Stellen dat het hard gaat voor Dennis Vanderbroeck is een understatement. Zijn werk als spatial designer in de mode- en theatersector gaat de wereld rond, en ook al heeft hij zijn plekje aan de top ondertussen veroverd, zijn ambities zijn nog lang niet vervuld. ‘Ik ben dit nooit gaan doen voor de roem.’
De gasten van het herfst-winter 2025-defilé van Diesel in Milaan keken hun ogen uit toen ze de locatie binnenwandelden. In de Allianz Cloud Arena stond een reusachtig object dat vier verstrengelde mensen voorstelde, volledig bewerkt door 7000 graffitikunstenaars. De installatie van maar liefst 50 meter lang, 34 meter breed en 14 meter hoog was een ontwerp van Dennis Vanderbroeck, die er in 2022 – toen nog zonder graffiti – al het Guinness World Record mee verbrak voor grootste opblaasbare sculptuur ter wereld.

Het is slechts een van de vele indrukwekkende creaties die de jonge Nederlander, die in Antwerpen woont, op zijn naam heeft staan. Alleen al in 2024 bedacht hij samen met Villa Eugenie de scenografie voor de laatste modeshow van Dries Van Noten, creëerde hij theatersets voor Hamlet en Antigone voor grote Nederlandse theaterhuizen, werkte hij mee de catwalk uit bij Mugler en Ashi Studio en was hij creative director van muziekfestival Wecandance in Zeebrugge.
‘Onlangs had ik een openbaring tijdens een call met mijn team’, zegt hij. ‘Ik zag iedereen zitten en dacht: ik heb het gemaakt! En dan doel ik niet op die megalomane projecten, waar ik natuurlijk trots op ben. Maar vooral op het feit dat ik mag doen waar ik altijd al van droomde, en dat met de allerfijnste mensen om me heen. Ik heb keihard gewerkt om hier te komen en dat maakt het des te waardevoller.’
Lees ook: Modeontwerper Glenn Martens van Diesel: ‘Ik ervaar een gevoel van zekerheid en zelfvertrouwen dat ik vroeger niet had’
Van Zoetermeer naar New York
Dennis Vanderbroeck groeide op in Zoetermeer, een kleine stad tussen Den Haag en Rotterdam. Zijn grootvader was hobbyschilder, maar verder komt hij niet uit een creatief nest. ‘Ik grap weleens dat mijn ouders niet eens wisten waar het theater in Zoetermeer lag’, lacht hij.
‘Maar ze waren ruimdenkend over mijn hobby’s en studies. Ik ging naar de toneelschool, volgde ballet- en musicallessen, en daarin hebben ze me altijd gesteund. Van jongs af aan was ik gefascineerd door de theaterwereld, al weet ik niet precies waarom. Toch had ik nooit de ambitie om acteur te worden. Ik wist alleen dat ik koste wat het kost in de theatersector aan de slag wilde.’
Tijdens zijn opleiding performance art kon hij stage lopen bij de Deense modeontwerper Henrik Vibskov. ‘Mode was altijd al mijn tweede grote liefde, maar ik wist niet hoe ik die twee werelden kon combineren. Vibskovs defilés waren eerder performances dan een klassieke catwalk. Toen ik mocht meewerken aan zijn shows, besefte ik: dit wil ik voor de rest van mijn leven doen.’
Vanaf dan ging het snel. Nadat hij in Londen een master beeldende kunst behaald had, om naar eigen zeggen ‘meer intellectuele en historische context op te doen’, vertrok hij naar New York om bij het gerenommeerde productiebedrijf Bureau Betak aan de slag te gaan. ‘Ik heb me daar echt binnen gebluft’, zegt hij.
‘Tijdens mijn studie stuurde ik hun elk jaar mijn portfolio op. Toen werd ik plots uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek en snel daarna ook aangenomen. Ik was natuurlijk niet opgeleid als architect, dus ik kende al die computerprogramma’s niet. Maar ik wist wel dat ik conceptueel sterk stond, misschien zelfs sterker dan zij omdat ik met mijn theaterachtergrond op een andere manier naar storytelling kijk. Dat bleken zij ook te vinden, want ik mocht er meteen als senior designer het kantoor in New York leiden.’

