De Angolese Coréon Dú is muzikant, modeontwerper, modellenscout en -mentor, documentairemaker, televisieproducer en activist. Op zijn palmares staan onder andere de telenovelles Windeck en Jikulumessu, de documentaire Bangaologia en zijn eigen kledinglabel WeDú by Coréon Dú. Met zijn modellenagentschap Da Banda opent hij internationale deuren voor Afrikaanse gezichten.Modellen zoalsMaria Borges, Amilna Estevão en Blesnya Minher werden ontdekt door hem en werden onder meer ingehuurd door Louis Vuitton, Valentino, Calvin Klein, H&M en Chanel. Zijn stem gebruikt Coréon Dú niet enkel om te zingen, maar ook om op te komen voor gendergelijkheid, LGBTQ-rechten en de anti-racismebeweging.
...

José Eduardo Paulino dos Santos, beter bekend onder zijn artiestennaam Coréon Dú, legt zijn creatieve ei in verschillende sectoren. Met als vader de voormalige president van Angola en als moeder een gekende juriste, leek hij als kind de vreemde eend in de bijt met zijn interesse in muziek en mode. Toch bleef hij z'n dromen najagen. Uit de band springen nam hij er voor lief bij. Omdat Coréon Dú aan verschillende zijdes van de modesector heeft gewerkt, heeft hij een erg uitgebreide visie op de huidige gang van zaken. We luisterden dus vol ontzag naar zijn analyses. Coréon Dú: Ergens wel. Mijn interesse in mode is ontsproten aan mijn droom om een artiest te zijn. Ik was enorm gefascineerd door popmuziek en musicals. Wanneer mijn moeder vroeger terug kwam van tripjes bracht ze altijd een film mee op videocassette. Dat ging van Disneyfilms tot klassiekers, zoals Singing in the Rain. Ik was ook grote fan van artiesten zoals Michael Jackson, Madonna en Prince. Het was niet enkel de muziek die me intrigeerde, maar evenzeer de kleding van deze sterren. Een fan boy zijn zorgde ervoor dat ik mode begon op te merken. De kleren die zij droegen, deden me nadenken over welke boodschap je kunt uitdragen met je persoonlijke stijl. Ook de televisieseries die we keken als kind hebben me sterk beïnvloed. In de contreien waar ik opgroeide zijn telenovelles enorm populair. Ik herinner me nog de Brazilaanse serie Ti Ti Ti uit de jaren tachtig. De plot draaide om twee modeontwerpers, die in een concurrentiestrijd verwikkeld waren. Ik vond het fantastisch en deed hen na door kleding te fabriceren voor mijn speelgoed. Ik verwoestte nogal veel gordijnen en lakens van mijn grootmoeder (lacht).Een paar jaar na de scheiding van mijn ouders, toen ik acht was, verliet ik Angola omwille van de burgeroorlog. Mijn moeder besliste dat haar kinderen beter ergens anders konden opgroeien. Eerst gingen we naar Portugal, later naar de Verenigde Staten. We bleven wel op vakantie gaan naar Angola, zodat ik de band met m'n moederland bleef onderhouden. Toen ik uiteindelijk terugkeerde naar Angola, kreeg ik de kans om stage te lopen bij kostuumontwerpers, wat mijn liefde voor mode alleen maar verder aanwakkerde. Aan de universiteit studeerde ik Massacommunicatie en Reclame, waardoor ik in het begin voornamelijk achter de schermen werkte. Uiteindelijk begon ik ook zelf te ontwerpen en richtte ik m'n eigen label op. Het bleek een enorm voordeel te zijn dat ik de verschillende kanten van de mode-industrie kende, zowel de zakelijke als de creatieve. Hoewel we beroemde artiesten hebben in de familie, hebben mijn ouders daar nooit veel over verteld. Ze wilden duidelijk niet dat hun kinderen kozen voor een carrière in de kunsten. Mijn grootoom staat bekend als de peetvader van Semba, de hedendaagse Angolese muziek. Hij is bovendien niet de enige in onze familie die muzikaal is. Familie