Enzo Mari is 78 (op het moment van het interview, dat werd afgenomen in 2010, red.). Maar de Italiaanse designer staat meer dan ooit in de belangstelling. Zijn Sedia 1, een doe-het-zelfstoel die oorspronkelijk van 1974 dateert, was met voorsprong het radicaalste meubel op de beurs van Milaan in april. De jongste generatie designers en critici hangt aan zijn lippen. Omdat de ontwerper nu eenmaal een éminence grise is. Maar ook omdat hij altijd, zonder blad voor de mond, zijn gedacht zegt.
...

Enzo Mari is 78 (op het moment van het interview, dat werd afgenomen in 2010, red.). Maar de Italiaanse designer staat meer dan ooit in de belangstelling. Zijn Sedia 1, een doe-het-zelfstoel die oorspronkelijk van 1974 dateert, was met voorsprong het radicaalste meubel op de beurs van Milaan in april. De jongste generatie designers en critici hangt aan zijn lippen. Omdat de ontwerper nu eenmaal een éminence grise is. Maar ook omdat hij altijd, zonder blad voor de mond, zijn gedacht zegt. Hij is opvallend groot, houdt zich kaarsrecht: een elegante, strenge verschijning. Hij draagt een baard die gemakkelijk kan concurreren met die van Fidel Castro. Mari heeft nog meer gemeen met de oude Cubaanse leider, zoals een onwrikbaar geloof in het revolutionaire gedachtegoed. En verder: een onverbeten passie voor eindeloze monologen. Ons gesprek, dat grotendeels in het Frans verloopt, maar gedeeltelijk ook in het Italiaans, duurt meer dan drie uur. Hij is 'een communist in de geest'. Hij vertelt dat hij nooit lid is geweest van de communistische partij, maar dat hij zich dus wel schaart achter de beginselen van de linkse leer. In de gang van zijn atelier hangt een (ietwat stoffig) bas-reliëf voorstellende sikkel en hamer. 'Religie is ons grote probleem. Voor zieke mensen, voor mensen die een verschrikkelijk leven achter de rug hebben, biedt de godsdienst een zeker comfort. Maar in essentie is godsdienst toch vooral iets kwaadaardigs. Dat spreekt, volgens mij, vanzelf.' Mari is zeker niet de beroemdste designer van zijn generatie. Hij is nooit bijzonder productief geweest. Hij is meer een querulant dan een ontwerper. Die praten in feite belangrijker vindt dan voorwerpen maken. Hij vindt dat vaak een efficiëntere manier om zijn boodschap over te brengen. Mari noemt zichzelf trouwens liever geen designer. Hij houdt niet van het woord, ziet zichzelf eerder als een progetista, iemand die projecten uitvoert. Mari geeft nog regelmatig lezingen. Die zijn vaak brutaal, soms agressief. De man maakt zich dikwijls boos. Dat is geen spel: hij is dan écht kwaad. Maar zijn oratorisch vuurwerk is enigszins voorspelbaar. Iedereen verwacht het, en daardoor mist het effect. Als Mari ons tien minuten in het gesprek in de oren blaft dat ECHT ALLES STRONT IS, zijn we dan ook niet verbaasd. Dito wanneer hij zijn favoriete boutade uitspuwt: 'Design is dood.' Hij was eerst kunstenaar. Schilder, beeldhouwer, decorontwerper. 'Ik had een gezin, twee kinderen, een kleine woning. Ik maakte in mijn vrije tijd speelgoed voor mijn kinderen. Ik was benieuwd hoe ze zouden reageren.' Op een dag ontwierp hij een houten puzzel waarvan elk stuk een ander dier voorstelde. 'Bruno Danese, die op dat moment een ceramiekfabriek had, kwam langs in mijn studio. Hij stelde voor om de puzzel in productie te brengen.' Als designer kon Enzo Mari zijn gezin onderhouden. Hij ontwierp voor Alessi, Magis, Zanotta. In 1974 bedacht hij zijn Proposta per un'Autoprogettazione, een reeks ideeën voor doe-het-zelf-meubels. Wie hem een voorgefrankeerde omslag stuurde, kreeg de handleiding toegestuurd. Hij ontving, naar verluidt, verschillende duizenden aanvragen. 