In de tijd dat Vanderbroeck er werkte, ontwierp hij modeshows voor onder andere Dior, Calvin Klein en Raf Simons – zijn grote modeheld. ‘Het was een onvergetelijke tijd. Ik ben erin gestapt met het idee: alles wat ik hier bereik is winst. Dus ik heb er als een gek gewerkt, een netwerk opgebouwd en veel geleerd.’
‘Wat ik tijdens die periode ook inzag, is dat het voor mij echt draait om de samenwerkingen met ontwerpers, regisseurs en andere vakmensen. Het is fascinerend om hen op zo’n hoog niveau bezig te zien en samen creatief onderzoek te doen naar hoe je een ruimte vormgeeft. Maar als er zevenendertig assistenten tussen ons in staan, zoals bij Bureau Betak vaak het geval was, voelt het voor mij te veel aan als een machine en raak ik afgestompt. Ik geloof ook niet dat daar de beste ideeën uit voortkomen. Daarom ben ik na twee jaar teruggekeerd naar Nederland en heb ik Studio Dennis Vanderbroeck opgericht. Om opnieuw zelf in contact te kunnen staan met de makers en een betere balans te vinden tussen grote commerciële modeprojecten en andere disciplines zoals theater, kunst en eigen werk. Dat bleek de beste beslissing van mijn leven.’
Kruisbestuiving
Het combineren van disciplines is volgens Vanderbroeck zijn grootste troef, en misschien ook wel de reden waarom hij zo succesvol is in wat hij doet. ‘Doordat we interdisciplinair werken, beïnvloeden de verschillende werelden elkaar voortdurend. Dat werkt als een katalysator, zowel voor het universum dat we proberen te bouwen als voor het werk dat eruit voortkomt. Ons theaterwerk is hyperesthetisch, ons modewerk vrij theatraal. De afwisseling tussen die twee domeinen zorgt voor een constante stroom inspiratie en maakt ons veelzijdiger dan de concurrentie. We hebben beide ook nodig: via de modeshows bereiken we wereldwijd een groot publiek, wat ons dan weer nieuw theaterwerk oplevert en vice versa.’

‘De show voor Diesel in 2022 was een kantelpunt. Toen zijn we echt gelanceerd. Al vind ik het soms moeilijk om dat zo te benoemen, want ook daarvoor hadden we talloze geniale projecten, alleen kregen die veel minder zichtbaarheid. Ik ben dit nooit gaan doen voor de roem, en haal evenveel voldoening uit kleinschalig theaterwerk als uit grote catwalks. Maar ik kan niet ontkennen dat die show ons gebracht heeft waar we nu staan.’
Om een antwoord te krijgen op de vraag waarom iedereen met Vanderbroeck wil werken, namen we poolshoogte bij Bart Roman, oprichter van Wecandance. Hij stelde Vanderbroeck voor het tweede jaar op rij aan als creatief directeur van zijn festival.
Roman: ‘Toen ik zag met welke namen en merken Dennis samenwerkt, vond ik het haast hallucinant dat hij op ons voorstel inging. We dachten dat we veel te klein waren voor hem, maar hij was meteen enthousiast. Zijn kracht is dat hij zowel op het podium heeft gestaan als er van een afstand naar kan kijken. En dan is er nog zijn link met mode. Die combinatie maakt hem uniek in wat hij doet en stelt hem in staat om concepten te bedenken waar anderen niet op zouden komen. Bovendien is hij een bijzonder lieve, down-to-earth man die zich goed laat omringen. Hij weet precies welke mensen hij rond zich moet verzamelen. Het is geen onemanshow: hij draagt de eindverantwoordelijkheid, maar werkt in een team en geeft dat ook credits. Dat siert hem.’
Thuiskomen in Antwerpen
Het kantoor van Dennis Vanderbroeck is gevestigd in Rotterdam, maar zelf woont hij al zeven jaar in Antwerpen met zijn echtgenoot, visueel kunstenaar Frederik Heyman. ‘Ik ben voor hem naar België verhuisd en moet toegeven dat ik het hier in het begin verschrikkelijk vond. (lacht) Maar intussen ben ik van de stad en de Belgische mentaliteit gaan houden.’
