Voedingsfabrikanten hebben verschillende redenen om additieven toe te voegen aan hun producten en het arsenaal is dan ook erg breed. Zo zijn er kleurstoffen en smaakverbeteraars, maar ook bewaarmiddelen, stabilisatoren, antioxidanten, meelverbeteraars, geleermiddelen, rijsmiddelen, glansmiddelen, verdikkingsmiddelen en zoetstoffen. Je merkt het al: het zou onmogelijk zijn om in dit stuk alle additieven te bespreken. Daarom beperken we ons tot enkele spraakmakende ingrediënten. Meer weten over specifieke E-nummers? Via deze link kan je ze allemaal opzoeken, hieronder introduceren we je in de meest voorkomende of markante toevoegingen.
...

Voedingsfabrikanten hebben verschillende redenen om additieven toe te voegen aan hun producten en het arsenaal is dan ook erg breed. Zo zijn er kleurstoffen en smaakverbeteraars, maar ook bewaarmiddelen, stabilisatoren, antioxidanten, meelverbeteraars, geleermiddelen, rijsmiddelen, glansmiddelen, verdikkingsmiddelen en zoetstoffen. Je merkt het al: het zou onmogelijk zijn om in dit stuk alle additieven te bespreken. Daarom beperken we ons tot enkele spraakmakende ingrediënten. Meer weten over specifieke E-nummers? Via deze link kan je ze allemaal opzoeken, hieronder introduceren we je in de meest voorkomende of markante toevoegingen. Alles is chemie en E-nummers zijn eigenlijk niets eng. Het zijn door Europa onderzochte en gecatalogeerde stoffen die zijn goedgekeurd om gebruikt te worden in onze voeding. Ook de hoeveelheid die ervan gebruikt mag worden in voeding is strikt gereglementeerd. Je zal dan ook niet meteen ziek worden door de smaakstoffen in een magnetronschotel, maar misschien wel door de hoge hoeveelheden zout, vet en suiker als je dit soort voedsel regelmatig eet. Wettelijk gezien mag een additief enkel gebruikt worden als het onmisbaar is, maar die definitie is nogal rekbaar. Zo rijzen er steeds meer vragen over het nut van kleur- en smaakstoffen. Meer zelfs: consumentenorganisaties stellen niet alleen dat die vervelend kunnen zijn voor mensen die hier overgevoelig op reageren, maar ook dat het regelrechte misleiding is. Door deze te gebruiken, zo stelt ook onderzoeksjournaliste Johanna Blytman, geven fabrikanten hun fabrieksvoedsel terug wat het verloren is tijdens het industriële productieproces: smaak en uitzicht. De industrie beseft dat consumenten steeds wantrouwiger staan tegenover ingrediënten die ze nooit in hun eigen keuken zien. Daarom is er zoiets ontstaan als 'clean label' marketing: etiketten op voedingswaren waarop niets onverstaanbaar staat, al wil dat niet zeggen dat er geen voor de gemiddelde consument onbekende additieven in zitten. Ga maar eens na hoe vaak 'bietenrood' of 'bietensap' vandaag vermeld wordt op een etiket: dat is eigenlijk niets meer of minder dan E162 of betanine. Klinkt natuurlijker, is het eigenlijk niet. Maar als consument ben je gerustgesteld en denk je een 'clean' product te kopen. Nog nuttig om te weten is dat op bepaalde voedingswaren de aanwezigheid van additieven niet eens vermeld hoeft te worden. Wijn is daar een berucht voorbeeld van. Die bevat soms toegevoegde voedingszuren, bindmiddelen of suikers, maar dat hoef je als consument niet te weten, vindt Europa. Daarbij zijn er ook verschillende additieven die niet vermeld hoeven te worden op het etiket, omdat het 'hulpmiddelen' zijn. Producten die het bereidingsproces versnellen of verbeteren, worden beschouwd als technologische hulpmiddelen en zijn vrijgesteld van vermelding op het etiket. Een voorbeeld daarvan is ascorbinezuur (E300), dat deeg verbetert zodat het bakken van brood sneller gaat, maar dat geen 'nut' meer heeft in het uiteindelijke brood. Ook zogenaamde 'carry-over' additieven, die werden toegevoegd aan een bepaald