die samen oplossen, dat verandert alles. We kenden niets van katoen, zij hebben ons alles geleerd. Deze aanpak is een wezenlijk onderdeel van onze onderneming geworden: we doen nooit iets zonder dat we alles zelf hebben gezien en zonder dat we begrijpen met wat voor mensen we werken. Maar goed, het was toen lente en snikheet, meer dan 40 graden. Ik begreep niet alles omdat ik nog niet goed Portugees sprak. Ik had een grote fles water en wilde die met hen delen, maar ze weigerden. Na de vergadering legde Ronildo me uit waarom ze dat deden: 'Ze doen het uit waardigheid, al hebben ze niet genoeg water om te drinken.' Ik hoef je niet uit te leggen hoe het met de gewassen gesteld was.' Toch waren de katoenproducenten er destijds in geslaagd een voorraad aan te leggen. 'Met de hulp van Pedro Jorge en Esplar waren ze al zes jaar overgeschakeld op biologisch katoen en vier jaar lang hadden ze niets verkocht.' Veja kocht 2,5 ton katoen en het verhaal kon beginnen. Vandaag neemt het bedrijf bijna 20 ton per jaar af, waarvan de helft vooraf gefinancierd tegen een billijke prijs (32 real voor 15 kilo, terwijl dat overal elders 18 real is). De ADEC ( Associação de Desenvolvimento Educativo Cultural ) staat in voor de stockage, de verwerking en de verkoop van de oogst van om en bij de 176 landbouwersgezinnen. Een binnenplaats met gras dat droog en geel is. En andermaal een muurschildering binnen de omheining, dit keer van de hand van Derlon, een Braziliaanse schilder die hier al vier jaar verblijft. Op de deur die naar de opslagplaats leidt, herinnert de waarschuwing Proibido fumar je eraan dat katoen uiterst ontvlambaar is. Iedereen brengt zijn oogst naar deze lokalen. De organisatie staat in voor het egreneren (de ruwe katoen ontdoen van pitten), het ordenen en het opslaan. Het beste zaaigoed deelt ze opnieuw uit aan de boeren, het andere zaaigoed doet dienst als voer voor de dieren. De lichte, maar volumineuze katoenvezels liggen opgeslagen achter deze ooit grijze poort. Valdenira Rodrigues - of Val, zoals Sébastien haar noemt - zit met gekruiste benen op de balen. Ze schudt van het lachen wanneer hij haar bestempelt als 'krijgsvrouw van het biokatoen'. Wanneer hij er 'mijn zuster' aan toevoegt, knijpt de vrouwelijke landbouwingenieur haar ogen dicht en klemt ze haar lippen op elkaar, in een onhandige poging om haar emoties te verbergen. Haar leven is nu al tien jaar nauw vervlochten met Veja. Ze schetst haar parcours en we nemen ons petje voor haar af. Een harde, maar niettemin gelukkige kindertijd: 'Ik kon frisse lucht inademen, ik mocht door de velden rennen en in de rivier zwemmen.' Een vader die analfabeet was en vond dat meisjes niet naar school mochten gaan - 'anders schrijven ze toch alleen maar liefdesbrieven' - en dat enkel jongens recht hadden op onderwijs, om dokter te worden. Op haar vijftiende verlaat ze het ouderlijke huis. Een vlucht eigenlijk, haar droom om te gaan studeren is sterker dan alles. Maar dat is buiten ernstige gezondheidsproblemen gerekend: na zeventien dagen coma luidt het verdict van de artsen dat studeren er niet meer in zal zitten. Maar Val is een doorzetter. Ze gaat terug naar school, baart twee kinderen en schrijft zich in 2002 eindelijk in aan de universiteit. Ze is dan 28 jaar, heeft geen vast inkomen en ze moet 28 kilometer fietsen om er te geraken. 'In 2007 startte mijn verhaal met Veja. Op 6 oktober ontmoette ik Sébastien en François-Ghislain. Ik werkte als stagiaire bij Esplar en was belast met de organisatie van het eerste event rond biokatoen in Brazilië. Sébastien sprak geen Portugees, hij kon alleen ' Bom dia' zeggen. Ze zijn opnieuw vertrokken met hun rugzak en ik heb lange tijd niets meer van hen gehoord. Tot dat bewuste gesprek via Skype - ik had daar tot dan nog nooit van gehoord - waarin ze me een eerste challenge voorstelden: ze vroegen me om de certificering 'biologisch katoen' in orde te maken.' Inmiddels is Val verantwoordelijk voor de hele productieketen, van de velden over de kwaliteitscontrole tot de certificering. Ze doorkruist de regio Nordeste om de producenten te bezoeken en reisde zelfs al naar de deelstaat Paraiba en naar Peru, op zoek naar nieuwe producenten. Want Veja groeit en dus neemt ook de vraag naar grondstoffen toe, vooral omdat de droogte lelijk huishoudt. Toch is de toestand minder erg dan drie jaar geleden: toen stierven alle bloesems