Zestien was Amar toen hij met zijn fiets tegen een vuilniscontainer knalde en er met een salto in vloog. 'Op mijn vierde ontdekten mijn ouders dat ik blind zou worden voor ik volwassen werd. Mijn ogen gingen mijn hele kindertijd achteruit. Ik had het almaar moeilijker om een rugbybal te vangen en ik liep geregeld tegen meubelen aan. Dat fietsincident was een confrontatie, ik had dat ding gewoon niet gezien. Op mijn achttiende werd ik op een ochtend wakker en zag niets meer. Dat was zeer angstaanjagend. Ik kon de gezichten van de mensen die ik graag zag niet meer zien. Zelfs niet de poster van Madonna die boven mijn bed hing. Daten, studeren, leren autorijden, mijn leven zou net écht beginnen. Ik wilde niets liever dan wiskunde studeren en boekhouder worden, maar kreeg te horen dat dat onmogelijk was. Ik botste plots tegen allerlei grenzen aan. Het was een donkere tijd.'
...