ingrediënt van het eindproduct, maar niet aan het eindproduct zelf, mogen achterwege gelaten worden. Voorbeelden daarvan zijn anti-klontermiddel in zout of conserveermiddel in gebruikte kleurstoffen.Genoeg van de algemene wetgeving? Deze soorten additieven kan je aantreffen in verwerkte voeding:Hoewel het lang niet de enige zijn, denken heel wat mensen bij het horen van 'E-nummers' spontaan aan kleurstoffen. Het lijken ook de meest nutteloze additieven: terwijl bijvoorbeeld bewaarmiddelen de houdbaarheid en voedselveiligheid vergroten, dienen kleurstoffen enkel om een product er aantrekkelijker te laten uitzien dan het eigenlijk is, of is geworden door de industriële bereiding. In de Europese Unie zijn er veertig kleurstoffen goedgekeurd voor gebruik. Deze namen wil je misschien wel kennen:Karamel (E150a - E150d): de wereldwijd meest gebruikte kleurstof. Hoe lekker het ook klinkt, deze karamel (en alkali-sulfietkaramel, ammoniakkaramel en sulfietammoniakkaramel) heeft weinig te maken met het snoepje. Je vindt ze onder meer terug op het etiket van bieren, cola, gedroogd fruit, en sauzen, of in de strepen op bijvoorbeeld 'gegrilde' panini's. AZO-kleurstoffen: Een studie linkte deze groep kunstmatige kunststoffen onlangs aan hyperactiviteit bij kinderen, waardoor verschillende (Europese) landen gebruik al verboden. In België is de stof toegelaten, maar verschillende supermarkten stopten wel al met de verkoop van producten die ze bevatten. Er zijn rode en gele AZO-kleurstoffen, maar ook bruine of zwarte. Je vindt deze stoffen onder meer in frisdranken, alcoholische dranken, kaaskorsten, snoep, koek en gebak, zuivelproducten, ijsjes en sauzen. Het gaat specifiek om E102, E110, E122, E123, E124, E129, E151, E155 en E180. Producten met deze additieven vermelden vaak wel een waarschuwing. Niet geschikt voor vegetariërs: sommige kleurstoffen worden gewonnen uit dierlijke producten. Zo zijn er de oranje kleurstof E161g (of canthaxanthine) en de rode kleurstof E120 (cochenille-extract, karmijnzuur of karmijn). Die eerste wordt gewonnen uit veren van vogels, de tweede uit schildluizen. E161g wordt onder andere gebruikt om kweekzalm een 'wildere' kleur te geven, E120 in producten als yoghurt, snoep en fruitdranken. Voeding langer houdbaar maken is economisch interessant, zowel voor de producent als voor de verkopers. Rekende men vroeger vooral op de natuurlijk conservatieve krachten van bepaalde ingrediënten (denk maar aan de suiker in peperkoek, gezouten vis of rillettes onder het vet), zijn dat vandaag vaker kunstmatige stoffen. Natriumbenzoaat (E211): Hoewel frisdrankproducenten het steeds vaker vervangen, wordt dit goedje er wel nog regelmatig in gebruikt om de groei van bacteriën en schimmels tegen te gaan. Toch is bekend dat de stof door een natuurlijke reactie met vitamine C benzeen vormt, waarvan geweten is dat het kankerverwekkend is. De WHO oordeelde in 2000 dat het middel veilig is voor consumptie, maar zei er wel bij dat er weinig wetenschappelijk onderzoek beschikbaar was. Zwaveldioxide (E220): een van de meest gebruikte additieven in wijnen, hoewel de giftigheid vaststaat. Het verlengt de houdbaarheid. De etiketten van wijnen hoeven additieven niet te vermelden en E220 is ook in België toegelaten. De stof vermijden kan door goede wijnen te kopen van betrouwbare huizen. Enkel wanneer de wijn meer dan tien milligram sulfiet per liter bevat, is een vermelding 'bevat sulfieten' verplicht. Eigenlijk zijn dit twee aparte groepen, maar de toevoeging van beiden heeft wel hetzelfde effect: ze verlengen de houdbaarheid van een product. Bij voedingszuren gaat dat door de zuurtegraad van een product te verhogen. (Om dat concreet te maken, hoef je maar te denken aan die paar