betekent in de Angolese cultuur iets anders dan in de Europese. Een neef is voor ons zoals een broer. Dat ik dus pas later ontdekte dat ook een van mijn nonkels een bekende muzikant is, is echt te wijten aan mijn ouders die dit stil wilden houden voor hun kinderen. Dan bleek ook nog eens dat mijn grootvader langs moederszijde een kleermaker was. Wat verklaart waarom hij altijd de mooiste pakken droeg. Die creatieve interesses zitten dus in m'n bloed, ook al probeerden m'n ouders me in een andere richting te sturen. Mijn moeder is een advocaat en haar andere kinderen werden ingenieurs. Ik sprong dus uit de band, al van kinds af aan.Dat is een groot probleem. Er is ongelooflijk veel talent in ons continent, maar het sijpelt tergend traag door naar de andere werelddelen. Ik heb voor verschillende modemerken gewerkt en het probleem is altijd hetzelfde. Er is wel internationale interesse, maar de distributie is enorm ingewikkeld. Uiteindelijk wachten Europese en Aziatische inkopers op gevestigde Europese ontwerpers die een collectie uitbrengen die lijkt op die van een Afrikaanse designer, een soort kopie. Dat is gewoon veel gemakkelijker voor hen dan inkopen vanuit een Afrikaans land. Dit gebeurt trouwens niet alleen bij Afrikaanse ontwerpers, maar ook bij jonge of minder bekende designers van over heel de wereld. Hun creaties worden schaamteloos gekopieerd door grote merken, die er mee wegkomen omdat ze meer macht hebben. Die interesse in Afrika is helemaal niet nieuw. Al decennialang kijken modehuizen onze richting uit voor inspiratie. Dat we nog steeds geen zitje aan de tafel hebben gekregen is des te schrijnend. Yves Saint Laurent zei altijd dat hij enorm geïnspireerd was door Afrikaanse kunst en esthetiek. In de jaren zestig had hij zijn 'Afrikaanse collectie', hij gebruikte soms zwarte modellen op de catwalk, schonk aandacht aan Afrikaans talent. Je zou denken dat er sindsdien geïnvesteerd werd in dat Afrikaans talent, maar niets is minder waar. Het is belangrijk dat we hier open over kunnen praten.Via sociale media komen Afrikaanse designers in contact met geïnteresseerde klanten van over heel de wereld. Dat is mooi, maar zolang er geen platformen zijn die de verkoop makkelijker maken, blijven de drempels te hoog. De extra tol die klanten moeten betalen schrikt uiteraard af. Ik roep daarom inkopers op om ook eens te kijken naar Afrikaanse merken en hen te helpen om een voet aan wal te krijgen in de Europese en Amerikaanse afzetmarkten. Een nieuwe instroom van creatieve geesten is toch altijd goed? Zestig procent van de Afrikaanse populatie is jong. Er zijn dus enorm veel kansen om jonge, getalenteerde mensen met frisse ideeën te ontdekken. Als ze een platform krijgen tenminste. Veel grote modemerken kennen het verschil niet tussen esthetische waarde en een religieuze of culturele betekenis. Maskers zijn erg opvallende voorbeelden, maar het kan ook subtieler, zoals bepaalde kleurencombinaties die gelinkt zijn aan rituelen. Zo zie ik wel eens looks geïnspireerd op kleuren die gedragen worden tijdens puberteitsrites. Best gek om volwassenen daarmee te zien paraderen. "Jij bent geen zestien meer", denk ik dan (lacht). Als ze de moeite zouden nemen om deze zaken te researchen, ontdekken ze al snel dat sommige symbolen een belangrijke betekenis hebben en dus niet op de catwalk thuishoren. Hoewel er de laatste jaren veel meer aandacht voor is geweest, valt dit nog steeds voor. Dat komt omdat er nog te weinig structurele diversiteit is in de modesector. Je laten inspireren door andere culturen is mooi, die culturen een plaats