We zijn al bijna zeven uur aan het fietsen langs de Congo Nile Trail en ik ben kapot. Het roodbruine aardepad waarop we fietsen slingert onophoudelijk de hoogte en de diepte in. Onze route is soms zo bezaaid met rotsen dat we te voet moeten. We komen maar traag vooruit, onze ademhaling gaat sneller dan onze benen. Een lappendeken aan bananenplantages kleurt de vallei onder ons groen. Langs de kant van de weg spelen kinderen terwijl hun moeders gehurkt het avondeten klaarmaken. Een beetje verderop wordt een koe zorgvuldig van haar huid ontdaan en in stukken gesneden. Pakketjes vlees liggen op bananenbladeren in de zon te drogen, eentje voor elke familie uit het dorp. Vliegen proberen alvast een hapje te nemen. De geur is overweldigend.
...

We zijn al bijna zeven uur aan het fietsen langs de Congo Nile Trail en ik ben kapot. Het roodbruine aardepad waarop we fietsen slingert onophoudelijk de hoogte en de diepte in. Onze route is soms zo bezaaid met rotsen dat we te voet moeten. We komen maar traag vooruit, onze ademhaling gaat sneller dan onze benen. Een lappendeken aan bananenplantages kleurt de vallei onder ons groen. Langs de kant van de weg spelen kinderen terwijl hun moeders gehurkt het avondeten klaarmaken. Een beetje verderop wordt een koe zorgvuldig van haar huid ontdaan en in stukken gesneden. Pakketjes vlees liggen op bananenbladeren in de zon te drogen, eentje voor elke familie uit het dorp. Vliegen proberen alvast een hapje te nemen. De geur is overweldigend. De zon brandt haar laatste stralen in onze huid voor ze zich traag maar zeker te slapen legt in het oerwoud. Een nieuwe berg dient zich aan. Brecht, mijn compagnon de route, belooft dat als we boven zijn we nog maar een klein stukje bergaf moeten tot we er zijn. Ik vertrouw hem blindelings: in de afgelopen tien jaar fietsten we samen door het leven, soms als koppel, soms niet. Maar vandaag, op dag één van onze fietstrip die in Rwanda start, heeft hij de hoogtemeters wat onderschat. In gedachten verzonken vraag ik mij af of dit land echt duizend heuvels zou hebben, of dat het er misschien toch meer zouden zijn. Mijn topje is gebatikt in witte zweetstrepen, een natte vlecht plakt in mijn nek en mijn benen zijn bedekt met een dikke laag stof. Ik adem in en ga op mijn pedalen staan. Mijn bagage is maar half zo zwaar als wat Brecht meezeult en toch zweeft mijn voorwiel door de lucht bij elke oneffenheid op ons pad. Het gaat niet, mijn benen krijgen de pedalen niet meer rond getrapt. Ik moet afstappen en mijn fiets naar boven duwen. Ik zie Brecht een eind boven mij moedig doortrappen en heb zin om een heel klein beetje te huilen. Straks valt de nacht en moeten we in het donker de Rwandese heuvels over. Ik kan de wilde dieren al horen ritselen in het gras. Als we nu in Mexico waren, zouden we met een cocktail op het strand liggen turen naar de zonsondergang. Net als ik bedenk dat ik mijn fiets ook in de vallei kan gooien, komt een groepje luidruchtige kinderen hun huis uit onze richting uitgelopen .'Goedie mornie muzungu, hawajoe?!' gillen ze. Zelfs nu de zon bijna onder is, kan de dag hier nog beginnen. Ze verdringen zich rond onze fiets en lachen verlegen hun hagelwitte tanden bloot, alsof we de beste mop zijn die ze in lange tijd hoorden. 'I am fine, thank you so much. How are you?' hijg ik terug, de tweehonderdste keer vandaag. Hun vuile handen friemelen ongemakkelijk aan hun gescheurde T-shirts, onzeker hoe ze zich moeten gedragen ten opzichte van zoveel witte huid. Eentje veegt een stoffige snottebel weg. Terwijl ik mijn fiets puffend de hoogte in blijf duwen, probeer ik een praatje te maken. Hun lach is zo aanstekelijk dat ik mijn zure benen vergeet. Ongevraagd legt een kindje zijn handen op mijn bagagerek en begint me omhoog te duwen. Luid joelend verdeelt de groep zich over onze fietsen en samen duwen ze