'I want you to act as if the house is on fire. Because it is.' Die woorden van Greta Thunberg, die ze vorig jaar uitsprak op het World Economic Forum, zijn actueler dan ooit. Toen ging het over het klimaat, maar de beschrijving geldt ook voor de kledingindustrie. Zéker nu tijdens de coronacrisis miljoenen kledingarbeiders de dupe zijn van de wanpraktijken van merken, die hier ook te koop zijn. Tijdens Fashion Revolution Week roepen we daarom niet alleen merken wereldwijd ter verantwoording, maar pleiten we ook voor een nodige systeemverandering.

De laatste weken regende het artikels over merken en retailers die door de Covid-19-crisis massaal hun bestellingen cancelden. Logisch, zou je denken: zij kunnen hun afzetmarkten niet meer ten volle benutten dus moeten ze maatregelen nemen. Maar daar zit het addertje. Grote retailers en kledingmerken betalen namelijk vaak hun orders pas ná de levering, waardoor de fabriek waar de productie plaatsvindt zelf instaat voor het aankopen van materiaal. Hierdoor hebben, volgens de internationale vakbond IndustriALL, al miljoenen kledingarbeiders hun job verloren of worden ze gewoonweg niet meer betaald. Wereldwijd komen ze daarom massaal op straat. En terecht.

Het wordt tijd dat merken de verantwoordelijkheid nemen voor de kledingarbeiders in hun productieketen. Zij vormen hierin namelijk een van de kwetsbaarste schakels, vaak zonder gezondheidszorg, sociaal of financieel opvangnet. En dat op wereldschaal.

De arbeiders betalen de echte prijs van kleding

Offshoring, het verplaatsen van productie naar lageloonlanden, was in de kledingindustrie in de Verenigde Staten in de jaren zeventig al bezig. Maar het was vooral het Noord-Amerikaanse vrijhandelsakkoord NAFTA, dat een startschot gaf aan het massaal uitbesteden van kledingproductie-eenheden. Dit gaf letterlijk vrij spel aan kledingmerken en retailers en daar maken ze hard gebruik van. Het gevolg: steeds meer onoverzichtelijke en gefragmenteerde productieketens waarbij mensenrechten worden genegeerd en het milieu veel te zwaar wordt belast. Het geeft merken een zwak excuus om een oogje dicht te knijpen omdat ze niet meer weten -of nagaan- waar hun productie nu exact plaatsvindt en in welke omstandigheden.

Het is een tijd van wanhoop én hoop in de mode-industrie

De échte prijs van een kledingstuk wordt niet betaald door de consument, maar door de kledingarbeider zelf: hun lonen zijn vaak erbarmelijk. Zo ligt het loon van een kledingarbeider in Bangladesh rond de 85 euro, terwijl een leefbaar loon om in basisnoden als voeding en onderdak te voorzien, zeker dubbel zo hoog zou moeten liggen. Daarnaast is de werkdruk er, door het gehanteerde fast fashionsysteem van merken, enorm. Het milieu verliest er daarnaast ook door: zo zou de kleding- en schoenenindustrie verantwoordelijk zijn voor ongeveer acht procent van de broeikasgassen doordat onder andere fabrieken in die landen nog vaak draaien op fossiele brandstoffen.

Vastgeroeste systemen

Toch mogen we niet blijven wanhopen. Dat is ook bij Fashion Revolution niet onze instelling. De hele crisis kan ons immers de kans geven vastgeroeste systemen in de kledingindustrie te herdenken. Hoe lelijk het plaatje ook is, we kunnen nu de keuze maken om te veranderen: om kwaliteit boven kwantiteit te kiezen en mens én milieu op de eerste plaats te zetten. We hoeven niet massaal rivieren in Azië te vervuilen om onze kleding in de meest trendy kleuren te gieten. We moeten niet meer om de twee weken een nieuw kledingstuk kopen om de trends op te volgen. We produceerden tot nu namelijk aan een duizelingwekkend tempo.

We moeten de inspanningen durven verzilveren. Pas dan kan er na de crisis een paradigmashift plaatsvinden

In vijftien jaar tijd is onze productie verdubbeld. Seizoenen en tussenseizoenen vlogen ons om de oren, waarbij solden de voorgaande, vaak al goedkope, seizoensitems over de toonbank jagen. Die prijzenslag doet wel meer items verkopen, maar zet tegelijkertijd een enorme druk op kledingarbeiders die vaak voor hetzelfde loon hun targets zien verhoogd worden.

Hoop doet leven

De crisis verplicht en leert ons gelukkig om te vertragen en te appreciëren wat er nu al is. Bewuster in het leven staan kan leiden tot bewuster consumeren. Al voor de crisis stonden er steeds meer initiatieven in de stijgers die de mode-industrie in een goede richting moeten duwen. Zo heb je bijvoorbeeld het Fashion Pact, een globale coalitie die de milieu-impact van de industrie wilt aanpakken of het Charter voor Duurzame Mode van de Verenigde Naties.

Maar we moeten het nu durven verzilveren. Als we die visie ook blijven behouden en incorporeren na de crisis kan er een paradigmashift plaatsvinden. Dit kán werken, maar dan moeten ook overheden, naast merken, daadkracht tonen en de roep van miljoenen mensen wereldwijd in sterk beleid omzetten.