geven binnen de sector is beter. Dit probleem los je niet op door een eenmalige samenwerking met iemand van een andere cultuur of met een campagne met zwarte modellen. Met een diverser team achter de schermen kan je zo'n fouten vermijden. Racistische fouten blijven maken en vervolgens je excuses aanbieden mag echt gaan ophouden. Die excuses zijn slechts doekjes voor het bloeden. Het wordt ook tijd dat we zorgen dat het geld eerlijker wordt verdeeld. Wanneer je iets kopieert van een klein, beginnend merk ontneem je jonge ondernemers de kans op financieel succes. Het maakt me oprecht boos. Het gaat om grote modehuizen, met veel geld, die wereldwijd verkopen. Als je globaal de vruchten wil plukken, moet je ook respect tonen voor de mensen vanuit al die werelddelen. Dat lijkt me een vorm van basisbeleefdheid. Globalisering heeft z'n voor- en nadelen. Laat ons de voordelen in de verf zetten en de nadelen bekampen. Klopt. Het milieu lijdt hieronder. Ik heb aan verschillende kanten in de mode-industrie gewerkt en heb gezien waar het spaak loopt. Door massaproductie is de prijs van kleding gedaald en kan je meerdere stuks tegelijk kopen. De keerzijde van de medaille is dat je geen idee hebt waar je kleding precies gemaakt wordt, wie ze gemaakt heeft, welke stoffen er gebruikt zijn en hoe die geproduceerd werden, hoeveel verspilling er is gebeurd, hoeveel water er is gebruikt, hoeveel energie het heeft gekost, of de verf toxisch is of niet. Je ziet enkel hoe het eruitziet en hoeveel het kost. In Angola is de manier waarop aan mode wordt gedaan voor een deel nog old school, de meer artisanale en traditionele aanpak. Mensen laten hun kleren maken op maat, ofwel door een familielid, ofwel bij een kleermaker. Je moet weinig moeite doen om een goede vakman of -vrouw te vinden, want in iedere buurt is er wel een kleermaker. Ook in wijken waar mensen minder geld hebben, houdt men vast aan die traditie. Het is en blijft deel van onze cultuur. Aan de andere kant is er ook een industrialisatie op gang gekomen, in sommige Afrikaanse landen al meer dan in andere. Hoewel dat vaak voor export bedoeld is. Die traditionele manier van werken is an sich meer duurzaam. Je steunt er de lokale economie mee, je hebt geduld, je kiest iets heel persoonlijks, je weet zeer precies hoeveel meters stof er nodig zijn en koopt enkel die hoeveelheden aan, er is controle op de arbeidsomstandigheden. Het is veel transparanter, trager en dus duurzamer. Ik besef uiteraard ook dat de wereld is veranderd en we dus niet moeten blijven stilstaan. Naar mijn mening zouden we moeten kijken hoe we die traditionele manieren kunnen verzoenen met innovatieve productiemethodes en die combinatie vervolgens opschalen. Sommige oude technieken kunnen perfect gemoderniseerd worden, denk maar aan verven op natuurlijke wijze. In verschillende werelddelen is er een schat aan kennis vergaard over de jaren heen. We zouden die kennis moeten uitwisselen en combineren. Duurzaamheid heeft overigens vele gezichten. Kleding hergebruiken is ook een manier om beter om te gaan met mode. Als Afrikaanse man werd ik al van jonge leeftijd geïntroduceerd tot vintage: heel wat tweedehandskleding van de Europese markt wordt immers gedropt in Afrikaanse landen. Niet dat die manier van werken volledig toe te juichen valt, maar het zorgt wel voor een bepaalde stijl. Als kind vroeg ik me soms af hoe het kwam dat mensen in Angola zo goed gekleed waren. In ons land kan je niet snel even binnenspringen in kledingketens, maar er is een grote tweedehandsmarkt én genoeg mensen die kunnen naaien. Dit zorgt