De trip begint in het station van Karawang, mijn thuishaven waar ik elf maanden heb doorgebracht. Ik stap op een veel te warme, gammele trein die sinds jaar en dag niet meer geschilderd is. Deze trein toont het echte beeld van Indonesië en niet dat van overdadige luxe dat vaak geschetst wordt. Indonesië is warm, infrastructureel niet altijd even goed onderhouden, maar wel gezellig en gastvrij.

De eerste halte is Purwakarta. Van hieruit neem je het openbaar vervoer richting Waduk Jatiluhur, een stuwmeer. Het meer staat bekend om zijn gigantische dam, die de omgeving van irrigatie en energie voorziet, en om de zwevende visboerderijen. Met een bootje ben je op twee minuten in het vissersparadijs waar je ook lekkere en extreem verse vis kan eten. Na de maaltijd kan je rondwandelen op de boerderij en van dichtbij ontdekken hoe vissen gekweekt en gevangen worden. Vraag zeker aan een van de boeren of je zelf een vis mag proberen vangen. Ze helpen je met plezier.

In Purwakarta drijven de boerderijen op het water © Reuters

Geur van rotte eieren

De trein brengt ons vervolgens naar Bandung, volgens de Indonesiërs dé plek om een trui aan te doen. Het is er namelijk 'maar' vijfentwintig graden Celsius. Na de treinrit van twee uur komen we aan in de stad der vulkanen. Het centrum is leuk vertoeven, maar vooral druk en de toeterende auto's zijn een verschrikking. Ga liever op zoek naar rustigere plekken buiten de stad, waar je op adem kunt komen. De eerste stop is Kawah Putih, een kratermeer aan de Patuha-vulkaan. Je moet er even voor rijden maar het is absoluut de moeite waard. Kawah Putih is oogverblindend. Het water is groenblauw, de stranden zijn wit en het meer is omringd door bomen en bergen. Het is een paradijs op aarde, minus de geur van rotte eieren. Zet vaart achter het fotomoment, want het is voor je luchtwegen niet zo gezond om er lang te blijven.

Kawah Putih © iStock

Aan de andere kant van de stad ligt er nog een vulkaan, Tangkuban Perahu. Het verschil met Kawah Putih is dat deze nog actief is. Rij helemaal naar de top voor de beste ervaring. De wind blaast hard langs alle kanten en je krijgt er een soort eind van de wereld gevoel. De vulkaan ziet eruit als het perfecte landschap voor een avonturenfilm, waarin mythische figuren tegen elkaar vechten.

Sojasaus

Vanuit Bandung zetten we de reis verder via Purwakarta, richting Cirebon, een kuststadje gekend om zijn gedroogde slangen. Cirebon is kleiner en rustiger dan Bandung. Trek eerst naar het strand, om toch maar eens aan de lijve te ondervinden of er effectief ook goede stranden buiten Bali te vinden zijn. Het is niet het typische witte strand met hemelsblauw water. Kejawanan Beach is authentiek. Langs de kant liggen vissersboten en het water heeft dezelfde kleur als Noordzee. Er hangt een zoete geur van in sojasaus gedrenkte vis. Toeristen komen hier zelden en je kan hier helemaal tot rust komen.

Voor rauwe natuur en prachtige landschappen moet je in het nationale natuurreservaat Gunung Ciremai zijn. Het park omringt de hoogste vulkaan van West-Java. Er zijn verschillende, bijna uitgestorven, fauna en flora te zien en voor (amateur)wandelaars is het een paradijs. Je kan er urenlang door de Indonesische jungle wandelen zonder iemand tegen te komen. Op verschillende plekken kan je even tot rust komen en genieten van het uitzicht. Als het geregend heeft ruikt het er naar nat, vers gemaaid gras.

Cirebon staat bekend om zijn gedroogde slangen. © Reuters

We gaan verder naar Brebes. Twee uur met de auto buiten het centrum ligt Cipicung. Het is een verdoken plek waar weinig toeristen komen. Hier vind je een overvloed aan watervallen en een berglandschap met steile kliffen. Een gids, die je langs alle watervallen leidt, kost ongeveer drie euro - veiligheidsmateriaal zit mee in de prijs. Je kan in dit gebied ook klimmen op steile kliffen en snorkelen in hemelsblauw water tussen tropische vissen. Een Instagramwaardige foto verzekerd.

We gaan door tot Semarang, een grotere stad aan de zee. Een half uurtje buiten de stad vind je de Brown Canyon, een ruw stuk natuur dat wat doet denken aan een mini-versie van de Grand Canyon in de Verenigde Staten. Het is niet gemakkelijk om hier te geraken, want het is nog niet zo heel toeristisch en de weg ernaartoe is hobbelig. Maar het is eens wat anders dan de groene natuur en de blauwe meren. De Brown Canyon zou zo het landschap voor een westernfilm uit de jaren zestig kunnen zijn. Van hieruit trekken we naar de laatste bestemming, Yogyakarta.