‘Ik ben zelf behoorlijk gereserveerd – op dat vlak ben ik misschien zelfs meer Belg dan mijn man. En hoe ouder ik word, hoe meer ik besef hoeveel deugd de rust me doet hier. Voor mijn werk reis ik de wereld rond en ben ik altijd met verschillende projecten tegelijk bezig. Dat wil ik ook zo, want ik ben op mijn best als ik vijf dingen tegelijkertijd kan doen: bam, bam, bam! Maar dat lukt alleen omdat ik weet dat ik daarna kan thuiskomen in Antwerpen, waar ik even niet moet aanstaan. Tenzij ik een belangrijke deadline heb, probeer ik ’s avonds niet meer te werken en het weekend vrij te nemen. Alleen door grenzen te stellen, kan ik messcherp zijn wanneer het nodig is zonder eraan onderdoor te gaan. Ouder worden heeft dus ook zo zijn voordelen.’ (lacht)
Mijn grootste angst is zo’n studio te worden die ondoordacht gaat opschalen en zijn eigenheid verliest. Dan moet ik straks nog bruiloften doen.
Wat ook helpt, is dat hij er niet meer alleen voor staat. Vandaag bestaat Studio Dennis Vanderbroeck uit een team van een zestal vaste freelancers. In het begin kon hij om financiële redenen niemand in loondienst nemen, intussen is het een bewuste keuze geworden.
‘Ik heb een ietwat aparte kijk op het leiden van een bedrijf. Ik geloof niet in het “bezitten” van mensen, maar moedig mijn team net aan om ook buiten de studio opdrachten aan te nemen. Ze nemen daardoor een andere energie mee naar onze projecten, wat het eindresultaat ten goede komt. Af en toe komen we fysiek samen voor een project. Maar vaste kantoordagen? Dat werkt niet als je creatief moet zijn. Eigenlijk zijn we gewoon een groep jongens die samen aan bizarre, grappige projecten werkt.’
Je kan jouw keuzes op elk moment wijzigen door onderaan de site op "Cookie-instellingen" te klikken."
‘We zitten nu wel op een punt dat we moeten professionaliseren, maar die ongedwongen energie wil ik behouden. Mijn grootste angst is om zo’n studio te worden die na een paar grote opdrachten ondoordacht gaat opschalen en zijn eigenheid volledig verliest. Dan moet ik straks nog bruiloften doen, bij wijze van spreken. Want als je een team van vijftien mensen moet onderhouden, kun je niet meer kritisch zijn. Ambitie staat voor mij niet gelijk aan groei. Al moet ik toegeven dat er in mijn hoofd wel een spanningsveld bestaat: enerzijds wil ik altijd meer, anderzijds vind ik het ook goed zoals het nu is.’
Stoute schoenen
We vragen hem of hij nog dromen heeft. ‘Ik wil ooit een Broadway- of West End-musical doen. Ook een opera en een stadiontournee van een bepaalde artiest stonden op mijn verlanglijst, maar daar zijn we inmiddels mee bezig. Ik heb een hekel aan die oer-Hollandse uitdrukking “doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg.” Ik denk net: go big or go home. Als je een klap uitdeelt, laat het dan een goeie zijn. Dus trek ik geregeld mijn stoute schoenen aan en schrijf ik zelf klanten aan met wie ik graag wil werken. Niet om grote namen af te vinken, maar omdat ik echt met specifieke mensen of merken aan de slag wil. Met een soort van tunnelvisie die me al sinds mijn kindertijd kenmerkt, zet ik onverbiddelijk door. Dat geldt net zo goed voor een sociaal project waar we nu aan werken: mijn vader heeft alzheimer en woont in een zorgcentrum. Ik wil onderzoeken hoe we daar iets kunnen betekenen, met een beter doordachte inrichting bijvoorbeeld. Mijn werk mag dan vaak spectaculair zijn, en de mode- en theaterwereld keihard, maar het menselijke wil ik nooit uit het oog verliezen.’