Al enkele keren heb ik me afgevraagd of het corona-virus zou verdwijnen als de hele wereld twee weken thuis zou blijven. Stel je voor dat we door in de zetel gerold naar televisie te kijken de wereld van een grote crisis zouden kunnen redden.

Telkens worden deze gedachten onmiddellijk opgevolgd door beelden van dakloze gezinnen, vluchtelingen in kampen, verpleegsters in de weer met zieke patiënten, kassiersters achter toonbanken, en vuilnismannen hangend achter wagens, die de illusie van een comfortabele oplossing meteen doorprikken. Mijn dagdromen maken abstractie van al die minder geprivilegieerde mensen voor wie een rustige veertiendaagse thuis er niet meteen in zit. Nader bekeken zouden mijn twee weken thuis zich ook niet echt beperken tot uitrusten in de zetel. Met drie kleine kinderen vult het huis zich nog voor het ochtendgloren met gehuil, gezang, gekrijs, gebrul, muziek en gestamp. Meestal rest de scheidsrechter niets anders dan aan alles mee te doen.

De nood aan twee weken platte rust is torenhoog, niet enkel om de wereld virusvrij te maken

Nochtans is de nood aan twee weken platte rust torenhoog, niet enkel om de wereld virusvrij te maken. Ik moet toegeven dat mijn wildste fantasieën tegenwoordig gaan over dagenlange stilteretraites of eenzame bergwandelingen, slechts in een enkel geval afgewisseld met totaal uit de hand gelopen braspartijen. Om die reden klinkt het soms zo vreemd in de oren als mensen vragen of ik het nu wat rustiger heb. Daarbij lijken ze te veronderstellen dat de problemen voor werkende ouders zich beperken tot de periode van de lockdown. Alleen, als je maanden maar half kan werken omdat je ondertussen en op dezelfde plaats je kinderen moet entertainen en onderwijzen, dan heb je de maanden nadien gewoon dubbel zo veel werk om al de opgestapelde arbeid in te halen. Dus stapelt de uitputting zich gewoon verder op. Natuurlijk is het waar dat de relatie werk-gezin voor velen voor corona al redelijk uit balans hing. Jaren aan een stuk slapeloze nachten combineren met een hoge werkdruk levert niet meteen het meest fitte lijf of de scherpste geest op. Misschien net daarom dat de corona-verwikkelingen voor velen voelen als de druppel die de emmer doet overlopen.

Achteraf beschouwd was de grandioze planning, volgestouwd met 'challenges' knutselmiddagen en kookexperimenten, alsook het voornemen de kinderen te onthouden van een etiket van verloren corona-generatie, natuurlijk een recept voor totale uitputting. Meestal was het vat al af nog voor ik moest beginnen aan het echte werk - kinderen opvangen bleek niet als officiële werktijd meegerekend te worden.

Op sommige momenten leek de berg te verzetten werk zo groot, dat ik de drang voelde in bed te kruipen om me onder mijn deken te verstoppen

Toen ik eindelijk achter mijn bureau zat, was de aandacht snel afgeleid door stampende schoenen of kloppende hamers. Veel van mijn collega's zullen zich nog goed de fierheid herinneren waarmee mijn zoontje onverstoorbaar kwam vertellen hoe hij zijn waterraket eindelijk de lucht in had gekregen, maar ook de ontgoocheling omdat het twee tuinen verder bij de buren was geland. Soms vraag ik me af of het niet beter in plaats van slechter was geweest indien ik ze nog meer voor de televisie had gezet. Op anderen momenten versta ik niet waarom ik niet meer genoten heb van die onverwachte extra tijd met de kinderen. Maar de realiteit is dat ik gewoon doodop was.

Helaas is daar nog weinig aan veranderd. Ook niet na enkele weken Italië, waar we totaal tegen onze verwachtingen, maar onze stoutste dromen volgend, plots vertoefden. Anders dan veel van mijn collega's die alleen nog dieper hebben gegraven in de put van hun energieniveau, waren we zo roekeloos geweest ons vakantiehuis niet te annuleren en zo bevonden we ons plots zonder voorbedacht plan in een van de veiligste landen in Europa. Mijn man en ik konden er maanden van kleine ergernissen en verschillen in pedagogische modellen overkomen. De neiging was groot om nooit meer terug te keren, maar uiteindelijk was onze durf te klein en onze werkethiek te hoog. Eens terug, de kinderen op kamp of in de crèche, kwamen we meteen weer in de mallemolen van het werkleven terecht, alleen draaide de molen dubbel zo snel als we gewoon waren. Op sommige momenten leek de berg te verzetten werk zo groot, dat ik de drang voelde in bed te kruipen om me onder mijn deken te verstoppen. Maar in plaats daarvan heb ik me 'vermand' en ben ik net zoals tijdens de lockdown terug volle dagen inclusief avonden aan de slag gegaan.

