'Heb je al eens gefietst in Alveringem en omgeving?' De naam deed me tot voor kort eerder denken aan een thuishaven voor mythische wezens zoals elfen en feeën, maar staat nu dankzij een tip van een West-Vlaamse vriend voorgoed op mijn radar als uitvalsbasis voor uren fietsplezier in de Westhoek, waar de Groote Oorlog om elke hoek loert.
...

'Heb je al eens gefietst in Alveringem en omgeving?' De naam deed me tot voor kort eerder denken aan een thuishaven voor mythische wezens zoals elfen en feeën, maar staat nu dankzij een tip van een West-Vlaamse vriend voorgoed op mijn radar als uitvalsbasis voor uren fietsplezier in de Westhoek, waar de Groote Oorlog om elke hoek loert.Onze eerste pitstop is aan Wyckhuize, een herenwoning-kasteelhoeve uit de zeventiende eeuw met een mooi bewaarde slotgracht waar vandaag de gemeentelijke administratie van Alveringem huist. In de tuin vallen negen rechthoekige constructies in roestkleur op, gestut door zandzakken van steen. Centraal staat een vredesboom, aangeplant in 2018. Indrukwekkende foto's in zwart-wit en opschriften in vier talen tonen wat er zich ruim honderd jaar geleden op diezelfde plaats heeft afgespeeld. When will they start to understand each other? klinkt het bijna wanhopig. Tijdens de Eerste Wereldoorlog speelde Alveringem, als een van de eerste bewoonde dorpen achter het IJzerfront, een cruciale rol. Als logistiek knooppunt voor de bevoorrading van het front, als kantonnement voor duizenden frontsoldaten, als draaischijf in de medische verzorging en als laatste rustplaats op een van de begraafplaatsen. Alveringem en haar negen deelgemeenten bruisten van het leven. Dat kan ook niet anders met twee grote veldhospitalen en talloze verbandposten, oorlogsbrouwerijen en militaire slachterijen, bains-douches en een grote militaire wasserij. De foto's tonen het leven van alledag, toen de wapens even rustten: genietroepen verpozen voor hun tent, met een trekzak in de hand en een pijp in de mond. Eerste gidsen verdringen even de oorlog met een glaasje wijn in het café bij Berquin in Gijverinkhove. Brancardier en IJzersymbool Frans Kusters slaat met enkele kameraden een pint achterover in café In het Groeneveld in Sint-Rijkers. Herbergen zijn ruim honderd jaar later nog steeds oorden van escapisme. Wanneer we grensdorp Leisele naderen, duikt het eerste café al op: De Schreve. In West-Vlaanderen heet de Frans-Belgische grens simpelweg De Schreve. Eén bocht verder rijden we een schilderij binnen: het beschermde dorpsgezicht van Leisele. Tegenover de Sint-Martinuskerk ligt een authentieke dorpskroeg. Tijdens WOI was De Vette Os, op het laatste stukje vrij België, een militaire slachterij. In een schuur op de binnenkoer zie je nog een klein restant: een houten katrol waarmee de kadavers omhooggetrokken werden. De hammen werden nadien gerookt in de haard. Naast het café spreken we een vrouw aan die wat schoffelt in de tuin, Martine. 'Mijn man Gilbert en ik zijn eigenaar van het café, maar we baten het zelf niet meer uit. De moeder van Gilbert, Jeanne, hield dit café bijna zestig jaar open. Iedereen stopte hier toen', zegt ze nostalgisch. Martine had zelf een winkel in dranken en maakt vandaag nog steeds haar eigen picon, een 'grensdrankje'. 'Iedereen in de streek mengt zijn eigen picon.' Later op de dag ontdek ik dat elkeen zijn eigen brouwsel het allerbeste vindt. Eenmaal het dorp uit schuren we bijna letterlijk tegen de grens aan. Een blauw bord met wit opschrift 'Franse Grens' wijst naar Hondschote. Maar wij rijden rechtdoor, richting de volgende parel: het gehucht Houtem. In de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk en verscholen onder het groen ligt de sprookjesachtige pastorie van Houtem. Opgetrokken in Vlaamse renaissancestijl (zeventiende eeuw) was ze ooit de refuge van de Veurnse Sint-Niklaasabdij. Van januari 1915 tot oktober 1918 was in deze kleine pastorie ook het hoofdkwartier van het Belgische leger gehuisvest. Opperbevelhebber, Koning Albert I, kwam er vaak langs. In de nabije omgeving, tussen deze dorpskern en Hondschoote, werd ook een oorlogsvliegveld aangelegd. Het was de werkplaats voor verschillende Belgische jachtescadrilles. Enkele honderden meters verder botsen we opnieuw op een rasecht dorpscafé met de toepasselijke naam 't Klein Plezier. Speciaalbieren bij de vleet hier. Cafébaas Danny suggereert het huisbier Queue de Charrue, een letterlijke vertaling van Ploegsteert, het Henegouwse dorp waar de brouwerij is gevestigd. Danny is een wereldburger die alle gasten moeiteloos inpalmt met zijn tongue-in-cheekmopjes in sappig West-Vlaams. 