'Het was', zegt hij, 'een soort oefening.' De Sedia 1, dit jaar heruitgebracht door het Finse bedrijf Artek, maakte destijds deel uit van de reeks. Een mooi eerbetoon, van een eerbiedwaardig bedrijf. Maar toch wringt er iets. Proposta per un'Autoprogettazione was destijds een militante geste: door de mensen zelf hun meubels te laten maken, gaf Mari een stamp tegen de schenen van de consumptiemaatschappij. De consumptiemaatschappij heeft uiteindelijk gewonnen, Mari's grote mond ten spijt. Ach wat, 'ook destijds snapte bijna niemand wat ik precies bedoelde'. In 1974 werd hij al ruimschoots geprezen voor de rustieke allure van zijn planken meubels, en ook in 2010 zegeviert de vorm over de inhoud, over wat hij eigenlijk bedoeld heeft. Mari's ascetische esthetiek (planken en spijkers, meer niet) functioneert perfect in de tegenwoordige tijd. 'Ik ben er tevreden mee', zegt hij over de samenwerking met Artek. Mari heeft de voorbije jaren ook gewerkt voor Muji, de Japanse lowcostspecialist. Die samenwerking verliep, achteraf beschouwd, moeilijk. 'Om goedkope producten te kunnen aanbieden, heb je slaven nodig, en de wereld gaat daaraan kapot.' 'Ik heb veel geleerd', zegt Mari, terwijl hij op zijn gemak een peer schilt. In zijn donkere, stille werkkamer evoceert hij de val van het IJzeren Gordijn. Hij heeft het over het belang van ideologieën, over de relativiteit van vrijheid: 'We zijn kinderen van de Franse Revolutie. Liberté, égalité, fraternité. Vrijheid is een utopie, en ik geloof ook niet in broederlijkheid. Maar gelijkheid vind ik wel een mooi woord. Omdat het op principes is gestoeld, en niet op een utopie. Je kunt gelijkheid in een wet vertalen. Op zich bestaat gelijkheid niet, maar er zijn wel wetten die bepalen dat vrouwen dezelfde rechten moeten krijgen als mannen, dat discriminatie strafbaar is, en zo verder. Wat vrijheid is, kun je niet in een wet vastleggen, en daarom houd ik niet van dat woord. Vrijheid, dat is het recht om te doen wat ik wil. De anderen, dat zijn mijn slaven. De sterkste wint. De maffia redeneert precies zo.' Designers, maar ook kunstenaars en architecten, moeten zich volgens Mari in eerste instantie bekommeren om kwaliteit. Ethiek is belangrijk, creativiteit minder. Hij bekommert zich überhaupt meer om de fabrieksarbeiders die zijn spullen maken dan om de consumenten voor wie ze uiteindelijk bedoeld zijn. 'Het werk van ontwerpers is vandaag te vaak persoonlijk, het is niet bedoeld voor de mensen. En daardoor is dat werk banaal. Het is art pompier.' Mari is, denkt hij, de laatste mens in een wereld van cyborgs. 'Ik ben misschien niet de enige overlevende. Er zijn voorts nog wat boeren en arbeiders. Maar in mijn beroepscategorie ben ik welhaast zeker de laatste mens. In de hele wereld zijn we nog met pakweg zeshonderd. Enfin, misschien iets meer. Maar ik ken die andere mensen niet : ze wonen ver weg, en daarom is het onmogelijk om onze krachten te bundelen. Het is sowieso gemakkelijker om te praten met eenvoudige mensen. Designers en intellectuelen doen alleen maar alsof. Ze doen alsof ze oplossingen hebben, en die hebben ze niet.' Hij vindt het globalisme rampzalig, maar erkent dat er geen weg terug is. Daarvoor is het nu te laat. 'Over enkele jaren zijn we met tien, vijftien miljard mensen op aarde. We zijn zelf de kanker van onze planeet. De aarde sterft. We moeten ons afvragen of we het einde van de eenentwintigste eeuw nog halen. We moeten dringend praten. We moeten het industrieel systeem vernietigen. We moeten ons gedragen als soldaten.' Enzo Mari briest. 