af en moest Veja zijn toevlucht nemen tot gerecycleerd katoen om zijn Volleys, Wata's en andere modellen te produceren. Op 1 januari heeft Val, zoals ze dat bij de start van elk nieuw jaar doet, haar plannen, dromen en projecten neergepend in haar agenda. Hoewel ze slechts enkele zinnen beslaan, zijn ze behoorlijk ambitieus: 'Een maand doorbrengen in Frankrijk' (omdat ze zich schaamt dat ze na tien jaar samenwerking met Veja nog altijd geen Frans spreekt), 'naar Spanje gaan, naar de universiteit van Salamanca, om er een postgraduaat in milieustudies te halen' en 'zo veel mogelijk op de velden vertoeven'. We stoppen in een Kilo langs de weg, het lokale zelfbedieningsrestaurant waar je je bord vult met rijst, bonen, rode biet en tomaten, met of zonder pikante saus, en waar je vervolgens betaalt per gewicht. De vrouw bij wie we aan tafel gaan zitten, zucht onafgebroken. Hoewel het ooit al wel erger is geweest, is het klimaat van de Nordeste, deze semi-aride streek waar het minste neerslag valt van heel Brazilië, niet altijd vriendelijk voor het ouro branco, het witte goud dat ze zo goed en zo kwaad als het gaat tracht te verbouwen. En dan is de katoensnuitkever (de bicudo of Anthonomus grandis) ook nog op haar planten neergestreken.Enkele dunne wolkenslierten rekken zich loom uit boven de cactussen, de doornstruiken en de grassen. Het landschap lonkt hier al naar de woestijn. De 'asfaltweg' vanuit Tauá bestaat nog enkel uit okerkleurig zand en kiezels. De weinig gebruikte weg brengt ons recht naar Baixa Verde en het afgelegen boerderijtje van Zelinho (61) en Helena. 26 hectare voedingsgewassen, mais, sesam, bonen, gierst, maniok, watermeloen en katoen. Allemaal biologisch en verbouwd volgens de regels van de kunst van de agro-ecologie. In 2003 zwoeren ze de conventionele landbouw met zijn gifstoffen en zijn trage dood af en sloegen ze een nieuwe weg in. En daar hebben ze nog geen moment spijt van gehad. 'We weten wat we eten. En de kwaliteit van de bodem is van dien aard dat alles hier groeit.' Nochtans scheelde het niet veel of ze moesten al van bij het begin een punt zetten achter hun avontuur, omdat ze geen koper vonden voor hun biologische katoen. 'De komst van Veja heeft deuren voor ons geopend. Anders hadden we wellicht niet doorgezet. En niet alleen vanwege de droogte.' Zelinho klinkt somber. 'De nieuwe generatie werkt niet graag op het veld'. Zelinho zet zijn petje wat rechter op zijn hoofd. 'De gewassen en de oogst zijn mijn hele leven.' Het is tijd voor een rondleiding. Achter de omheining verbouwt hij een weldoordachte combinatie van lokale gewassen - beurtelings een rij sesam, een rij katoen, een rij mais en een rij bonen - volgens een methode die irrigatie mogelijk maakt, de bodem niet uitput, de natuur en haar ecosystemen geen geweld aandoet en geen gebruik maakt van meststoffen, ggo's of pesticiden. Zelinho buigt zich over een katoenplant van om en bij de 130 cm hoog: 'Hij is niet klaar, hij bloeit nog niet, er is niet genoeg regen gevallen.' Een tiental meter verderop glimlacht hij ingetogen. Met een extreem elegant gebaar plukt hij een katoenbol. Hij heeft vroeg genoeg geplant, zo zegt hij, om te vermijden dat de katoensnuitkever verwoestingen aanricht. Die valt normaal aan in april en mei, maar wat is normaal nu het klimaat opwarmt? Als alles goed gaat, zal hij 40 kilo katoen per dag kunnen oogsten, soms 50, misschien wel 60 als hij zich erg fit voelt. Hij zal een grote, oranje doek op zijn rug binden en daar het katoen in stoppen. Helena zal hem helpen, dat spreekt voor zich. Al benadrukt hij wel dat zij een kunstenares is. We hadden al een vermoeden. Op de veranda prijken op halve hoogte van de witgekalkte muren een aantal van haar werken in keramiek: bontgekleurde papegaaien, hanenkoppen met een vuurrode kam, een zwerm vlinders... Naast de hoenderhof, waar enkele parelhoenders rondscharrelen, heeft ze een museu da vovó ingericht dat de vergelijking met elk curiositeitenkabinet waar ook ter wereld kan doorstaan. Daarin bevinden zich alle spullen waar ze ooit dol op was, van haar langspeelplaten met de liedjes uit de telenovelas tot haar Remington-schrijfmachine van vóór de digitale revolutie. In een hoek ligt een bergje bonen om te doppen. Ze zullen nog even moeten wachten. Helena poseert voor de foto: ze buigt zich over een katoenplantje dat zachtjes heen en weer wiegt in de wind.