#whomademyclothes

Tijdens Fashion Revolution Week willen we zoveel mogelijk mensen hier bewust van maken. Wij zijn van het principe: loved clothes last. Herontdek je kleding, verander ze, upcycle ze, en vooral: apprecieer ze opnieuw. Maar blijf ook kritisch en roep kledingmerken op verantwoording af te leggen en eis transparantie, ook tijdens crisissen als deze. Laat jij ook je stem horen? Neem dan een selfie met het kledingmerk van een kledingstuk duidelijk zichtbaar, zet het op je sociale media en tag het merk met #whomademyclothes!

'I want you to act as if the house is on fire. Because it is.' Die woorden van Greta Thunberg, die ze vorig jaar uitsprak op het World Economic Forum, zijn actueler dan ooit. Toen ging het over het klimaat, maar de beschrijving geldt ook voor de kledingindustrie. Zéker nu tijdens de coronacrisis miljoenen kledingarbeiders de dupe zijn van de wanpraktijken van merken, die hier ook te koop zijn. Tijdens Fashion Revolution Week roepen we daarom niet alleen merken wereldwijd ter verantwoording, maar pleiten we ook voor een nodige systeemverandering.De laatste weken regende het artikels over merken en retailers die door de Covid-19-crisis massaal hun bestellingen cancelden. Logisch, zou je denken: zij kunnen hun afzetmarkten niet meer ten volle benutten dus moeten ze maatregelen nemen. Maar daar zit het addertje. Grote retailers en kledingmerken betalen namelijk vaak hun orders pas ná de levering, waardoor de fabriek waar de productie plaatsvindt zelf instaat voor het aankopen van materiaal. Hierdoor hebben, volgens de internationale vakbond IndustriALL, al miljoenen kledingarbeiders hun job verloren of worden ze gewoonweg niet meer betaald. Wereldwijd komen ze daarom massaal op straat. En terecht.Het wordt tijd dat merken de verantwoordelijkheid nemen voor de kledingarbeiders in hun productieketen. Zij vormen hierin namelijk een van de kwetsbaarste schakels, vaak zonder gezondheidszorg, sociaal of financieel opvangnet. En dat op wereldschaal. Offshoring, het verplaatsen van productie naar lageloonlanden, was in de kledingindustrie in de Verenigde Staten in de jaren zeventig al bezig. Maar het was vooral het Noord-Amerikaanse vrijhandelsakkoord NAFTA, dat een startschot gaf aan het massaal uitbesteden van kledingproductie-eenheden. Dit gaf letterlijk vrij spel aan kledingmerken en retailers en daar maken ze hard gebruik van. Het gevolg: steeds meer onoverzichtelijke en gefragmenteerde productieketens waarbij mensenrechten worden genegeerd en het milieu veel te zwaar wordt belast. Het geeft merken een zwak excuus om een oogje dicht te knijpen omdat ze niet meer weten -of nagaan- waar hun productie nu exact plaatsvindt en in welke omstandigheden. De échte prijs van een kledingstuk wordt niet betaald door de consument, maar door de kledingarbeider zelf: hun lonen zijn vaak erbarmelijk. Zo ligt het loon van een kledingarbeider in Bangladesh rond de 85 euro, terwijl een leefbaar loon om in basisnoden als voeding en onderdak te voorzien, zeker dubbel zo hoog zou moeten liggen. Daarnaast is de werkdruk er, door het gehanteerde fast fashionsysteem van merken, enorm. Het milieu verliest er daarnaast ook door: zo zou de kleding- en schoenenindustrie verantwoordelijk zijn voor ongeveer acht procent van de broeikasgassen doordat onder andere fabrieken in die landen nog vaak draaien op fossiele brandstoffen.Toch mogen we niet blijven wanhopen. Dat is ook bij Fashion Revolution niet onze instelling. De hele crisis kan ons immers de kans geven vastgeroeste systemen in de kledingindustrie te herdenken. Hoe lelijk het plaatje ook is, we kunnen nu de keuze maken om te veranderen: om kwaliteit boven kwantiteit te kiezen en mens én milieu op de eerste plaats te zetten. We hoeven niet massaal rivieren in Azië te vervuilen om onze kleding in de meest trendy kleuren te gieten. We moeten niet meer om de twee weken een nieuw kledingstuk kopen om de trends op te volgen. We produceerden tot nu namelijk aan een duizelingwekkend tempo. In vijftien jaar tijd is onze productie verdubbeld. Seizoenen en tussenseizoenen vlogen ons om de oren, waarbij solden de voorgaande, vaak al goedkope, seizoensitems over de toonbank jagen. Die prijzenslag doet wel meer items verkopen, maar zet tegelijkertijd een enorme druk op kledingarbeiders die vaak voor hetzelfde loon hun targets zien verhoogd worden. De crisis verplicht en leert ons gelukkig om te vertragen en te appreciëren wat er nu al is. Bewuster in het leven staan kan leiden tot bewuster consumeren. Al voor de crisis stonden er steeds meer initiatieven in de stijgers die de mode-industrie in een goede richting moeten duwen. Zo heb je bijvoorbeeld het Fashion Pact, een globale coalitie die de milieu-impact van de industrie wilt aanpakken of het Charter voor Duurzame Mode van de Verenigde Naties. Maar we moeten het nu durven verzilveren. Als we die visie ook blijven behouden en incorporeren na de crisis kan er een paradigmashift plaatsvinden. Dit kán werken, maar dan moeten ook overheden, naast merken, daadkracht tonen en de roep van miljoenen mensen wereldwijd in sterk beleid omzetten.