voor een mix en match-stijl, waarbij gebruik gemaakt wordt van kleding die al bestaat en kleding die door lokale kleermakers wordt geproduceerd. Het is een unieke combinatie van de nieuwste trends die vanuit Europese shops op de tweedehandsmarkt tot bij ons komen en de Afrikaanse stijl, die door onze eigen mensen in ere wordt gehouden. Ik vind het altijd fascinerend hoe origineel mensen in Angola en andere Afrikaanse landen daarmee omspringen. Angola is de bakermat van swag (lacht). In ons land is 'Banga' een synoniem voor stijl, persoonlijkheid en attitude. Die drie elementen worden samengebracht in één woord. We hebben allemaal een persoonlijke stijl, want we hebben allemaal een persoonlijkheid. Hoe we ons aankleden of stylen, drukt een deel van onze persoonlijkheid uit. Zelfs als je er niet bewust mee bezig bent, zit er een keuze achter.Absoluut. De levensduur van een kledingstuk nu is véél minder lang dan enkele decennia geleden. Er zijn mensen die iedere week iets nieuws kopen. Dat is op geen enkele manier duurzaam. Je geeft veel geld uit, je draagt het weinig, de kwaliteit is niet goed, je gooit het snel weg. Een spijtige zaak. Toen ik een kind was, droeg ik de kleding van mijn oudere broers. Dat was toen heel gewoon. Er was minder sprake van 'afval' binnen de mode-industrie. Er is een radicale verandering van gewoontes nodig. Het is op korte tijd zeer snel in de verkeerde richting geëvolueerd. Klimaatverandering is een prangend probleem. Dat er nog mensen zijn die dat ontkennen is hallucinant. Ik nodig hen uit om de seizoenen in Angola te komen bestuderen, die zijn al veel extremer geworden. Op plaatsen waar het normaal altijd warm is, sneeuwt het plots. Mensen worden zich hier gelukkig wel steeds meer bewust van. Voor de toekomst van de modesector is het cruciaal om na te denken over hoe merken hun ecologische voetafdruk kunnen verkleinen zonder er financieel aan ten onder te gaan. Ik geloof stellig dat dit kan. Naast het milieu moet er ook meer aandacht zijn voor de mensen die onze kleding maken. Eerlijke lonen zijn een enorm belangrijk thema. Ik heb gelukkig altijd gewerkt met bedrijven die op een fair trade-wijze produceerden, en ook voor mijn eigen merk hecht ik daar veel belang aan. Arbeiders moeten weten wat hun rechten zijn en er ook voor kunnen opkomen. Om een goed product te maken, moet je iedereen die eraan meewerkt met respect behandelen. Waarom zouden mensen ook gemotiveerd zijn om samen aan iets goeds te werken als je ze slecht behandelt? Een positieve werkomgeving straalt ook positief af op wat je maakt. Ik snap dat de concurrentie tussen modemerken zwaar is en dat ze onder de prijs van andere merken willen duiken om consumenten te overhalen, maar naast het feit dat het onethisch is om mensen uit te buiten, zal je als ontwerper of merk ook problemen ondervinden door deze aanpak. Mode lijkt misschien op een frivole bezigheid, gewoon iets moois om naar te kijken, maar er zit een enorme industrie achter en modebedrijven hebben de verantwoordelijkheid, net zoals andere bedrijven, om eerlijk om te gaan met de mensen die voor hen werken.In de film The Devil Wears Prada vertelt de hoofdredactrice Miranda Priestly aan Andy (het personage van Anne Hathaway, nvdr.) dat mode ook een business is en dat er veel geld mee gemoeid is. Dat is me altijd bijgebleven. Er wordt vaak gefocust op het creatieve luik van mode, maar voor een groot stuk is kleding ook een gebruiksvoorwerp. De meeste mensen dragen kleding en kopen kleding. dat wil zeggen dat er een enorme business achter schuilt. Begrijp me niet verkeerd, ik