ons de berg op, als zes ontplofte energiebommetjes. De zwaarte verdwijnt, we vliegen. Ik ben ontroerd door zoveel ongecompliceerde schoonheid. Als we samen boven komen, bedanken we de kindjes met de laatste banaan die we nog hebben. Ze delen de banaan in kleine stukjes en wij pakken elkaar vast. Soms is een beetje pijn net zo bevredigend. Ik zou dit voor geen cocktail in de wereld willen ruilen. Oeganda zit in de lift als toeristische bestemming en stond al even op ons verlanglijstje. Vrienden die er eerder waren deelden sappige verhalen over de waanzin van hoofdstad Kampala, de nabijheid van exotische dieren en de Oegandese couleur locale die ieders hart veroverde. Sommigen hadden een auto met chauffeur gehuurd, anderen trotseerden het Afrikaanse verkeer met een eigen jeep. Twee heel avontuurlijke bevriende jongens hadden de tocht met de fiets gedaan. Het zaadje was geplant. Wij hadden al eerder fietsreizen gemaakt, maar nog nooit buiten Europa en al zeker niet in Afrika. Ik vond het een prikkelende gedachte, maar twijfelde. Was het niet veel gedoe voor de weinige tijd die we hadden? En hoe gingen we die voorbereiding combineren met onze drukke jobs? Ik dacht aan inentingen en visums, mountainbikes die we niet hadden en een route die moest uitgestippeld worden in een land zonder Google Maps. Wat met fietspech? Malaria? Afrikaanse diarree (bestond dat of was ik het aan het verzinnen)? En dan had ik het nog niet eens over meer female wishes zoals soms eens je haar wassen of een deftige wc als je lichaam aan het menstrueren gaat. Mexico was toch ook tof? Witte stranden, hikes in de jungle, tortilla's en tequila boom boom? Nee? Na enige twijfel won Brechts enthousiasme het van mijn waslijst aan tegenargumenten en besloot ik toe te geven aan de zin in een avontuur zotter dan ons eigen hoofd. We besloten ook Rwanda toe te voegen aan onze route. Het plan: één week Rwanda en drie weken Oeganda. Startpunt: Kigali. Via de dirt roads van de Congo Nile Trail langs het Kivumeer over de duizend heuvels van Rwanda. Doorheen het Virungagebergte over de grens met Oeganda. Via het Queen Elizabeth National Park met leeuwen, olifanten en nijlpaarden. Eindbestemming: Kampala, de hoofdstad van Oeganda met 2 miljoen inwoners. En dat alles met de fiets. Rwanda kenden we oorspronkelijk alleen van de gruwelijke beelden van de genocide die er in 1994 plaatsvond. In amper honderd dagen tijd werden naarschatting 1 miljoen mensen uitgemoord tijdens een bloedige burgeroorlog. Om het vertrouwen onder de bevolking te herstellen, startte de regering kort na de genocide een intens project van wederopbouw en verzoening. Nu, 26 jaar later, is Rwanda een voorbeeld voor veel andere Afrikaanse landen: de brede geasfalteerde wegen zijn perfect onderhouden, plastic zakjes zijn er al sinds 2008 verboden en elke laatste zaterdag van de maand moet minstens één lid van de familie verplicht deelnemen aan 'Umuganda', een door president Paul Kagame geïntroduceerde burgerplicht waarin Rwandezen samen hun buurt opruimen of klusjes doen. Umuganda betekent letterlijk samenkomen om samen een gemeenschappelijk doel te bereiken. Het idee: het verleden vergeten kan niet, vergeven wel. Kigali, de hoofdstad van Rwanda, is dan ook het perfecte startpunt voor Afrikamaagden. Het is soms chaos en je bent de enige witte vogel in een zee van zwart, maar het is schoon, er is overal wifi, je kunt er lekker eten en veilig gaan dansen in een van de vele hipsterplekken. Leuk om te acclimatiseren, maar het is pas toen we echt uit onze comfortzone traden en via de westkust van Rwanda onze 21-daagse fietstocht aanvatten, dat we begrepen dat deze trip onze visie op reizen voorgoed zou veranderen. Zowel Rwanda als Oeganda lijken een kleurboek aan herfstmateriaal in een land waar het altijd zomer is. In de weelderige valleien glinstert het groene