Het is lente in de Provence, en samen met mijn vriendin loop ik door een dorp als een ansichtkaart. Pleintjes, fonteintjes en bomen vol bloesem. We hebben vakantie, hoeven niks behalve besluiten of het al tijd is voor het eerste glas rosé van de dag. Zo kuieren we rond, zorgeloos gelukkig. Maar opeens staat ze stil. 'Lief, ik ben bang.' Haar ogen zijn groot en haar wangen wit. 'Ik denk dat ik iets aan mijn hart heb. Nee, ik weet het eigenlijk zeker.'
...

Het is lente in de Provence, en samen met mijn vriendin loop ik door een dorp als een ansichtkaart. Pleintjes, fonteintjes en bomen vol bloesem. We hebben vakantie, hoeven niks behalve besluiten of het al tijd is voor het eerste glas rosé van de dag. Zo kuieren we rond, zorgeloos gelukkig. Maar opeens staat ze stil. 'Lief, ik ben bang.' Haar ogen zijn groot en haar wangen wit. 'Ik denk dat ik iets aan mijn hart heb. Nee, ik weet het eigenlijk zeker.' Ik weet meteen: ze mankeert niks. Of nou ja, ze mankeert wel iets, maar niks fysieks. Het is haar hypochondrie die opspeelt. Een psychische aandoening waarbij je dénkt dat je iets ernstigs onder de leden hebt - een hartkwaal, tumor of hersenbloeding - terwijl er niks aan de hand is. Gekmakend is het, en in de categorie angststoornissen is het een complexe. Soms is het alleen hypochondrie, vaker is het gekoppeld aan iets anders. Smetvrees bijvoorbeeld, of een diepgewortelde angst voor het verlies van controle. Wie diep graaft, komt vaak bij een onverwerkt trauma als voedingsbodem voor de hypochondrische gedachten. Zie je wel, denkt de hypochonder als hij een dierbare ziek ziet worden of zelfs sterven. Hoofdpijn? Hersentumor. Een zeurende pijn in de borst? Hartaanval op komst. Het ís niet zo, maar de hypochondrie doet geloven dat het zo is. Angst en paniek dus. Zo erg dat het je lamlegt en geen ruimte in je hoofd laat voor iets anders dan het vermeende onheil dat je wacht. En dan steeds de omgeving die zegt: 'Het is niks, dat weet je toch? Het was niks, het is niks en morgen is het ook niks.' Maar de hypochondrie is sterker dan de ratio. Dus gaat de hypochonder van dokter naar dokter, scans, onderzoeken. En dan is er nog die ene dokter die allesbehalve geruststelt: dokter Google. Wie met een beetje hoofdpijn op het internet gaat zoeken, is in drie klikken bij een hersentumor. Niet omdat de kans op een hersentumor bij hoofdpijn zo groot is, maar omdat doemscenario's hoog scoren op de zoekmachine. Obsessief zoeken naar vermeende fysieke kwalen op internet heeft een naam: cyberchondrie. Brits onderzoek toonde onlangs aan dat medisch gerelateerde angstklachten in frequentie toenemen door het zoeken naar ziektes en symptomen op internet. De Vlaamse overheid kwam in 2014 met de campagne ' Don't google it'. Bij het zoeken naar een klacht uit de top 100 van de meest gezochte ziektebeelden, was de eerste hit een link naar de website van de campagne. De boodschap: googel jezelf niet ziek, maar grijp liever naar betrouwbare bronnen zoals je eigen huisarts. Een andere hulplijn voor hypochonders is de Nederlandse Angst, Dwang en Fobie Stichting (ADF). Hier kunnen hypochonders met lotgenoten bellen als de paniek toeslaat. Maaike van der Linden-Kamphuis - medewerker van de ADF Stichting -hoort geregeld over onbegrip in de omgeving: 'Veel mensen begrijpen het niet. Zoals bij alle angststoornissen is de reactie vaak: 'Volgens mij heb je gewoon even een schop onder de kont nodig.' Maar zo werkt het niet. Het is een serieuze aandoening die het leven van iemand kan verzieken. Letterlijk.' Bij de ADF Stichting verwijst men al snel door naar een psycholoog. Cognitieve gedragstherapie kan effectief zijn. Niet om ervan af te raken, maar om ermee om te leren gaan. Van der Linden-Kamphuis: 'Een van de voornaamste dingen die hypochonders in therapie moeten leren is loslaten. Je kunt niet alles voorkomen, je kunt niet alles voorzien: that's life.' Terug naar de Provence. De storm is gaan liggen in het hoofd van mijn vriendin. Ze neemt van me aan dat er niets mis is met haar hart. Op een terras drinken we dat eerste glas rosé van de dag. Tevreden zwijgend luisteren we naar het geklater van een fontein. 'Waar denk je aan?' vraag ik. Ze neemt een slok en antwoordt: 'Als ik er straks niet meer ben, zorg jij dan voor de kat?'