'Pas op hè, meisje, dat ge straks niet geflitst wordt met je elektrische fiets.' Vrouwen, jong en ouder, noemt hij meisjes; mannen zijn 'vinten'. Terwijl Queue de Charrue nog nazindert in het hoofd en de kuiten, rijden we alweer de stilte tegemoet. Die wordt enkel verstoord door enkele jonge fazanten die uit de mais schieten als een torpedo. In Vinkem houden we halt bij een weiland waar het gras net is gemaaid en in hoopjes ligt te drogen. Met uitzondering van een ruitvormige gedenksteen waarop 'Leger Hospitaal L'Ocean 1917-1918' is gebeiteld, doet niets vermoeden dat hier, op deze vredige weilanden, tijdens WOI een enorm veldhospitaal stond. Nadat het legerhospitaal L'Océan in De Panne meermaals onder vuur werd genomen door Duitse troepen, besloot men uit veiligheidsoverwegingen tot een gedeeltelijke verplaatsing. In Vinkem ontstond in juni 1917 zo het tentenhospitaal L'Ocean 2. Dokter Depage leidde het ziekenhuis, samen met koningin Elisabeth, die een cruciale rol speelde in de oprichting van de ziekenhuizen achter het front. De tenten werden algauw paviljoenen en hadden een capaciteit van meer dan 2400 bedden; tussen 1917 en 1919 overleden er 426 personen: 369 militairen en 57 burgers. Luttele maanden voor het einde van de oorlog overleed ook Joe English er aan de gevolgen van een blindedarmontsteking. De jonge Vlaamse kunstenaar, met Ierse vader en Vlaamse moeder, ontwierp de bekende heldenhuldezerkjes. Een steenworp verder, in Beauvoorde (Wulveringem) kun je niet ontsnappen aan het imposante Beauvoordekasteel, dat werd opgetrokken in de twaalfde eeuw en zijn huidige uitzicht kreeg eind negentiende eeuw, toen jonkheer Arthur Merghelynck de eigenaar werd. Maar boekenliefhebbers nemen eerst een kijkje in 't Ezelsoortje, honderd meter voor het kasteel. De sympathieke boekenwurm Johan Dezutter baat de boekenwinkel uit. Opvallend: naast spotgoedkope literaire klassiekers pronken ook geneeskrachtige kruidentincturen in flesjes. Johan, een man van vele markten, is ook herborist. 'Ik heb zo'n negenhonderd boeken rond kruiden', zegt hij. 'Tegen cholesterol of migraine of voor een betere stemming.' We worden vanzelf goedgemutst van deze ijverige boekenverkoper en bezoeken nog even het park rond het Beauvoordekasteel, met een romantische kasteelgracht en boomgaard waar voornamelijk oude appelrassen, waaronder de Veurnse renet, in ere worden hersteld. Wie goed kijkt, ziet in de wei achter het kasteel ook nog een bunker, wellicht van Belgische oorsprong. Vandaag is het de ideale overwinteringsplaats voor de dwergvleermuis. Via Bulskamp, vlak bij de Moeren, de laagst gelegen poldervlakte van het land tot vier meter onder het zeeniveau, fietsen we een poos langs de Bergenvaart of Calonnegracht. Die werd al in 1293 gegraven en was een belangrijke handelsader tussen Veurne en het Frans-Vlaamse Bergues, 24 kilometer verderop. Het jaagpad erlangs slingert ons recht naar Veurne en haar Markt, dat wemelt van de cafés. Bezoek er zeker het WOI-belevingscentrum Vrij Vaderland , gevestigd in het stadhuis en Landhuis met belforttoren. De expo spitst zich niet toe op het slagveld van de Groote Oorlog, maar op het laatste stukje vrij België, de Belgische Sector. Vanuit Veurne slaagde Koning Albert I erin stand te houden tegen de Duitse bezetter. Met dank ook aan de IJzervlakte die onder water werd gezet en zo de Duitse troepen vier jaar lang tegenhield. Veurne en omstreken kregen soldaten uit België en de hele wereld over de vloer, maar ook vluchtelingen, dokters en verpleegsters. De Westhoek, als kruispunt van culturen en 'vreemde soldaten' uit de kolonies van bondgenoten Frankrijk en Engeland. In het belevingscentrum scrollen we onder dreigende muziek door een tijdlijn en ontdekken we het oorlogsleven van alledag. Je leert er ook Marie Curie beter kennen, die met haar radiologieapparatuur in de Westhoek eigenhandig soldaten en burgers onderzocht. De drie mobiele radiologiewagens die ze inzette aan het IJzerfront werden petites Curies genoemd. Als souvenir nemen we nog gauw een röntgenfoto van onszelf om vervolgens via het jaagpad langs de Lovaart terug koers te zetten naar Alveringem. In het piepkleine Oeren stoppen we nog even bij een 'idyllische' Belgische militaire begraafplaats in de schaduw van de Sint-Pietersbandenkerk. 508 soldaten rusten er in vrede. Terug in Alveringem belanden we voor de après-velo in het historische Mout- en Brouwhuis de Snoek voor een Snoekbier, een blondje van hoge gisting met Poperingse hop. Vertier is immers van alle tijden, in oorlog en in vrede.