oerwoud onder de zon terwijl de stoffige aarde onze wielen rood kleurt. Avocado's zijn zo groot als pompelmoezen en groeien gewoon aan de bomen. Het landschap is zo idyllisch dat we ons afvragen hoe het komt dat wij hier zo goed als de enige toeristen zijn. We zien vrouwen in opvallende prints wandelen met gigantische fruitmanden op hun hoofd, mannen die oeverloos discussiëren langs de kant van weg en kinderen die zonder oppas in de rivieren spelen. We worden onophoudelijk toegeroepen met 'muzungu', een dubieuze koosnaam voor de witte toerist. Soms wel tweehonderd keer op een dag. Het is bevreemdend om gedefinieerd te worden door je huidskleur en confronterend om eens in de schoenen van de minderheid te staan. Tegelijkertijd zijn de mensen zo warm en vriendelijk dat we ons toch heel erg welkom voelen. We kunnen niet anders dan ons hart openen voor zoveel authenticiteit. Het valt ons op hoe arm de bevolking is, in tegenstelling tot de natuurlijke weelde: hele families leven samen in vochtige huizen die zo groot zijn als een slaapkamer, de kinderen lopen rond in versleten (of helemaal geen) kleren en scholen zijn dicht tot februari omdat er na de kerstperiode geen geld meer is om voor onderwijs te betalen. Het is de keerzijde van een prachtige trip die ons doet nadenken over het privilege waarmee wij geboren werden. Onze reis is een tocht waar vooruitgang en stilstand voortdurend samenkomen. We zijn non-stop in beweging en toch hebben we tijd om stil te staan, bij zo veel schoonheid, contrasten en een herwonnen eenvoud. De dagen glijden voorbij in een rustgevende roes. Als de mensen hun werkkledij inruilen voor witte gewaden en gospelgezang ons door de ramen van de vele kerken bereikt, weten we dat het weer zondag is. Met de fiets door Oost-Afrika reizen, dat is: prachtige chaos en soms regelrechte absurditeit. Het is uren aanschuiven in busstations die net mierennesten lijken omdat aanschuiven in de rij er niet bestaat. Het is 's ochtends uitglijden door een stortbui in het regenwoud, rechtkrabbelen en met pijnlijke billen de tocht voortzetten om een paar uur later de savanne te bereiken en tussen de antilopes te fietsen onder de gloeiende avondzon. Het is een lekkere vissoep bestellen, je bordje op tafel krijgen en in het oog van forel staren, met zijn vel nog aan zwemmend in een waterige bouillon. Het is die vis smakelijk opeten en bedenken dat je morgen misschien toch weer gewoon rijst neemt. Het is je heupen loszwieren en dansen op de golven van de dag. Het is je route verkeerd inschatten en dan maar je fiets achter op een pick-up zwieren en met je haren in de wind het landschap bewonderen. Het is een lekke band hebben, stilvallen en langs de kant van de weg een kruiswoordraadsel invullen met je nieuwe vrienden. Het is verkoeling zoeken in zwembaden van oude koloniale hotels, nijlpaarden horen knorren in de rivier naast je huisje en onder de sterren boeken lezen tot je niets meer kunt zien. Niets is zoals het thuis is en toch is het het mooiste wat er is. Van de top is het nog maar enkele kilometers bergaf. Onder het dichte bladerdek van de jungle laten we onszelf gillend naar beneden glijden, de benen loom uitgestrekt, frisse douche en dito bier in het vooruitzicht. Er is geen mens meer te bespeuren, het oerwoud is van ons. Zachte regendruppels spoelen het zweet van ons lichaam. Tot plots met een luide krak mijn zadel afbreekt. Het zicht van een zadel in mijn hand is zo absurd dat we er lachend een foto van nemen en een alternatief in elkaar knutselen. Als we na een halfuurtje onze tocht voortzetten, doemt voor ons een familie olifanten op. Vijf exemplaren steken één voor één de weg over en verdwijnen even snel weer als ze gekomen zijn in de coulissen van het bos. Wij staan aan de grond genageld, durven amper met onze ogen te knipperen. Soms lijkt het leven een droom.