In het Victoria & Albert Museum in Londen kan je nog tot februari 2020 een retrospectieve van de hoogdagen van de rebelse ontwerpster bezoeken. Tijdens de jaren zestig en zeventig was Quant radicaal modern. De meeste van haar creaties kan je zelfs vandaag nog dragen zonder vreemde blikken te oogsten. De plastic schoenen raden we wel af - hoe leuk ze er ook uitzien, zweetvoeten zijn rotvervelend.
...

In het Victoria & Albert Museum in Londen kan je nog tot februari 2020 een retrospectieve van de hoogdagen van de rebelse ontwerpster bezoeken. Tijdens de jaren zestig en zeventig was Quant radicaal modern. De meeste van haar creaties kan je zelfs vandaag nog dragen zonder vreemde blikken te oogsten. De plastic schoenen raden we wel af - hoe leuk ze er ook uitzien, zweetvoeten zijn rotvervelend. 'Goede smaak is dood, vulgariteit is springlevend.' Het klinkt als een belediging, maar dit citaat toont hoe graag Mary Quant tegen de schenen van de oude garde schopte. Ze bejubelde vulgariteit zonder schroom. Dat grijze mannen in bolhoeden op haar etalage klopten uit consternatie, vond ze heerlijk. #WeWantQuant De tentoonstelling in het V&A kon putten uit het persoonlijke archief van Mary Quant, maar ontving ook bijdragen van fans. 'We waren overweldigd door de vrouwen die een bijdrage wilden leveren', vertelt co-curator Jenny Lister aan The Guardian. 'Er waren meer dan duizend e-mails van vrouwen, sommige waren vriendinnen van Quant en lid van de bohemien groep waar ze deel van uitmaakte, maar de meesten waren gewoon liefhebbers. Voormalige studentes, leraressen en verpleegsters, allemaal waren ze bereid om kleding uit hun persoonlijke garderobe uit te lenen aan het museum.' Stuk voor stuk hadden ze hun geliefde items van Quant bewaard, tot groot geluk van de curatoren die hieruit konden kiezen voor de overzichtstentoonstelling. Koningin van King's Road Nochtans werd mode haar niet met de paplepel ingegoten. Quant werd in 1930 geboren in Blackheath, Londen, als dochter van leraren. Haar ouders zagen geen toekomst in een mode-opleiding, dus studeerde ze voor illustrator aan de kunstschool Goldsmiths College. Daar ontmoette ze haar toekomstige echtgenoot, de aristocraat Alexander Plunket Greene. Na haar studies ging Quant in de leer bij een hoedenmaker en volgde ze lessen patroontekenen en naaien in avondschool. Later zou ze dankbaar zijn voor haar atypische scholing, aangezien modestudenten begin jaren vijftig vooral leerden voortborduren op couture en niet werden aangemoedigd om vernieuwend te zijn. In 1955 kocht Greene een pand op de King's Road, een buurt zeer populair bij de 'Chelsea set', een groep kunstminnende bohemiens. In de kelder opende een vriend van het koppel, Archie McNair, een restaurant. Quant startte de boetiek Bazaar op de eerste verdieping. Het drietal bleek een topteam: ze gooiden elk hun eigen talenten in de strijd om een succesvolle modebusiness uit te bouwen. McNair was onderricht in recht en had een goede neus voor zaken. De boetiek van Quant was vernieuwend op alle vlakken. Shoppen werd er een waar feest met luide muziek, rijkelijk vloeiende gratis drank en de gekste etalage van de stad. De openingsuren werden bovendien afgestemd op werkende vrouwen, zodat ze na kantooruren konden langskomen. Het was een compleet andere ervaring als shoppen bij een couturier - formeel - of een winkelketen - banaal. 'Snobisme is niet meer in de mode en in onze winkels zie je hertoginnen samen met typistes drummen voor dezelfde jurk', aldus de ontwerpster over haar unieke mix aan cliënteel. Kantelpunt Quant vormde de schakel tussen dure designermode en trendgevoelige massa-geproduceerde kleding. 'Mode is niet frivool, het maakt deel uit van leven in een moderne tijd,' was haar motto. Jenny Lister weidt uit: 'Mary Quant transformeerde het modesysteem en ontmantelde de dominante positie van de luxecouture uit Parijs. Quant kleedde de geëmancipeerde vrouw, vrij van regels en voorschriften en bevrijdde de jongere generatie van de garderobe van hun moeders. Ze gebruikte kleding om aan te tonen dat verandering op til was. Mode draaide niet langer om couture, maar om het uitdragen van je eigen individualiteit.' De jeugd in naoorlogs Londen snakte naar een verfrissende, speelse en plezierige mode en dat was exact wat Quant hen op een dienblaadje presenteerde. Met bijhorende make-up, schoenen en zelfs bedlinnen voor de diehards. Ze liet zich inspireren door de artiesten, Beatniks en Mods die de Londense jeugdcultuur beheersten. Haar kleding viel op in draagbaarheid en simpele snits. Daarvoor keek ze naar wat ze zelf droeg als kind op school en tijdens danslessen.Emancipatie Quant