Het nieuwe normaal kenmerkt zich door een gebrek aan een lange termijn perspectief en een continue onzekerheid

Toch verschilt de huidige situatie erg van de lockdown. De stress is gebleven, maar de spanning die de motor aanvoerde is weg. De 'wittebroodsweken' van het nieuwe regime zijn voorbij, ondertussen is het een nieuw normaal geworden. Ook de solidariteit heeft plaats gemaakt voor polarisering tussen corona(maatregel)-believers en non-believers. Met een mix van nostalgie en gêne denk ik terug aan de tijd dat we samen met de hele straat elke avond voor de deur stonden te applaudisseren, misschien uiteindelijk vooral voor onszelf. Het nieuwe normaal kenmerkt zich door een gebrek aan een lange termijn perspectief en een continue onzekerheid over een nieuwe (noodzakelijke) lockdown die misschien wel het einde van de energie-put zou delven. Toch voelt deze nieuwe fase van het corona-normaal ook ergens bedroevender aan dan die van de lockdown.

Ik werk thuis en het huis is leeg. Ik mis de geluiden van de kinderen, maar besef dat het is zoals met de seizoenen. In de zomer mis ik de sneeuw en in de winter verlang ik steeds naar hittegolven. Alleen lijken deze corona-cycli geen vernieuwing te brengen, want na elke cyclus voel ik me nog meer belabberd. Maar vandaag zit ik opnieuw thuis met een kind. We zijn ons dochtertje nog steeds erkentelijk dat ze anders dan gewoonlijk niet als een van de eerste het corona-virus heeft opgedaan. Maar de windpokken kon ze niet laten liggen. Omdat ik de weerman hoorde vertellen dat het frisser is dan gemiddeld, heb ik, weliswaar zonder te weten op welke temperatuur dat precies neerkwam, haar lijfje vol bolletjes goed ingeduffeld. We maken een fietstochtje in de Gentse Blaarmeersen. We stoppen even aan het water en kijken naar de meeuwen die op corona-vellige afstand op de toppen van pilaren in het water zitten. Ik zeg: 'Gaan we zwemmen?' Vol ongeloof roept mijn dochtertje: 'Neeeeeen, mama!' Om er onmiddellijk aan toe te voegen: 'Eerst zwempak aantrekken!' Ik besef dat ik de broodnodige vernieuwing niet ver moet gaan zoeken.

Luce Beeckmans is deeltijds docent aan de Vakgroep Architectuur en Stedenbouw van de Universiteit Gent en senior postdoctoraal onderzoeker bij het FWO. Ze schrijft hier in eigen naam.

