We zijn de eerste buitenlanders ooit die Sohail spreekt. Hij heeft ons eerder deze avond als beste vrienden ontvangen in zijn appartementje in Rasjt, een ingedommeld Iraans stadje aan de Kaspische Zee. 'Niemand kent hier eenzaamheid', zegt hij tussen de gezouten olijven en slokjes illegale Arak door. 'Het heeft Iran gewoon nog niet bereikt. Je kunt hier niet ziek zijn zonder mensen om je heen.' Tot twee weken geleden woonde hij nog bij zijn ouders. Maar nu heeft hij werk en is hij verhuisd. 'Hier leef ik voor het eerst alleen. Het is een training voor Europa.'
...

We zijn de eerste buitenlanders ooit die Sohail spreekt. Hij heeft ons eerder deze avond als beste vrienden ontvangen in zijn appartementje in Rasjt, een ingedommeld Iraans stadje aan de Kaspische Zee. 'Niemand kent hier eenzaamheid', zegt hij tussen de gezouten olijven en slokjes illegale Arak door. 'Het heeft Iran gewoon nog niet bereikt. Je kunt hier niet ziek zijn zonder mensen om je heen.' Tot twee weken geleden woonde hij nog bij zijn ouders. Maar nu heeft hij werk en is hij verhuisd. 'Hier leef ik voor het eerst alleen. Het is een training voor Europa.' Europa kent Sohail, die Engelse letterkunde studeert, enkel van de films. 'Vrienden van mij die naar Europa zijn gemigreerd, voelen zich eenzaam. Ze zijn teleurgesteld dat niemand om hen geeft.'Een paar dagen eerder zijn we onchristelijk vroeg in Teheran geland. Na een vlotte visumprocedure brengt een taxi ons bij de eerste zonnestralen naar het centrum. De weg erheen wordt geflankeerd door een nieuwe metrolijn (die langer dan die van New York moet worden), moskeeën in opbouw en tientallen rijen zwarte vlaggen. Op de achtergrond doemen de witte vlakken van de legendarische Mount Damavand op. Het is vier juni, de dag waarop ayatollah Ruhollah Khomeini, leider van de islamitische revolutie, in 1989 stierf. Zijn beeltenis zullen we de komende week honderden keren aanschouwen. Het verkeer zwelt aan naarmate we de stad van vijftien miljoen inwoners naderen en na veel omzwervingen vinden we de deur van onze eerste gastvrouw, Sheyyda, die met eieren, kaas, tomaat en brood een prachtig ontbijt op tafel tovert. We waren nochtans voorbereid op honger, want het is ramadan. Maar geen islamitisch volk dat zo coulant met de vastenplicht omspringt als de Iraniërs. Hoewel prachtig omgeven door bergen, is Teheran geen wondermooie stad. Onophoudelijk verkeer, fijnstof en beton staan dat in de weg. Maar hier en daar zijn er parels te ontdekken, zoals het park bij de Tabiatbrug in het noorden van de stad. Tegen het einde van de dag maken honderden families zich klaar voor het verdwijnen van het laatste zonlicht. Barbecues worden aangestoken, er wordt al gedronken en gerookt. De avond eindigt met Perzische gezangen in een torenhoog Iraans woonblok. Het vervolg van onze reis leidt westwaarts, richting de Kaukasus, waar de islamitische en christelijke beschavingen elkaar raken. Vanuit Masuleh, een vochtig bergdorpje waar we even halt houden om te zwemmen in de Kaspische Zee, is het veertien uur treinen. De slaapcoupés vertonen sporen die dateren van voor de revolutie. Voor vier euro krijgen we een warme maaltijd met thee. De avondzon doet het Alborzgebergte prachtig voorbijglijden en de norse, rochelende coupégenoot nemen we er graag bij. In Tabriz kunnen we terecht bij het hilarische duo Rasha en Massood, die we vonden via de website voor couchsurfing. Rasha is een zelfverklaarde alleskunner: van snowboarden over dj'en tot gitaar spelen en autoracen. Zijn kompaan Massood, ook een twintiger, baat een winkel uit met schoonheidsproducten in een hippe wijk van de stad. Rond zes uur 's ochtends staan Rasha en Massood ons op te wachten. Ze zijn de hele nacht opgebleven. 