Ruimte is macht. Zoveel had Frans filosoof en denker Michel Foucault vorige eeuw al begrepen. Alleen zag hij dit vanuit zijn mannelijke perspectief en laat net dat vandaag nog steeds een probleem zijn in ons ruimtelijk ontwerp: 'Onze omgeving herhaalt bestaande genderrollen niet alleen, maar versterkt ze ook', zegt de Belgische architecte Apolline Vranken. 'De manier waarop onze woningen, straten en steden gebouwd zijn, bepaalt hoe we ons door die ruimte bewegen. Wie één blik werpt op de verdeling van budgetten en ruimte voor vrijetijdsbesteding, ziet de wanverhouding meteen: hoeveel meer voetbalterreinen of fitnessparken hebben we nodig? Omdat onze publieke ruimte door mannen ontworpen wordt, is ze ook voor mannen gemaakt.'
...

Ruimte is macht. Zoveel had Frans filosoof en denker Michel Foucault vorige eeuw al begrepen. Alleen zag hij dit vanuit zijn mannelijke perspectief en laat net dat vandaag nog steeds een probleem zijn in ons ruimtelijk ontwerp: 'Onze omgeving herhaalt bestaande genderrollen niet alleen, maar versterkt ze ook', zegt de Belgische architecte Apolline Vranken. 'De manier waarop onze woningen, straten en steden gebouwd zijn, bepaalt hoe we ons door die ruimte bewegen. Wie één blik werpt op de verdeling van budgetten en ruimte voor vrijetijdsbesteding, ziet de wanverhouding meteen: hoeveel meer voetbalterreinen of fitnessparken hebben we nodig? Omdat onze publieke ruimte door mannen ontworpen wordt, is ze ook voor mannen gemaakt.' Hoewel er in architectuuropleidingen in de loop der jaren een genderpariteit is bereikt, is gelijkheid in de architectuurpraktijk nog veraf: slechts een derde van de Belgische architecten is vrouw. 'Vrouwelijke architecten stuiten op een glazen plafond. Beschermde beroepen, de werklast en andere socio-economische factoren leiden tot een vlucht van vrouwen uit wat we traditioneel onder architectuur verstaan', legt Vranken uit. Zelf studeerde ze af aan de faculteit Architectuur La Cambre Horta van de ULB, waar ze lid was van de 'cercle féministe'. Haar research naar feministische architectuur werd gepubliceerd en bekroond door de Brusselse feministische vereniging Université des Femmes. Als wetenschappelijk onderzoeker aan de universiteit wil ze aantonen dat vrouwen wel degelijk aan de stad meebouwen. 'Ze komen vaak terecht bij de overheid, in het onderwijs of de culturele sector. We moeten het idee loslaten dat alleen de klassieke architect de ruimte maakt.' Als zoveel vrouwen buiten onze traditionele visie om toch mee onze openbare ruimte vormen, waarom is die dan nog steeds overwegend gericht op mannen? 'De top, waar de besluitvorming gebeurt, blijft een mannenbastion. Omdat die posities ook heel zichtbaar zijn, zullen we sneller mannen associëren met grootse architectuur. Een fenomeen dat niet alleen mogelijk gemaakt wordt door structurele ongelijkheid, maar dat zichzelf ook versterkt. Mannen staan in de kijker met de mooiste projecten, expo's en publicaties. Vrouwen blijven systematisch onzichtbaar en zo blijft het stil rond hun behoeften', verklaart Vranken. 'Al is de oplossing complexer dan louter die posities in te vullen met vrouwen. Vrouwen ontwerpen niet noodzakelijk voor vrouwen. Veel architectes delen dezelfde male gaze.' De zichtbaarheid van de vrouw is afhankelijk van een mannelijke lens. Of zoals John Berger het uitlegt in zijn boek Ways of Seeing: vrouwen worden geboren in een ruimte die door mannen gecontroleerd wordt en daar vloeit hun sociale zichtbaarheid uit voort. De male gaze betekent niet alleen dat vrouwen door mannen worden bekeken, ook vrouwen kijken naar zichzelf door de ogen van de man, want vaak hebben ze de mannelijke perceptie geïnternaliseerd. 