Al enkele keren heb ik me afgevraagd of het corona-virus zou verdwijnen als de hele wereld twee weken thuis zou blijven. Stel je voor dat we door in de zetel gerold naar televisie te kijken de wereld van een grote crisis zouden kunnen redden. Telkens worden deze gedachten onmiddellijk opgevolgd door beelden van dakloze gezinnen, vluchtelingen in kampen, verpleegsters in de weer met zieke patiënten, kassiersters achter toonbanken, en vuilnismannen hangend achter wagens, die de illusie van een comfortabele oplossing meteen doorprikken. Mijn dagdromen maken abstractie van al die minder geprivilegieerde mensen voor wie een rustige veertiendaagse thuis er niet meteen in zit. Nader bekeken zouden mijn twee weken thuis zich ook niet echt beperken tot uitrusten in de zetel. Met drie kleine kinderen vult het huis zich nog voor het ochtendgloren met gehuil, gezang, gekrijs, gebrul, muziek en gestamp. Meestal rest de scheidsrechter niets anders dan aan alles mee te doen. Nochtans is de nood aan twee weken platte rust torenhoog, niet enkel om de wereld virusvrij te maken. Ik moet toegeven dat mijn wildste fantasieën tegenwoordig gaan over dagenlange stilteretraites of eenzame bergwandelingen, slechts in een enkel geval afgewisseld met totaal uit de hand gelopen braspartijen. Om die reden klinkt het soms zo vreemd in de oren als mensen vragen of ik het nu wat rustiger heb. Daarbij lijken ze te veronderstellen dat de problemen voor werkende ouders zich beperken tot de periode van de lockdown. Alleen, als je maanden maar half kan werken omdat je ondertussen en op dezelfde plaats je kinderen moet entertainen en onderwijzen, dan heb je de maanden nadien gewoon dubbel zo veel werk om al de opgestapelde arbeid in te halen. Dus stapelt de uitputting zich gewoon verder op. Natuurlijk is het waar dat de relatie werk-gezin voor velen voor corona al redelijk uit balans hing. Jaren aan een stuk slapeloze nachten combineren met een hoge werkdruk levert niet meteen het meest fitte lijf of de scherpste geest op. Misschien net daarom dat de corona-verwikkelingen voor velen voelen als de druppel die de emmer doet overlopen.Achteraf beschouwd was de grandioze planning, volgestouwd met 'challenges' knutselmiddagen en kookexperimenten, alsook het voornemen de kinderen te onthouden van een etiket van verloren corona-generatie, natuurlijk een recept voor totale uitputting. Meestal was het vat al af nog voor ik moest beginnen aan het echte werk - kinderen opvangen bleek niet als officiële werktijd meegerekend te worden. Toen ik eindelijk achter mijn bureau zat, was de aandacht snel afgeleid door stampende schoenen of kloppende hamers. Veel van mijn collega's zullen zich nog goed de fierheid herinneren waarmee mijn zoontje onverstoorbaar kwam vertellen hoe hij zijn waterraket eindelijk de lucht in had gekregen, maar ook de ontgoocheling omdat het twee tuinen verder bij de buren was geland. Soms vraag ik me af of het niet beter in plaats van slechter was geweest indien ik ze nog meer voor de televisie had gezet. Op anderen momenten versta ik niet waarom ik niet meer genoten heb van die onverwachte extra tijd met de kinderen. Maar de realiteit is dat ik gewoon doodop was.Helaas is daar nog weinig aan veranderd. Ook niet na enkele weken Italië, waar we totaal tegen onze verwachtingen, maar onze stoutste dromen volgend, plots vertoefden. Anders dan veel van mijn collega's die alleen nog dieper hebben gegraven in de put van hun energieniveau, waren we zo roekeloos geweest ons vakantiehuis niet te annuleren en zo bevonden we ons plots zonder voorbedacht plan in een van de veiligste landen in Europa. Mijn man en ik konden er maanden van kleine ergernissen en verschillen in pedagogische modellen overkomen. De neiging was groot om nooit meer terug te keren, maar uiteindelijk was onze durf te klein en onze werkethiek te hoog. Eens terug, de kinderen op kamp of in de crèche, kwamen we meteen weer in de mallemolen van het werkleven terecht, alleen draaide de molen dubbel zo snel als we gewoon waren. Op sommige momenten leek de berg te verzetten werk zo groot, dat ik de drang voelde in bed te kruipen om me onder mijn deken te verstoppen. Maar in plaats daarvan heb ik me 'vermand' en ben ik net zoals tijdens de lockdown terug volle dagen inclusief avonden aan de slag gegaan.Toch verschilt de huidige situatie erg van de lockdown. De stress is gebleven, maar de spanning die de motor aanvoerde is weg. De 'wittebroodsweken' van het nieuwe regime zijn voorbij, ondertussen is het een nieuw normaal geworden. Ook de solidariteit heeft plaats gemaakt voor polarisering tussen corona(maatregel)-believers en non-believers. Met een mix van nostalgie en gêne denk ik terug aan de tijd dat we samen met de hele straat elke avond voor de deur stonden te applaudisseren, misschien uiteindelijk vooral voor onszelf. Het nieuwe normaal kenmerkt zich door een gebrek aan een lange termijn perspectief en een continue onzekerheid over een nieuwe (noodzakelijke) lockdown die misschien wel het einde van de energie-put zou delven. Toch voelt deze nieuwe fase van het corona-normaal ook ergens bedroevender aan dan die van de lockdown.Ik werk thuis en het huis is leeg. Ik mis de geluiden van de kinderen, maar besef dat het is zoals met de seizoenen. In de zomer mis ik de sneeuw en in de winter verlang ik steeds naar hittegolven. Alleen lijken deze corona-cycli geen vernieuwing te brengen, want na elke cyclus voel ik me nog meer belabberd. Maar vandaag zit ik opnieuw thuis met een kind. We zijn ons dochtertje nog steeds erkentelijk dat ze anders dan gewoonlijk niet als een van de eerste het corona-virus heeft opgedaan. Maar de windpokken kon ze niet laten liggen. Omdat ik de weerman hoorde vertellen dat het frisser is dan gemiddeld, heb ik, weliswaar zonder te weten op welke temperatuur dat precies neerkwam, haar lijfje vol bolletjes goed ingeduffeld. We maken een fietstochtje in de Gentse Blaarmeersen. We stoppen even aan het water en kijken naar de meeuwen die op corona-vellige afstand op de toppen van pilaren in het water zitten. Ik zeg: 'Gaan we zwemmen?' Vol ongeloof roept mijn dochtertje: 'Neeeeeen, mama!' Om er onmiddellijk aan toe te voegen: 'Eerst zwempak aantrekken!' Ik besef dat ik de broodnodige vernieuwing niet ver moet gaan zoeken.