Dankzij Vasco da Gama & co had Portugal al vroeg toegang tot exotische stoffen zoals zijde uit India en katoen uit Afrika en Brazilië. Die werden verwerkt in kledij voor de thuismarkt. Later, na de overschakeling op machines, kwam de textielindustrie pas goed op gang. Goed opgeleide industriëlen, voornamelijk in het noorden van Portugal, zetten in die periode gretig hun geld en visie in en leggen de basis voor een groeiende sector.
...

Dankzij Vasco da Gama & co had Portugal al vroeg toegang tot exotische stoffen zoals zijde uit India en katoen uit Afrika en Brazilië. Die werden verwerkt in kledij voor de thuismarkt. Later, na de overschakeling op machines, kwam de textielindustrie pas goed op gang. Goed opgeleide industriëlen, voornamelijk in het noorden van Portugal, zetten in die periode gretig hun geld en visie in en leggen de basis voor een groeiende sector. Tegen de jaren 1990 was Portugal, met lage prijzen en massaproductie, het 'China van Europa'. Maar de komst van de euro maakte alles duurder en Aziatische producenten haalden hen in. Na de financiële crisis nam een nieuwe generatie het over en kwam er meer aandacht voor expertise, kwaliteit en details, in combinatie met gunstige prijzen. Dat wekte de interesse van heel wat Europese merken, zoals Belgisch denimlabel Eat Dust. Designer Aline Walther: 'We produceren nu al meer dan tien jaar in Portugal, de fijne mentaliteit en goede kwaliteit maken dat we er ook zijn gebleven. Portugezen zijn erg goed in de productie van jersey en knitwear en hebben veel knowhow wat confectie betreft. De fabrieken in Azië ogen misschien moderner, maar in Portugal verloopt alles even schoon en efficiënt. De werkomstandigheden zijn er zoals bij ons, maar het leven is er goedkoper en het minimumloon ligt er dus ook lager', legt ze uit. Wanneer Polen, Roemenië en Bulgarije met hun sterke kledingsector toetreden tot de EU, gaat Portugal nog meer focussen op kwaliteit en het hogere segment. 'Het is een modern land en de ateliers liggen vlak bij leuke steden, wat het werken aangenamer maakt', meent Walther. 'We zijn zelf in Bulgarije en Roemenië gaan kijken. De fabrieken liggen er ergens in the middle of nowhere. We waren zelfs wat in shock: het leek alsof we in het Oostblok van de jaren 60 terechtgekomen waren. De lonen liggen er nog een pak lager dan in Portugal.' Met een kwaliteit vergelijkbaar met Frankrijk of Italië, maar met een lagere loonkost, trekt made in Portugal namen aan als Prada en Gucci en de premium lijnen van ketens als COS en Zara. Daarbij speelt de nabijheid in hun voordeel, ook wat cultuur en taal betreft. Walther: 'Het is dichter bij huis. Dat scheelt niet alleen in het transport, je kunt er ook makkelijk een paar keer per jaar naartoe om details te bespreken. Je hebt er persoonlijk contact met je producent - relaties vinden ze superbelangrijk. Bij de megafabrieken in Azië verandert je contactpersoon voortdurend, in Portugal werk je met echte mensen.' De Portugese kleding- en textielindustrie heeft een doorzichtige structuur: geen grote concerns maar vooral lokale kmo's en familiebedrijven met trouwe werkkrachten. Die kleinschaligheid heeft nog een troef: kleinere bestellingen zijn geen probleem, wat ideaal is voor exclusievere of kleinere kwaliteitsmerken. 'In Azië kun je uiteraard heel goedkoop produceren, maar de aantallen die je moet bestellen liggen veel te hoog voor ons merk', aldus Walther. Innovatie is een van de stokpaardjes van de Portugese stoffenmakers. Ze zijn goed in technologische materialen, zoals voor sportkledij, maar lopen ook voorop met duurzaam textiel en schonere productie. Bedrijven beheren vaak de volledige productieketen, van spinnen en weven tot kleuren en afwerken. Dat draagt bij tot de traceerbaarheid en transparantie. In tegenstelling tot de Aziatische markt, waar je niet altijd zeker bent van de arbeidsomstandigheden en milieu-impact, valt dat in Portugal makkelijker te achterhalen. Er geldt sowieso de Europese regelgeving en elk bedrijf moet voldoen aan de milieuwetgeving, net zoals bij ons. 'In België zijn er echter weinig mogelijkheden qua productie', vult Walther aan. 'Ofwel kom je bij een heel klein atelier terecht, ofwel worden enkel de samples in België gemaakt en gebeurt de effectieve productie toch in het buitenland. In Portugal heb je controle over waar en door wie je stukken gemaakt worden.' Voor de Brexit was het bang afwachten, maar de Britse labels bleven en richtten er zelfs distributiecentra op om de praktische rompslomp (en dubbele invoerrechten) te vermijden. Maar ook de coronacrisis en klimaatopwarming vragen om kortere productieketens en minder (ver) transport. Dat kan in het voordeel spelen van Portugal. 'Het is een luxe om ernaartoe te gaan,' beaamt Walther, 'na twee uur vliegen ben je in Porto. We vinden het zelf heel fijn dat er zo veel wordt geproduceerd, zo blijft het in Europa. Wij hebben niet de indruk dat de confectie uit Portugal zal verdwijnen. De bedrijven waarmee we werken, zitten in volle expansie. Er zijn net twee nieuwe, grotere en modernere fabrieken bij gekomen. Het gaat er erg goed met de business: steeds meer Europese merken keren terug uit Azië ten voordele van Portugal. De orderboeken zitten momenteel bomvol, we moeten nog opletten dat we onze plek niet kwijtspelen.'