'Als je niet goed leert, zal je moeten meegaan met de mannen van de vuilkar.' Ik hoor het mijn grootmoeder nog zeggen, in tijden waarin alles nog moest komen dat onontkoombaar was en spannend. De zon viel in onze living. Ik klemde mijn potlood steviger vast en maakte mijn sommen met ongeziene ijver om toch maar te ontsnappen aan het noodlot van de vuilniskar.

De vuilniskar werd mijn schrikbeeld, evenals de 'bak', zoals de gevangenis genoemd werd, en het geheimzinnige lokaaltje naast ons appartementsgebouw. Daar kwamen op zondagvoormiddag een heleboel mannen samen en soms ook een paar vrouwen. 'De AA', fezelde mijn grootmoeder: 'Mannen die gedronken hebben.' Ik was acht en begreep het niet goed. Iederéén dronk toch - en moest dus ook gedronken hebben? Zonder drank kon een mens maximaal drie dagen overleven, hadden we geleerd in de lessen werkelijkheidsonderricht.

Maar om bij het schrikbeeld van de vuilniskar te blijven: dat zou een half leven lang met mij meereizen. Pas in deze coronatijden is het veranderd. Terwijl de helft van de wereld in lockdown zit en via de videochat speelt dat hij aan het werk is, blijven de mannen van de vuilniskar gewoon hun job doen met doodsverachting. Ze houden de straten schoon en zorgen dat je huis niet overwoekerd wordt met afval. Ze houden de lucht zuiver en de ratten op afstand.

Zonder hen zaten we nu niet alleen met COVID19 opgezadeld, maar ook met vlektyfus of builenpest

Ze pakken mijn blauwe zakken mee zonder morren, alsook het restafval en de lege flessen die van verveling en schrik talrijker zijn geworden. Zonder hen zaten we nu niet alleen met COVID19 opgezadeld, maar ook met een opstoot van vlektyfus of builenpest.

De mannen van de vuilkar zijn de mannen die de gas doen branden. Ik schrijf wel degelijk: mannen. Ze bestaan ongetwijfeld, maar ik denk niet dat ik zelf ooit al een vrouw aan een vuilniskar heb zien hangen. Dat is een vorm van discriminatie die in genderfluïde tijden onderzocht zou moeten worden.

Maar of het nu mannen zijn of vrouwen: een dikke merci, mensen van de vuilniskar, voor jullie moed en volharding. Jullie werk is geen schrikbeeld meer voor mij, maar een nobele opdracht. Als ik vanavond om acht uur in mijn handen klap, dan is dat voor de helden van het afval.

Nooit zal ik zeggen aan mijn dochters: 'Als je niet goed leert, zal je moeten meegaan met de mannen van de vuilkar.'

Wil jij zelf collega's, vrienden, verplegers, buren, personeel of de bakker om de hoek in de bloemetjes zetten op Weekend.be? Zet op mail wie je waarom wil bedanken naar bedankt@knack.be en wij doen de rest.

'Als je niet goed leert, zal je moeten meegaan met de mannen van de vuilkar.' Ik hoor het mijn grootmoeder nog zeggen, in tijden waarin alles nog moest komen dat onontkoombaar was en spannend. De zon viel in onze living. Ik klemde mijn potlood steviger vast en maakte mijn sommen met ongeziene ijver om toch maar te ontsnappen aan het noodlot van de vuilniskar.De vuilniskar werd mijn schrikbeeld, evenals de 'bak', zoals de gevangenis genoemd werd, en het geheimzinnige lokaaltje naast ons appartementsgebouw. Daar kwamen op zondagvoormiddag een heleboel mannen samen en soms ook een paar vrouwen. 'De AA', fezelde mijn grootmoeder: 'Mannen die gedronken hebben.' Ik was acht en begreep het niet goed. Iederéén dronk toch - en moest dus ook gedronken hebben? Zonder drank kon een mens maximaal drie dagen overleven, hadden we geleerd in de lessen werkelijkheidsonderricht.Maar om bij het schrikbeeld van de vuilniskar te blijven: dat zou een half leven lang met mij meereizen. Pas in deze coronatijden is het veranderd. Terwijl de helft van de wereld in lockdown zit en via de videochat speelt dat hij aan het werk is, blijven de mannen van de vuilniskar gewoon hun job doen met doodsverachting. Ze houden de straten schoon en zorgen dat je huis niet overwoekerd wordt met afval. Ze houden de lucht zuiver en de ratten op afstand.Ze pakken mijn blauwe zakken mee zonder morren, alsook het restafval en de lege flessen die van verveling en schrik talrijker zijn geworden. Zonder hen zaten we nu niet alleen met COVID19 opgezadeld, maar ook met een opstoot van vlektyfus of builenpest.De mannen van de vuilkar zijn de mannen die de gas doen branden. Ik schrijf wel degelijk: mannen. Ze bestaan ongetwijfeld, maar ik denk niet dat ik zelf ooit al een vrouw aan een vuilniskar heb zien hangen. Dat is een vorm van discriminatie die in genderfluïde tijden onderzocht zou moeten worden. Maar of het nu mannen zijn of vrouwen: een dikke merci, mensen van de vuilniskar, voor jullie moed en volharding. Jullie werk is geen schrikbeeld meer voor mij, maar een nobele opdracht. Als ik vanavond om acht uur in mijn handen klap, dan is dat voor de helden van het afval.Nooit zal ik zeggen aan mijn dochters: 'Als je niet goed leert, zal je moeten meegaan met de mannen van de vuilkar.'