'Daarom spreek ik altijd van zowel een praktische als van een strategische aanpak', zegt Vranken. 'Het gaat niet alleen om wijzigingen aan de ruimte en om meer vrouwen op de juiste plaatsen, maar ook om een mentaliteitswijziging, een verschuiving naar een female gaze.' Het toenemende gebruik van artificiële intelligentie (AI) mag dan wel ontwerpprocessen vergemakkelijken, het maakt de intrede van een female gaze een stuk lastiger. AI heeft namelijk geen gendervrije blik, net omdat ze van ons taalgebruik en dus onze stereotiepe associaties leert: een roze fluwelen bank leest als vrouwelijk, een vierkante marmeren tafel als mannelijk. Zo incorporeert AI dezelfde male gaze die alweer het ontwerpproces beïnvloedt. In een poging tot het doorbreken van deze vicieuze cirkel ontwikkelde de Londense architecte Hannah Rozenberg enkele jaren geleden een tool om de gender bias van designtermen te berekenen. Door typisch mannelijke en vrouwelijke elementen te combineren en uit te balanceren, wilde ze ruimtes ontwerpen die door AI als genderneutraal gelezen kunnen worden. 'Maar wat is neutraal en wie bepaalt dat? Uit ervaring weet ik dat de definitie doorgaans mannelijk is. Zo'n aanpak is als dweilen met de kraan open. Het aanvaardt eigenlijk bestaande genderstereotypen en herhaalt ze. Gendergelijkheid bereik je niet door gewoon evenveel mannelijke als vrouwelijke elementen te betrekken. Ik geloof niet dat een gemiddelde nemen ons gaat redden', aldus Vranken, die zich liever van zulke ontwikkelingen distantieert. 'Waar is de menselijke hand in het maken van onze ruimte? Dat is net waarnaar ik streef. Feministische architectuur ijvert om alle minderheden te integreren: mensen met een diverse achtergrond of uit de LGBTQIA+-gemeenschap, kinderen en ouderen, daklozen... Slechts weinig mensen hebben momenteel écht recht op de stad.' 'In een ideale wereld komt de stad tegemoet aan de behoeften van álle mensen,' gaat Vranken verder, 'maar er is nog een lange weg te gaan. Vandaag spreken we nog steeds over de specifieke behoeften van vrouwen omdat de noodzakelijke mentaliteitswijziging nog niet heeft plaatsgevonden. Het zijn nog steeds vooral de vrouwen die de huishoudelijke en zorgende taken dragen. Daardoor zijn mannen zich doorgaans niet helemaal bewust van de moeilijkheden die daarmee gepaard gaan. Nieuwe mobiliteitsplannen die zich richten op fietsers houden geen rekening met moeders die per auto van crèche naar supermarkt naar kantoor moeten hollen. De wasmachine is meestal weggestopt in de kelder. Als we spreken over de gelijkheid tussen man en vrouw, moeten we ook spreken over de vervaging van de grenzen tussen de privé- en publieke ruimte. De privéruimte wordt afgeschermd van de publieke. De vrouw en haar werk worden aan het zicht onttrokken, terwijl de openbare ruimte waar de man regeert geassocieerd wordt met productiviteit. Dat moeten we opentrekken.' Volgens Vranken zijn er drie belangrijke stappen die kunnen helpen om zowel onze steden als onze mindset te verruimen. 'Eerst en vooral moeten we stoppen met raamloze gelijkvloerse verdiepingen te ontwerpen. Die sluiten de stereotiep vrouwelijke privéruimte van de stereotiep mannelijke openbare af terwijl we die twee net moeten verbinden', legt ze uit. 'Daarnaast moeten we een diverser aanbod voor vrijetijdsbesteding in de openbare ruimte creëren. Speelpleinen die niet alleen op competitie en typische jongensactiviteiten gericht zijn. Natuurlijk zijn er ook meisjes die voetballen, maar kinderen moeten de keuze krijgen en die is er vandaag niet. Tot slot moeten we onze huiskamers openstellen: de wasmachines uit de kelder halen bijvoorbeeld. Huishoudelijke taken een hogere sociale status gunnen. Zo zie je tegenwoordig steeds meer mannen in de keuken staan, de open keuken is een podium geworden, een plaats waar hard werk zichtbaar is. Die zichtbaarheid en verbinding zijn de bouwstenen van een egalitaire maatschappij.' Het lijken eenvoudige stappen, toch blijft de egalitaire stad uit. 