Brown Canyon © iStock

Rechtstaand slapen

Yogyakarta staat weliswaar in verschillende toeristische lijstjes maar mag op deze treinreis toch niet ontbreken. In Yogyakarta ligt Borobudur, wat volgens de Indonesiërs op de lijst van wereldwonderen thuishoort. De Boeddhistische tempel, op het grotendeels Islamitisch eiland, is een trekpleister voor toeristen. En terecht. De tempel is geweldig gerestaureerd en als je helemaal naar boven wandelt, heb je een uitgestrekt uitzicht over de omringende natuur. Borobudur is op zijn mooist als de zon opkomt. Zelf niet-gelovige mensen krijgen hier het gevoel dat ze een goddelijke kracht om zich heen voelen.

Yogyakarta is het einde van de treinreis, maar het is toch de moeite om nog even met de auto naar Magelang te gaan. Daar ligt namelijk de grootste militaire academie van het land. Soldaten hebben in Indonesië nog altijd veel aanzien. Het is een onverbiddelijke opleiding waarbij ze onder andere leren om rechtstaand te slapen. Na hun opleiding worden de soldaten naar verschillende uithoeken van het land gestuurd om de bevolking in achterstallige gebieden bij te staan.

Thee is een van de grootste exportproducten van Indonesië. © iStock

Het is niet gemakkelijk om er binnen te geraken als bezoeker, behalve op de proclamatie. Dit is iets wat je gezien moet hebben. Duizenden cadetten voeren een stukje op, tonen hun macht en laten zien dat ze trots zijn om Indonesiër te zijn. En in de wandelgangen hoor je ze wel eens vertellen dat het belangrijk is om een grote legermacht te hebben. Om klaar te staan om tegen de bovenbuur Maleisië te kunnen vechten. 'Want Maleisië heeft onze cultuur gestolen, en ze willen dat niet toegeven,' klinkt het bij een soldaat in opleiding.

Dat Indonesië zoveel meer is dan Bali, mag duidelijk zijn. Voor een authentieke ervaring zoek je best de plekken op die niet in alle toeristische gidsen beschreven worden. En daarvoor hoef je niet eens zo avontuurlijk te zijn. Het Indonesische eiland heeft zo veel te bieden en is relatief onbekend terrein voor toeristen. Dus haal die innerlijke Columbus in je naar boven en ga op ontdekking.

Vier tips op je trip naar Indonesië nóg beter te maken.

Eten

Streetfood is ontzettend populair bij de inheemse bevolking. Het is veel goedkoper dan in de restaurants en je hebt meestal op wandelafstand een grote variëteit aan eetstandjes. Als je een zwakke maag hebt is het wel aangewezen op met kleine porties te beginnen. Niet schrikken als je eten geserveerd krijgt dat gewoon ergens in de buitenlucht staat. In tegenstelling tot wat wij denken, vinden Indonesiërs niet dat eten in de koelkast moet staan mits je het binnen twee dagen opeet.

Begroeting

De uiting van respect is in Indonesië ontzettend belangrijk. De mensen begroeten elkaar (altijd met een hand) afhankelijk van hun onderlinge relatie. Ouderen en prominente figuren worden als belangrijker gezien en die moet je onderdanig begroeten. Je neemt hierbij de hand van de andere persoon, je buigt, en je raakt met je voorhoofd of wang de bovenkant van de hand aan. Bij vrouwen is het nog lichtjes anders. Het kan gebeuren dat ze je vanop afstand begroeten en geen lichamelijk contact wensen. Dit komt voor als ze -zoals ze het zelf noemen- 'onrein' zijn.

Misschien betekent nee

Indonesiërs zeggen uit beleefdheid geen nee. Het is even wennen maar als je hun een vraag stelt krijg je een volmondige ja of ze antwoorden met: misschien, straks of we zien later wel. Het kan heel frustrerend zijn, maar eens je het doorhebt wordt het wel duidelijk. Het is voor hun ook uiterst onbeleefd als je blijft doorvragen.

Fooi

In De Gordel van de Smaragd (de bijnaam van Indonesië) geven ze op een andere manier fooi dan in België. In een restaurant laat je geen fooi op tafel liggen, maar geef je die rechtstreeks aan de ober. Als je twintigduizend Rupiah (omgerekend ongeveer drie euro) geeft, ben je al zeer vrijgevig. Er staan in Indonesië ook overal officieuze parkeerwachters die je helpen uit een parkeerplek te rijden. Deze mensen verwachten ook fooi. Locals geven meestal tweeduizend Rupiah, ongeveer dertig eurocent.

KLM vliegt dagelijks vanuit Brussel naar Jakarta, Indonesië. Prijzen variëren tussen de 500 en 800 euro voor een retourtje.

Een treinticket doorheen Java kost je ongeveer vijftig euro en overnachten kan je bijna overal in degelijke hotels voor minder dan 30 euro per nacht.