druppels citroensap op een gesneden appel.) Antioxidanten worden voornamelijk gebruikt om het ranzig worden van vetten tegen te gaan. Citroenzuur (E330): het meest gebruikte voedingszuur van Europa is niet te verwarren met simpel citroensap, want citroenzuur kan ook gewonnen worden uit kiwi's en ananassen of zelfs maïs en tarwe, als bijproduct in de productie van suiker. Het wordt verwerkt in allerlei voeding, gaande van frisdranken en confituren tot koekjes en zelfs kroketten. Ascorbinezuur (E300): staat beter bekend als vitamine C. De vitamine voorkwam vroeger scheurbuik (de naam ascorbinezuur is afgeleid van 'scorbutus', wat ons dan weer de term 'scheurbuik' opleverde) en helpt vandaag levensmiddelen er langer goed uit te laten zien. Niks mis mee, maar je kan je wel afvragen of een fabrikant die op de verpakking pocht met toevoeging van vitamine C, dat deed voor jouw gezondheid of om zijn product beter te verkopen. Voedingszuur, bewaarmiddelen, kleurstof: tot nu toe begreep je nog wel waarvoor welke stoffen gebruikt werden. Dat is bij deze groep misschien iets minder het geval. In het algemeen worden ze toegevoegd om de textuur van een product te verbeteren, bijvoorbeeld wanneer producten als water en olie gemengd worden. Om te voorkomen dat het product zou schiften, worden dan bepaalde stoffen toegevoegd. Glycerol (E422): in de voedingsindustrie wordt glycerol gebruikt als oplosmiddel of zoetmaker, in andere industrieën als antivries of weekmaker van kunststoffen. Niet geschikt voor vegetariërs: deze groep bevat erg veel E-nummers die werden gewonnen uit vet. De basis kán plantaardig vet zijn, maar het kan ook dat het additief gewonnen werd uit dierlijk vet. Producenten hoeven dit niet te specifiëren op de verpakking, dus als je op zeker wil spelen, zoek je een E-nummer tussen 400 en 495 best op of zoek je op de verpakking naar een 'geschikt voor vegetariërs'-stempel. Een lijst met alle niet-vegetarische E-nummers vind je hier. 'Veilig' zijn bijvoorbeeld johannesbroodpitmeel (E410) en Arabische gom (E414).Zuurteregelaars worden toegevoegd aan producten om de zuurtegraad onder controle te houden, opmerkelijk genoeg vaak in producten waarbij ook voedingszuren werden gevoegd. Antiklontermiddelen zorgen ervoor dat een product in poedervorm niet samenklontert en rijsmiddelen worden toegevoegd aan gebak, vaak om de wachttijd voor het bakken te verkorten. Talk (E553b): dit poeder ken je vooral van op de babyverzorgingstafel, maar ook in voedsel komt hij soms voor door zijn waterafstotende eigenschappen. Deze additieven versterken de al aanwezige smaak in een product, al kunnen ze ook worden aangewend om een vreemde smaak te maskeren. Deze stoffen zijn een deel van de verklaring waarom je een zak chips in één keer naar binnen kan werken: ze geven meer zin in het eten. Smaakversterkers kennen erg veel synoniemen, waardoor je niet altijd beseft dat je ze eet. Glutamaat additieven (E600 - E625): deze groep stoffen met uitgesproken smaak ken je wellicht ken je beter als 'umami'. Het geeft producten de hartige smaak van stoofpotjes die urenlang de tijd kregen om te sudderen (wat in de industrie niet gebeurt). De veiligheid van de stoffen wordt in twijfel getrokken en Europe hanteert een strikte maximumgrens.Glansmiddelen geven zoals de naam al zegt een glanzend laagje aan producten, zoals snoep. Antischuimmiddelen worden gebruikt in producten als confituur, vruchtensappen en soepen. Schellak (E904): dit materiaal, geproduceerd door een Indische soort luizen, ken je van het waslaagje dat op citroenen gespoten wordt. Niet geschikt voor veganisten dus.Witter meel of meel betere bakeigenschappen geven: dat is het doel van meelverbeteraars. In België zijn er maar twee soorten toegelaten, maar