'Gamen en eten, dat hebben we gedaan', lachen ze. Ze behoren tot de Turkse minderheid in Iran. Eerste opdracht van de dag: baklava zoeken voor het ontbijt. Rasha rijdt ons al racend rond in het door rode bergen omgeven Tabriz. We bezoeken de ruïnes van een van de oudste universiteiten in de regio en de moderne architectuur van Maghbare Al-Shoara, waar Irans grootste poëten begraven liggen. Wie de stad in al haar pracht wil zien, moet bij zonsondergang de kabelbaan nemen richting de top van de berg Eynali, en daarna richting park El Gholi, waar de Iraanse koning vroeger zijn zomers doorbracht. Overdag is het verlaten, maar 's nachts stromen er duizenden mensen toe. Het duo stelt onze magen meermaals op de proef. Na een caloriebom van een ontbijt, inclusief honing, noten en zoete kaas, vervaardigd door de vrouw des huizes, vraagt Rasha een uur of twee later: 'Hebben jullie honger? Ik sterf.' Hij neemt ons mee naar een ogenschijnlijk gesloten eettent, maar eens voorbij een zij-ingang wordt er overvloedig kip, gehakt en rijst geserveerd. Strikt genomen overtreden we als reizigers, die zich volgens de Koran niet aan de regels van de ramadan hoeven te houden, de wet niet, maar we polsen toch even bij onze gastheer wat te doen wanneer er plots politie zou binnenvallen. ' You run', lacht Rasha tussen twee happen door. Op onze laatste avond in Iran neemt het duo ons mee naar een plek waar mannen waterpijp komen roken. Het zijn de enige zichtbare plaatsen in het land die doen denken aan onze Belgische cafécultuur. 'In Iran voelen we ons als Turken niet helemaal thuis', zegt Massood. 'Ooit willen we onze eigen natie.' Langs een van de bekendste wegen van de zijderoute nemen onze gastheren ons de dag erop mee tot Jolfa, vlak bij de grens met Azerbeidzjan. De eerste timide sporen van niet-islamitische traditie duiken op. Op weg naar de magistrale Sint-Stefanuskerk rijden we naast een afgrond waar diep beneden de Bijbelse rivier Aras haar grenzen aftast. Aan de andere kant zijn bewaakte wachttorens het bewijs van de spanningen met het buurland. Door haar aardse kleur lijkt de kerk wel uit de rotsen te komen zweven. Ergens tussen twee brokken Azerbeidzjan ligt een stukje Armenië, waarmee Iran vriendschappelijke banden onderhoudt: onze corridor naar een andere wereld. De Iraanse grenswachter die ons paspoort moet controleren, moeten we wakker maken tijdens een dutje op de grond van zijn kantoor. Met kleine oogjes en een grote glimlach stempelt hij ons Iran buiten. Op een lange, aftandse brug, net tot op de helft geschilderd in de Iraanse kleuren, stappen we Armenië binnen. Enkele foto's die we maken met terugkerende Iraanse jongeren beveelt de Armeense grenswachter te verwijderen. In zijn gebouwtje hangt een portret van Vladimir Poetin. Een vriendelijke man voert ons naar het dichtstbijzijnde dorp in zijn versleten Mercedes. 'Jullie komen van Iran?' vraagt hij ongelovig. 'Wat ga je daar in 's hemelsnaam zoeken?'Afgaande op het rijgedrag van de chauffeur, die ons in acht uur met zijn busje naar de hoofdstad Jerevan brengt, zou je vermoeden dat Armenen links rijden. Langs de weg pal naast de grens met Nagorno-Karabach, een deel van Azerbeidzjan dat gecontroleerd wordt door Armenië, hangen gele linten die waarschuwen voor mijnen, restanten van een recente bloedige oorlog.In tegenstelling tot de rest van het land is Jerevan een moderne, groene en opvallend welvarende stad. Het pronkstuk is de Cascade, een gigantische trappenheuvel in het noorden van de stad waaronder een ontzagwekkende kunstcollectie te bewonderen is. Vanop de top is de heilige berg Ararat zichtbaar, waar volgens de Bijbel de ark van Noach strandde. Jerevan bult van de relicten uit het Sovjettijdperk, zoals een kolossale reeks appartementsblokken in een buitenwijk die staan opgesteld in de vorm van de letters CCCP. Het hostel waar we logeren organiseert een zeer vermakelijke 'Soviet tour' langs de opvallendste overblijfselen van Jerevan onder de communistische dictatuur. Op Republic Square is het standbeeld van Lenin enkele jaren geleden weggehaald. 'Niemand weet het zijn', zegt Ani, onze gids die de ene sovjetgrap na de andere lanceert. 