Berekent de calorieën die hij moet verbranden om op niveau te blijven.
...

De carrière van een sportman is redelijk kort. Je bent maar zo goed als je laatste prestatie. Met andere woorden: je toekomst hangt vast aan je fysieke staat. Door vijfentwintig à dertig uur per week op de fiets door te brengen, zorg ik ervoor dat mijn lichaam meekan. Je bent als topsporter constant bezig met de gevolgen van bepaalde zaken voor je lichaam. Als ik op restaurant ga, probeer ik zoveel mogelijk te genieten, maar voor ik het goed en wel besef, zit ik alweer te berekenen hoeveel koolhydraten, proteïnen en vetten ik heb binnengewerkt. Dan weet ik exact hoeveel calorieën ik de volgende dag extra moet verbranden om dat te compenseren. Je wilt als wielrenner het beste voor de dag komen en dan kan elke honderd gram belangrijk zijn. Een van de grootste uitdagingen is om niet te bezwijken aan lekkere verleidingen, maar het is heel moeilijk om sociale activiteiten te doen waar eten noch drinken aan te pas komt. Voor mij is het jammer genoeg niet zo evident om tijdens de week tot twaalf uur 's nachts op café te zitten als voor andere bijna-dertigers. Ook als ik ga shoppen met mijn vriendin, let ik erop dat ik bij elke stap mijn bekken stabiel houd en mijn rug mooie krommingen maakt. Ik ben me heel erg bewust van elke stap, elke beweging. Ik zal daarom nooit van mijn leven in een attractie gaan op de kermis of in een pretpark, omdat ik bang ben dat ik zo een dislocatie in mijn rug krijg en niet kan trainen. Dan ontneem ik mezelf liever een kortstondig plezier om op de lange termijn mijn lichaam prioriteit te geven. Het is niet zo dat ik de auto laat staan uit schrik voor een ongeluk, dat is te extreem, maar ik vermijd wel contact met zieke mensen. Ik geef nooit een hand of zal nooit een gesprek voeren met iemand die mogelijk ziektekiemen met zich meedraagt. Als ik ziek word, kan ik meteen vijf dagen minder trainen, wat zich vertaalt in minder goede resultaten. Dat zou heel dom zijn als je het zelf in de hand hebt.' Piano speel je niet alleen met je vingers, maar eigenlijk met heel je lichaam. Ik denk dat iemand die naar een pianorecital gaat, wel ziet dat een concert een behoorlijk stevige inspanning vraagt. Afhankelijk van het repertoire kan het ene concert zwaarder zijn dan het andere, maar sowieso is elk concert zowel fysiek als mentaal veeleisend. Je vingers zijn natuurlijk het meest fragiele. Ik ben van nature nogal een bezorgd iemand en dus erg voorzichtig. Wanneer ik in de tuin werk of de afwas doe, zal ik steevast handschoenen aandoen. Als ik geen pianist was, was ik vast ook al eens gaan skiën. Maar één slechte val en heel je seizoen is om zeep. Dat is een risico dat ik liever niet neem. Ik heb mijn vinger gebroken toen ik twaalf was, waardoor ik drie maanden lang geen piano kon spelen. Ook al was het toen nog maar een hobby, ik was erg verdrietig. Op zo'n moment besef je pas hoe graag je iets doet. Qua blessures is het voor de rest gelukkig heel beperkt gebleven. Ik heb weleens een dikke snee in mijn vinger gehad door met een keukenmandoline te werken. De dag erna begon mijn vinger opnieuw te bloeden tijdens een concert. Niet ideaal. (lacht) Die mandoline heb ik uiteraard meteen buitengekegeld. Op motorisch vlak is pianospelen heel complex. Het is erg belangrijk dat je je bewust bent van de spieren die je gebruikt en moet ontspannen. Dat bewustzijn kun je altijd blijven ontwikkelen om je techniek nog meer te perfectioneren. Je oefent verschillende uren per dag, waardoor je je spieren automatisch traint. Toch kun je echt stikkapot zijn na een concert. Vooral als je twee keer per dag speelt, is voldoende recuperatie nodig. Lesgeven is mijn vorm van verzekering. Als ik mijn vingers zou breken, kan ik namelijk geen concerten meer spelen. Noem het daarom een 'veiliger' beroep. Emotioneel zou ik er wel kapot van zijn als ik een halfjaar niet kon spelen. Eigenlijk is een goed gehoor nog belangrijker, want als daar iets misloopt, is dat meestal onomkeerbaar. Je hebt pianisten