in andere landen tref je misschien nog wel E925 aan in brood. Ook wel bekend als chloor. Je ooit al afgevraagd hoe het komt dat er in juli nog steeds krakend verse appels in de winkelrekken liggen? Dat komt door de zogenaamde verpakkingsgassen. Het fruit wordt bewaard in containers waarin stikstof, helium, waterstof of andere gassen worden gepompt. Ook butaan, isobutaan en propaan - die elke kampeerder wel kent - worden gebruikt. Ook andere producten kunnen zo langer bewaard worden. Dan staat op de verpakking vermeld 'verpakt onder beschermende atmosfeer'. Zoetstoffen geven een product wel een zoetere smaak, maar niet de calorische waarden - in tegenstelling tot suiker. Je vindt ze vooral terug in light-producten, maar ook in andere producten kan je ze aantreffen: zo halen producenten het aantal calorieën in hun producten snel omlaag. Hoewel ze geen energie bevatten, worden deze stoffen toch gelinkt aan gewichtstoename. Aspartaam (E951): de bekendste zoetstof en bijna de enige die geen bittere of metaalachtige nasmaak heeft. De zoetkracht is zo hoog dat er erg weinig van nodig is om een product aan te zoeten. Kan op verpakkingen ook vermeld worden onder de handelsnaam 'nutrasweet'. In deze groep vind je allerlei gemodificeerde zetmelen (zoals dextrine E1400, ter bevordering van de knapperigheid) terug. Andere E-nummers omvatten een enzym als invertase (E1103), dat voorkomt in biergist. Nog andere (zoals E1202) duiden op een bindmiddel of stabilisator. Je merkt het: dit is de restgroep. Geur- en smaakstoffen zijn volgens de Europese wetgeving geen additieven, maar ingrediënten. Daarom hebben ze geen E-nummer.Als je regelmatig in je eigen keuken staat, weet je dat iets als een spaghettisaus zijn smaak krijgt door lang te pruttelen. Die tijd is er echter niet in een industrieel proces, waar eerder snelle mengelingen worden gemaakt van tomatensaus, gesneden diepvriesgroenten en iets wat lijkt op gehakt. Om dat enigszins op smaak te brengen, zijn geur- en smaakstoffen nodig. 'Natuurlijk' is uiteraard niet altijd synoniem voor 'beter', maar in industriële voeding loert misleiding toch algauw om de hoek. Denk maar aan al die vruchtenyoghurts waar amper echte vruchten in zitten. Veel vaker werden die op smaak (en op kleur) gebracht met behulp van kunstmatige producten. Voor de producent pakken goedkoper dan echt fruit, en veel praktischer om mee te werken in de fabriek. 'Extract' of 'aroma': staat een van deze woorden op de verpakking? Dan kan je ervan uitgaan dat je met een in een lab gecreëerde versie te maken hebt van een natuurlijke smaak. 'Vanillearoma' duidt bijvoorbeeld vaak op het gebruik van het veel goedkopere vanilline. Deze stoffen hebben geen of amper smaak. Hun enige functie bestaat eruit te zorgen voor volume. Producten die dit bevatten, bevatten dus eigenlijk letterlijk vulsel.Maltodextrine: een licht zoet smakend afbraakproduct van zetmeel. Het poeder wordt als vulmiddel gebruikt bij bijvoorbeeld stevia in poedervorm. In die toepassing neemt het ook wat van de bitterheid van stevia weg. Zout: de meest gebruikte smaakversterker, die ook conserverende eigenschappen heeft.Suikers: lactose, maltose, glucose, fructose,..: allemaal minder bekende termen om 'suiker' niet op het etiket te hoeven vermelden. Dit zijn allemaal suikers, gewonnen uit verschillende bronnen. Fructose is daarbij ook een zachtmaker, die je geregeld aantreft op roomijs: zo is het sneller schepbaar. Melkpoeder: tref je vaak aan in bijvoorbeeld sauzen of koekjes. De ingedroogde variant van koemelk.Ei: als er 'eieren' op de verpakking staat, wil dat niet noodzakelijk zeggen dat er hele eieren in het product verwerkt zitten. Er bestaat bijvoorbeeld ook eipoeder, eiwitpoeder en eigeelpoeder.