'We discussiëren nog over wie er in de plaats moet komen. De enige bekende persoon met Armeense banden is Kim Kardashian.' De metro van Jerevan is geen haar veranderd sinds ze door de Sovjets werd gebouwd. Indertijd kregen alle steden van meer dan een miljoen inwoners in de USSR een metronetwerk, vertelt Ani. Helaas had Jerevan onvoldoende bewoners. Toen Brezjnev op bezoek kwam, orkestreerde de lokale Armeense president dan maar files, zodat de Sovjetleider urenlang met zijn wagen stond aan te schuiven. 'Vijf jaar later had de stad tien metrostations', lacht hij.Op het einde van de toer neemt Ani ons mee naar een gewoon uitziend appartementsblok met een binnentuin. Uit een raam op de gelijkvloerse verdieping hangt een rokende beeldhouwer, Hamlet Matinyan. Voor hem, tegen een boom, staat het verdwenen beeld van Lenin, met een kap in de neus. 'Ik hou niet van Lenin, maar wel van het standbeeld dat ik van hem gemaakt heb', zegt de man. 'Daarom heb ik het bijgehouden.' Bij ons vertrek naar het station om de nachttrein naar Georgië te nemen, gaan plots de hemelsluizen open, alsof Noach weer op komst is. De treinrit is een zoveelste kennismaking met de Armeense omgangsvormen. Pal onder een bord dat roken verbiedt, staat de conducteur de hele nacht duchtig te dampen. Tweemaal worden we brutaal gewekt voor een paspoortcontrole. Tbilisi is een openbaring, een mix tussen Parijs en Berlijn. Overal in de stad hangen Europese vlaggen uit. Vanop de wankele kantelen van het indrukwekkende Narikalafort aan de rand van de stad zijn de moderne gebouwen die sinds kort in de stad ten hemel rijzen, goed zichtbaar. Zij die Georgië enkel kennen van de voorrondes die de Rode Duivels er speelden en het Eurovisiesongfestival, moeten het land een tweede kans geven. Het heeft alles: prachtige kustlijnen, hippe uitgaansgelegenheden, culturele pareltjes en vooral sublieme Alpijnse berglandschappen. Van dat laatste zien we de eerste sporen op weg naar Kazbegi, richting de grens met Rusland. Weidse grasvelden als groene biljartvlakken worden afgewisseld door zwart-witte bergspitsen. Vanuit Kazbegi is het een goede twee uur steil opwaarts klimmen tot aan de wondermooie Gergeti Trinity-kerk. Witte wolken draperen zich als versgewassen lakens rond de bergtoppen. Ook de uitstap naar Gori, de geboorteplaats van Jozef Stalin, is de moeite. Dan is het tijd voor het zwaardere klimwerk. We zetten koers met trein en bus naar Svaneti, dé trekkingregio van Georgië. De laatste drie uren met de auto zijn hels, maar indrukwekkend: we rijden door een donkere, ongeasfalteerde tunnel waar het vocht als een regenbui van de ronde schacht naar beneden raast, tussen bomen die op de meest onmogelijke plekken een weg naar de zon hebben gevonden, en langs een woeste rivier die honderden meters lager al eeuwen dezelfde rotsen overspoelt. Tientallen eeuwenoude verdedigingstorens bewaken het landschap. De volgende dag beginnen we aan onze vierdaagse tocht, waarbij we telkens overnachten bij mensen thuis in een volgend dorpje. Na een dag klimmen naderen we onze eerste halte. Een aantal scheel kijkende oude mannen wacht ons op. 'Cha cha', roepen ze. Het blijkt de naam van de lokale sterke drank te zijn. In het enige winkeltje van het dorp, eigenlijk een groot uitgevallen kast in iemands huis, zijn er enkel nog wat flesjes bier, vier vervallen Snickers en twee pakken pasta in voorraad. Onze aankoop wordt aan de hand van een telraam verwerkt. De avond eindigt al volleyballend met de lokale mannen in de ondergaande zon.We sluiten onze reis af met een plons in de Zwarte Zee. Batoemi, de grootste Georgische kuststad, lijkt op het eerste gezicht een soort pretpark, met tal van casino's, mastodonten van nieuwbouwhotels en blinkende bolides. Maar in het holst van de nacht, wanneer niemand kijkt, toont de stad zich op haar best. Hoe anders de twee werelden ook zijn, het doet ons denken aan de plek waar we zijn vertrokken.