'Verandering is mogelijk. Kijk naar de dokters die oplossingen hebben gezocht en gevonden voor ongeneeslijke ziektes. Dertig jaar geleden ging je gegarandeerd dood aan kanker, nu niet meer. Twintig jaar geleden was aids een doodsvonnis, nu niet meer. Onze planeet heeft kanker. Ontwerpers zouden moeten zoeken naar oplossingen, naar geneesmiddelen voor de planeet. Maar dat doen ze niet. Designers spreken graag over ecologie, over duurzaamheid, over ergonomie. Maar eigenlijk willen ze allemaal hetzelfde: nog meer voorwerpen produceren.' En over technologie: 'We moeten beseffen dat technologie op zich niets oplost. Dat wordt moeilijk, want de meeste mensen zijn dom. Technologie heeft geen intrinsieke waarde. Technologie is niet meer dan een instrument, zoals een hamer dat is.' Er volgt een historische observatie over de Sixtijnse kapel in Rome. Samengevat: 'Michelangelo heeft tien jaar gewerkt aan die kapel. Tegenwoordig hebben ontwerpers geen tijd meer. Ze kijken liever naar Big Brother op televisie.' Was het vroeger beter ? Uiteindelijk wel. 'De meubelfabrieken waren kleiner, je kon met iedereen praten, van de bedrijfsleiders tot de arbeiders. De directeur van Danese zei altijd: maak je geen zorgen, we vinden voor alles samen een oplossing. Dat is tegenwoordig niet meer mogelijk, of het is in elk geval bijzonder gecompliceerd worden. En uiteindelijk is iedereen alleen nog geïnteresseerd in art pompier.' Want kitsch brengt op. Wat met politiek heeft te maken. 'In de jaren zestig had Europa pas komaf gemaakt met het fascisme. Iedereen was links. Er waren nog goede politici, goede designers. Niet allemaal, dat niet. Maar je kon eerlijk je werk doen, streven naar kwaliteit. Nu denkt iedereen alleen aan mode, aan trends.' Hij noemt zichzelf een tevreden man. 'Ik heb geen Ferrari, ik ben bijna arm. Ik ontmoet veel mensen, en ik krijg vaak goede reacties op mijn werk. Dat volstaat.' Waarom is hij eigenlijk zo'n enorme pessimist? 'Ik ben een optimist! Dat zult u begrijpen als u een beetje nadenkt. Alle mensen zijn in wezen gelijk: ze hebben in hun hoofd dezelfde capaciteit. Maar ze zijn vaak verward. De barbaren zijn overal. Ik ben ervan overtuigd dat mensen kunnen veranderen. Ze willen het alleen niet. En als ik mijn mond niet opendoe, wie dan wel? Als ik een pessimist was, dan zweeg ik.' Neen zeggen is belangrijk voor Mari. Zoals de grote filosofen, die volgens Mari de essentie van hun leer uitleggen in drie of vier pagina's. 'In de overblijvende duizend bladzijden schrijven ze gewoonlijk niets anders dan neen, neen, neen.' Hij verwijst naar het werk van een componist als Johan Sebastian Bach, een schrijver als Georges Perec. In hun werk is spaarzaamheid troef. Het gaat hen om de essentie. Of, in de woorden van Mari: 'Om het elimineren van de bêtises van de wereld.' Zijn rebelse attitude heeft een zeker punkgehalte. Toen The New York Times hem enkele jaren geleden vroeg welke aspecten van het hedendaagse leven zijn goedkeuring wegdragen, antwoordde Mari: 'Brood en terrorisme.' Want terrorisme, betoogde hij, zorgt voor verandering, en verandering is goed. Mari is ongetwijfeld een nihilist: 'Hoop en verlangen zijn mooie begrippen, maar wat ben je er uiteindelijk mee?' Maar een anarchist, dat niet. Hij gelooft in regels. Die zijn belangrijker dan creativiteit. Creativiteit is overroepen. Design, vindt hij, was ooit het resultaat van een gemeenschappelijke grammatica, maar tegenwoordig vindt iedereen gewoon zijn eigen taal uit. Zulke ijdelzucht leidt dus nergens naar. Het wordt laat, zijn medewerkers zijn al vertrokken. In Mari's atelier hangt een zware stilte, die alleen wordt onderbroken door zijn somber discours (Italiaanse architectuur, de Palestijnse kwestie, de nazi's, de maffia). We krijgen een snelle rondleiding van zijn kantoren, voorbij de artefacten van een vol leven (de studio is een museum). En dan is het genoeg geweest. Lichten uit, deur op slot. Mari neemt de smalle, rammelende lift naar beneden. Hij steekt een sigaar op, zucht, haalt nog eens zijn schouders op, en verdwijnt dan in de massa.