Als je niks durft, eindig je met het middelmatige interieur dat iedereen heeft. Echt misgaan kan het niet, een nieuw laagje verf of behang lost alles op.' Edwin van Trijp vuurt meteen zijn woonfilosofie op ons af. We hadden het al een beetje kunnen raden. Want we ploften net neer in een smaragdgroene fauteuil die tegen een frambozenrode muur staat. En op weg naar de living passeerden we zwart met goud gestreept behang en koffie krijgen we uit kleurige kopjes met gouden lepeltjes. 'Ik heb uiteenlopende smaken en dat zie je ook aan mijn interieur. Ik vind nu eenmaal dat een huis je moet passen als een maatpak', aldus Van Trijp.
...

Als je niks durft, eindig je met het middelmatige interieur dat iedereen heeft. Echt misgaan kan het niet, een nieuw laagje verf of behang lost alles op.' Edwin van Trijp vuurt meteen zijn woonfilosofie op ons af. We hadden het al een beetje kunnen raden. Want we ploften net neer in een smaragdgroene fauteuil die tegen een frambozenrode muur staat. En op weg naar de living passeerden we zwart met goud gestreept behang en koffie krijgen we uit kleurige kopjes met gouden lepeltjes. 'Ik heb uiteenlopende smaken en dat zie je ook aan mijn interieur. Ik vind nu eenmaal dat een huis je moet passen als een maatpak', aldus Van Trijp. Voor dat 'kostuum' als gegoten zat, moest er wel wat verbouwd worden. Edwin is pas de vierde bewoner en gelukkig gingen zijn voorgangers behoorlijk respectvol met het pand om. Lees: er waren nog veel originele elementen, zoals gietijzeren radiatoren, marmeren schouwen, plafonds met moulures, visgraatparket, faiences en een gesculpteerde houten trap. 'Het huis dateert van 1930. Ik was er meteen verliefd op. Het interbellum is een van mijn lievelingsperiodes in de kunst- en architectuurgeschiedenis. Tijdens de renovaties wilde ik dan ook zo veel mogelijk die jaren dertig terugbrengen, maar wel met hedendaags comfort. De badkamers bijvoorbeeld zijn volledig nieuw, maar stralen wel de interbellumsfeer uit', legt van Trijp uit terwijl hij ons door het huis loodst. 'Hetzelfde geldt voor de boekenkasten rond de haard en de radiatormantels. In één kamer liet ik nieuw parket leggen met het originele motief. Ook de ramen verving ik naar het authentieke model. Kortom: ik probeerde het ambacht van toen terug te brengen. Dat trok ik door tot in de kleinste details. Zo verving ik alle deurklinken door een typisch jarendertigmodel en wilde ik gouden lichtschakelaars. Stad en land zocht ik af, tot ik ze vond bij CJC in Roeselare.' Als je hier binnenstapt, lijkt het alsof het huis er altijd zo heeft uitgezien. Dat is dus een illusie. Zelfs de monumentale glazen deur in de eetkamer blijkt een uitvinding van Edwin zelf. Omdat die ruimte zo donker was, besloot hij de wand met de hal open te breken en zo meer licht binnen te trekken. Voor de opening kopieerde Edwins broer, die schrijnwerker is, de grote driedelige glazen deur in de woonkamer. Hoe minutieus de Gentse kunsthistoricus de jarendertigsfeer ook respecteerde, hij wil die ook doorbreken. Hij mixt bewust hedendaags design met antieke meubelen en vintage stukken, zowel dure verzamelitems als goedkope tweedehandstrouvailles. Daar voegt hij ook veel kunst aan toe, oude werken én hedendaagse creaties. 'Ik hou van het interbellum, maar ik wil niet in een stijlkamer wonen. Door met contrasten te werken, blijft het spannend. Daarom hou ik ook van sterke kleuren. Die maken je interieur fris, verrassend en hedendaags.' Het huis van Edwin van Trijp staat in het zogenaamde Gentse Miljoenenkwartier, niet ver van het Sint-Pietersstation. Op die plek werd in 1913 de Wereldtentoonstelling georganiseerd. De site lag jarenlang braak tot het stadsbestuur besloot om te verkavelen. Het werd de chicste wijk van de stad. Tussen 1927 en 1939 kwamen gegoede burgers hier hun villa bouwen. Van Trijp: 'Deze wijk biedt echt een staalkaart van de interbellumarchitectuur. Veel mensen associëren die periode met de rijke art deco, maar er was ook het modernisme à la Bauhaus. Bovendien bleven ook heel traditionele bouwstijlen en vogue, zoals het neoclassicisme en de cottagestijl. Hier in de wijk kun je goed zien hoe eclectisch die periode was. Elk huis is anders. Er is maar één rode draad: alle huizen hebben een verplichte voortuin, inclusief smeedijzeren hek.' Het huis van Edwin van Trijp was zeker niet revolutionair toen het in 1930 werd gebouwd. Met een baksteengevel, klassiek onderverdeelde ramen en moulureplafonds was het behoorlijk klassiek. Maar de materialen en technieken waren wél modern. Zo werd er gewapend beton gebruikt. Verscheidene slaapkamers hadden een eigen badkamer, er was centrale verwarming en het huis kreeg een inpandige garage. Heel bijzonder, want in de jaren dertig bezat slechts één op de twintig Belgen een auto.