hou enorm van het creatieve en persoonlijke luik. Maar als maatschappij moeten we ook kritisch kijken naar de business. Dat denk ik wel. Modemerken geven zelf aan dat ze niet meer kunnen volgen, dat er te veel modeweken zijn en dat de concurrentie gigantisch is. Ook retailers en de eindconsumenten drukken zich kritisch uit. Aan merken geef ik de raad om goed te luisteren naar hun klanten. Ze zijn geen vragende partij voor de veelheid en snelheid waarmee mode nu geassocieerd wordt. Ze vragen duurzame kleding van merken waarmee ze zich verbonden kunnen voelen. Dit duwt merken in een bepaalde richting en zorgt ervoor dat ze zichzelf moeten heropvoeden. Ik vind het goed dat deze beweging bottom-up gebeurt en dat ze zowel van fast fashion ketens als grote high end merken vragen om zich aan te passen. Er wordt trouwens ook meer diversiteit geëist, wat me enorm blij maakt. Je merkt dat klanten ook durven stemmen met hun portefeuille. Zijn ze het ergens niet mee eens? Dan kopen ze wel bij een ander merk. Hoe meer geïnformeerd klanten zijn, hoe meer diepgang de mode krijgt.Net zoals bepaalde merken aan greenwashing doen om duurzamer over te komen, zijn er ook die sociale verandering inzetten als marketing tool. Achter de schermen hoor ik soms de meest schijnheilige praat en tokenism: 'Liggen we onder vuur? We steunen gewoon een goed doel en het is opgelost', of 'we nemen een gezicht dat aanspreekt omdat het een zwart, activistisch model is.' Verder veranderen ze niks aan hun manier van werken. Toch geloof ik dat ze zichzelf hiermee in de voet schieten. Eerlijkheid duurt het langst. Als je business dezelfde waarden uitdraagt als het goede doel of als het campagnegezicht sta je steviger in je schoenen op lange termijn. Wees oprecht in plaats van hypocriet. Sociale thema's zijn géén gimmick. Zelf ben ik een grote voorstander van vrijwilligerswerk en van het steunen van lokale sociale initiatieven. Toch zal ik dat nooit als reclame gebruiken. Naar mijn aanvoelen is dat ongepast. Het is iets persoonlijks, geen marketing tool. Als je als klant aanvoelt dat het niet oprecht is, steun dat merk dan ook niet. Merken zouden beter hun huiswerk maken in plaats van pr-praatjes verkopen. De dosis fantasie in mode is prachtig en belangrijk, maar liegen is niet hetzelfde als fantasie en creativiteit. Wanneer de storm weer is gaan liggen, vervallen merken soms terug in de oude gewoontes. Old habits die hard. Ik zeg niet dat dit expres is, maar de aandacht verslapt. Er wordt niet meer actief op ingezet, want ze voelen de hete adem niet meer in hun nek. Ze zullen dit ook in hun inkomsten gaan voelen, want consumenten komen tegenwoordig van over heel de wereld. Vroeger was de rijkdom meer afkomstig van Noord-Amerika en Europa, maar er zijn nu ook landen die al verder ontwikkeld zijn en dus ook meer burgers met geld om te spenderen aan mode hebben. Ook economisch gezien heeft een merk er dus baat bij om zich te richten op een diverser publiek. Toen ik in de VS woonde, sprak men vaak over de wens om meer zwarte modellen te casten. Er werden de voorbije jaren inderdaad meer modellen met een donkere huid gecast voor campagnes of défilés, maar meestal zijn dat Afrikaans-Amerikaanse modellen of Britse modellen met een zwarte vader en witte moeder. Dit is uiteraard super en ik juich dit toe, maar je ziet amper modellen die uit Afrika komen. Dit geldt ook voor Aziatische modellen trouwens. Dit is waarom ik lokale modellen representeer. Zelfs binnen Afrika zijn wij een beetje de vreemde eend in de bijt. Angola was een Portugese kolonie. Binnen het continent