die kunnen doorgaan tot hun negentigste. Ik weet niet of ik dat wil, maar ik hoop alleszins dat het in theorie nog mogelijk zou zijn.' Hoe kan ik er binnen de maand of het jaar zo uitzien als jij?' Het is een vraag die ik geregeld krijg van jonge turners die slechts de helft van mijn leeftijd zijn. Dat wordt vaak op gelach onthaald door de wat oudere generatie, die vaak beweert dat ik niks anders doe dan trainen. Dat klopt niet. Ik train ongeveer twaalf à vijftien uur per week, doorgaans elke twee dagen. Die complimenten zijn natuurlijk wel leuk. Ook al draait acrobatie in de eerste plaats niet om hoe je lichaam eruitziet, het is wel een beetje je visitekaartje. De cardio en krachttraining dienen om mijn job te kunnen doen. Dat die esthetiek daarbij komt, is mooi meegenomen. Je merkt dat je vanaf een bepaalde leeftijd slimmer moet beginnen trainen, en dat je specifieker moet letten op bepaalde spieren om blessures te voorkomen. Als je twintig bent en je valt of je scheurt een spier, dan komt het na enkele weken weer goed. Tien jaar later merk ik dat ik toch iets voorzichtiger met mijn lichaam moet omspringen. Een opwarming van een halfuur is geen overbodige luxe. Je probeert als acrobaat mee te evolueren met de noden van je lichaam. Als je je lijf te ver pusht, kun je snel geblesseerd raken. Ik heb het gezien bij mensen uit mijn omgeving en dat was een echte wake-upcall. Iets in te korte tijd willen bereiken herbergt een groot risico. Daarom probeer ik nooit tot honderd procent te gaan. Na een kleine blessure heb ik het geluk gehad dat ik snel weer aan het werk kon. Sindsdien is mijn inschattingsvermogen veel beter, al kun je problemen natuurlijk nooit volledig uit de weg gaan. Wanneer je voor een act voor het eerst omhoog wordt geschoten tegen ongeveer twintig kilometer per uur, ben je je heel bewust van je lichaam. Maar eens je je lijf onder controle hebt, kun je je focussen op de presentatie in plaats van de prestatie. Je leert er een show van te maken. Het is spelen met hoe je een act overbrengt bij het publiek. En dat maakt het telkens weer een uitdaging.' De eerste keer dat ik als naaktmodel uit de kleren ging, voelde eigenlijk helemaal niet gek. Mijn partner woonde op een naturistencamping, en dus was ik het wel gewend om naakt te gaan voor mensen. Na een tijd in het buitengewoon onderwijs gewerkt te hebben, was ik op zoek naar een nieuwe job. Door de zware lijmen waarmee ik in mijn lessen werkte, had ik de schildersziekte gekregen waardoor veel jobs fysiek onmogelijk waren. Ik klopte bij enkele academies aan en kon vrij snel aan de slag als model. Onderschat de fysieke inspanning niet die bij de job komt kijken. Als je acht uur per dag verschillende bevroren sportposes moet aannemen, ben je een wrak. De lange poses doe ik het liefst. Het is voor mij een vorm van yoga en meditatie: ik word er rustig van, ook al kan het soms pijn doen. Eén keer heb ik zelfs vijf weken lang wakker gelegen omdat ik een bepaalde pose te lang had moeten aanhouden. Ziek zijn had mijn zelfbeeld enorm aangetast. Maar wanneer je stelselmatig je hoofd en lichaam langs alle kanten afgebeeld ziet, denk je: ik mag er toch zijn? Het heeft me geholpen om van bepaalde complexen af te komen. Ik ken modellen die uren in de fitness doorbrengen, maar ik blijf liever fit door te wandelen en te fietsen. En toch, als ik te horen krijg dat mijn lijf goed bewaard is, grap ik steevast dat hun alzheimer wel erg vroeg begint. Zelf zie ik het niet zo. Soms denk ik: nondedomme, zie ik er zo oud uit? Maar ik denk niet dat dat voor academies een probleem is, integendeel. Als ik een facelift zou ondergaan, zou ik veel minder interessant zijn om te tekenen. Mijn kale kruin noem ik mijn werkkledij. Als ik me niet zou scheren, zou ik volgende week alweer haar hebben. Maar zonder kaal hoofd zou ik dit werk niet doen. Het is mijn kostuum. Mijn haar is privé en wil ik niet zomaar blootgeven. Al klinkt dat misschien gek voor een man die op sommige dagen langer naakt is dan dat hij kleren aanheeft.'