'Er zijn wel ideeën, maar die worden zelden gematerialiseerd: er wordt sowieso al veel in kosten gesnoeid, dus aanbevelingen rond iets eerder abstracts als gender sneuvelen als eerste', legt Vranken uit. 'We kennen de methoden en er zijn voldoende voorbeelden van bewezen praktijken in het buitenland. In Parijs en Wenen buigt een expertencommissie zich over de genderdimensie in de openbare ruimte inclusief sanitaire voorzieningen, vrijetijdsbesteding, straatnamen, openbaar vervoer, erfgoed, huisvesting en meer. Maar hier staat gender nog niet bovenaan op de agenda. Een integratie in het beleid zoals dat met duurzaamheid het geval is, waarbij meerdere experten betrokken worden, zou mooi zijn.' Vranken is een van die weinige experten en dankzij haar belangrijke initiatieven een van de voornaamste aanspreekpunten voor zowat alles wat de openbare ruimte in Brussel betreft. 'Ik werk vaak samen met overheidsorganisaties in Brussel en bij projecten betrek ik zo vaak mogelijk mensen van op de werkvloer. Er zijn in ons land wel enkele voorbeelden van gendergevoelige projecten. Zoals Coeur de Ville in Namen, de eerste stad die de genderdimensie in de bouw van een wijk integreerde', zegt ze. 'Het project werd gesteund door de vzw Garance, die strijdt tegen geweld op vrouwen. Samen met vrouwen uit de buurt werden verschillende verkennende wandelingen georganiseerd om te begrijpen hoe de leefruimte kon worden aangepast aan hun gebruik ervan, aan hun behoeften en verlangens. Daarbij werd met verschillende architectenbureaus samengewerkt en voor het eerst gingen aanbevelingen rond gender verder dan de ontwerpfase, ze werden effectief gematerialiseerd.' Het resultaat was aandacht voor zaken als vloerbekleding op maat van personen op hakken, maar ook in een rolstoel of met een kinderwagen, en er werden openbare toiletten en drinkwaterpunten aangelegd. 'Donkere hoeken die onveilige situaties of gevoelens kunnen oproepen, moesten plaats ruimen voor lichtrijke, directe ingangen tot bijvoorbeeld de hal van de bibliotheek. Zo kun je rekenen op een organische vorm van sociale controle in plaats van beveiligingscamera's', aldus Vranken. Namen lijkt navolging te krijgen in Jette. 'Het 'Duurzaam Wijkcontract Magritte' is er nog in ontwikkeling, maar ook daar is het genderaspect geïntegreerd in de analyse van de wijk. Bij de voorbereidingen werd net als in Namen geluisterd naar stemmen die doorgaans niet gehoord worden. Uit een combinatie van veldwerk, discussiegroepen en workshops en gesprekken met zowel organisaties als het bestuur vloeiden heel wat aanbevelingen voort die voor verschillende actoren interessant kunnen zijn op het vlak van gender. In oktober organiseren we bijvoorbeeld samen met de ERU (Centre d'études et de recherches urbaines, red.) een meerdaagse opleiding voor vrouwelijke en mannelijke arbeiders uit ons veld om de sensibilisering verder door te trekken', zegt Vranken. 'Er zijn dus wel initiatieven mogelijk die gedragen worden door openbare instellingen. Wat Namen heeft bewezen is dat wanneer we vrouwen bij de ruimtelijke ontwikkeling betrekken, het leven van álle bewoners verbetert. De stad heeft als eerste in ons land een mooi voorbeeld gesteld en er beweegt wel wat in de juiste richting. Nu is het hoog tijd dat zulke plannen vaker in steen gebeiteld worden.'