zijn wij een minderheid tegenover de Francofone en Angelsaksische landen. We worden niet zo vaak gerepresenteerd, maar ik kan je verzekeren dat er enorm veel talent te vinden is in ons land. Dit is een onderwerp waar ik nog meer voor wil betekenen. Body positivity en body inclusivity zijn intussen bekende termen in de mode-industrie, maar size zero blijft de norm en merken verschuilen zich nog veel te vaak achter loze excuses. Het is je misschien ook al opgevallen, maar als het gaat om body positivity zie je bijna nooit foto's van mannen met een maatje meer. Daar wil ik een lans voor breken. Ik spreek als een zwarte, gay man, die niet slank en niet groot is. In modemagazines zie ik nooit iemand zoals ik. Waarom niet? Body positivity is er niet enkel voor witte vrouwen met maat 42. Het zou véél breder moeten gaan. Van vrouwen die aan bodybuilding doen tot mannen zoals ik. Ik ben ook muzikant en maak m'n eigen outfits. Een van de redenen waarom ik een eigen merk heb opgestart, is omdat mensen me steevast vragen waar mijn kleding vandaan komt. Ik weet hoe moeilijk het is om te shoppen voor mensen van mijn lichaamstype en wilde hen de kans geven om mijn kleding ook te dragen. Daarom ben ik gestart met het maken van uniseks loungewear. Het is inderdaad heel moeilijk om fabrikanten te vinden! Fabrikanten tonen weinig animo om kleding te maken die niet past binnen hun gangbare manier van werken. Ze zijn het niet gewoon en vinden het vervelend om zich te moeten aanpassen aan mijn eisen. Ik ben een onafhankelijke ontwerper. Ik zit niet bij een grote modegroep, die hebben me vreemd genoeg nog niet gebeld (lacht), dus ik heb weinig macht. Ik heb al meegemaakt dat ik outfits bestel in maat XL en de stuks me niet passen. Toen ik ging nameten bleek dat ze gewoon een veel te kleine XL hebben gemaakt, die niet voldoet aan de standaardmaten. Ontwerpers klagen wel eens dat ze met sample sizes moeten werken en dat hun modellen daarom allemaal size zero zijn (rolt met z'n ogen). Het kan wel zijn dat het moeilijker en duurder is om verschillende maten te voorzien, maar het is zeker niet onmogelijk. En hoe meer merken dit vragen aan hun fabrikanten, hoe meer gangbaar het zal worden. De status quo uitdagen is nooit simpel, maar de vraag is: wie wil je als merk aanspreken? Dan zijn er ook de merken die een campagne lanceren met vollere modellen, maar de grotere maten niet in hun winkels hangen. Als consument voel je je dan toch bedrogen? Hoe inclusief is een merk als ze die maten niet op stock blijken te hebben, enkel online verkopen of meer geld vragen voor grotere maten. Zelfs bij luxemerken valt dit voor. Persoonlijk heb ik al meegemaakt dat je de grotere maten enkel op bestelling kunt kopen, waardoor de prijs de hoogte in schiet. Nochtans betaal je al genoeg voor die kleding. Ik kan er met m'n hoofd niet bij dat dit businessmodel nog wordt toegepast. Het is niet alsof size zero de norm is in het dagelijks leven. Ik ben wel blij dat consumenten hun mond durven open trekken. Nu moeten merken nog leren luisteren. Door je als merk niet te laten afleiden door trends, kan je duurzamer én inclusiever werken. Heb je bepaalde snits die bestsellers zijn? Zorg dat die altijd in alle maten beschikbaar zijn aan dezelfde prijs voor iedereen. Mis die boot niet, want de wereld staat niet stil. De modewereld moet af van die ouderwetse stijl van communiceren waarbij modebladen en merken de plak zwaaien. Het is een dialoog tussen klant, merk en media. Vanuit je ivoren toren dicteren wat de consument moet dragen is niet meer van deze tijd. Wedufashion.com