had lak aan conservatieve normen en vond dat vrouwen zich bovenal vrij moeten voelen in hun kleding. Beha's versimpelden - weg met die 'booby traps' - roklengtes werden drastisch korter en 'sexy' kreeg een nieuwe betekenis. Speels en humoristisch won het van chic en damesachtig. Quant gooide elementen uit de mannenmode, kinderkleding, de flappers uit de jaren twintig en Victoriaanse details op een hoop en zorgde voor een frisse wind na de strenge mode van de fifties. De ontwerpster zag in haar klanten de ultieme inspiratie. Ze noemde hen de leidsters van de feministische revolutie: 'Ze zijn een prototype van een nieuw ras van vrouwen. Dat ze de gevestigde waarden in vraag stellen, maakt hen belangrijk en anders.' Quant zorgde voor een garderobe voor de jonge, geëmancipeerde vrouw. Met een minirok of hot pants kon je hollen naar de bus, met een short onder een jurk bestond de mogelijkheid om elk moment op de barricades te klimmen. En ook de materialen van haar creaties bewijzen dat de ontwerpster ultieme vrijheid hoog in het vaandel droeg. 'Textiel wordt plat gemaakt, maar vrouwen zijn rond. Dat is een probleem. Daarom wil ik kleding maken zonder naden, zodat ze ronder en zachter rond ons lichaam zitten,' aldus de ontwerpster. Haar jerseyjurken zijn hier het beste voorbeeld van. Dat ze de ronde vormen van vrouwen aanhaalt, is met een korrel zout te nemen, aangezien haar favoriete modellen - Twiggy en co - vooral ranke langbenige meisjes waren. Curvy zijn deze swinging Chelsea Girls niet meteen te noemen. De belangrijkste eigenschap van de Quantvrouw is echter niet een stel benen tot in de oneindigheid, maar wel het uitstralen van een strijdvaardige levenslust. 'Het maakt niet uit hoe oud je bent, als je van het leven houdt, moet je je ook zo kleden, pret hebben met je outfits en je er goed in voelen', klonk het gebiedend. Daar hoorden stoffen bij die je niet moet strijken en in het geval van de pvc-items zelfs niet moet wassen. Zo hadden vrouwen meer vrije tijd om zichzelf te ontplooien.Massaproductie In het prille begin kocht Quant kledingstukken bij de groothandel en bewerkte deze tot ze de moderne vrouw aanspraken. Al snel geraakte de ontwerpster gefrustreerd door het magere aanbod en startte ze met het ontwerpen van haar eigen collecties. Met de opbrengst van de verkoop overdag kocht ze nieuwe stoffen en naaide ze 's nachts nieuwe stock. Vermoeiend, maar wel ideaal om telkens nieuwe, trendy kleding in de rekken te krijgen. Aangezien Quant zowel aristocratie als de gewone werkende vrouw wilde aanspreken, is het interessant naar de prijsklasse van haar kleding te kijken. Die was niet torenhoog, maar zeker ook niet betaalbaar voor iedereen. Typistes en leraressen moesten een tijdje sparen voor een stuk van de ontwerpster, maar minder lang dan voor een couturejurk. Een trip naar Amerika zorgde voor een nieuw businessidee. In 1962 reisden Quant en Greene naar New York, waar ze enthousiast onthaald werden. De Amerikaanse vrouwen waren gek op de Chelsea look, dus breidde ze haar markt uit overzees. Door een samenwerking met het warenhuis JC Penney ontdekte Quant de voordelen van produceren in grotere aantallen. Terug thuis startte ze de goedkopere lijn 'Ginger Group', die een internationaal succes werd. In de expo zien we Quant in een video dan ook lyrisch vertellen over massaproductie. Als een ontwerper dat vandaag van de daken zou schreeuwen, zou dat niet alleen bizar, maar zelfs harteloos overkomen. Ook de liefde van Quant voor plastic is anno 2019 niet meer te verantwoorden. In de jaren zestig waren deze productiemethodes echter zo vernieuwend en schepten ze zoveel mogelijkheden, dat we het de ontwerpster amper kwalijk kunnen nemen. Massaproductie was toen uiteraard heel wat bescheidener dan nu en de prijzen van de kleren lagen - vertaald naar onze economie - veel hoger dan hedendaagse fast fashion-items. Lokale naaiateliers en fabrieken produceerden de kwalitatieve kleding en wie iets kocht bij Quant zag het kledingstuk allerminst als een wegwerpitem. Denk maar aan de talloze vrouwen die het V&A-museum mailden om de stuks die ze nog hadden liggen aan te bieden om tentoon te stellen. Hoewel de mode-industrie compleet veranderd is - massaproductie betekent nu dumpingprijzen en produceren in lageloonlanden - blijven de ontwerpen van Mary Quant fris als een madelief. Wanneer je door de expo in het V&A wandelt, lijkt het soms alsof je een reis naar de jaren zestig hebt gemaakt, maar meer nog is het een bewijs dat een iconische ontwerpster als Mary Quant ook vandaag nog relevant is. Meer informatie over de expo in het V&A over de succesjaren van Mary Quant via www.vam.ac.uk