Ze zitten daar en kijken ernstig in de lens, op een foto in sepia die iemand heeft bijgekleurd met roze potlood. De vrouwen die mij in dit leven zijn voorafgegaan: een taai en dapper viergeslacht. Elk zit in een andere levensfase, van de kleuter die later mijn moeder zal worden tot Klein Meterke, dat op de foto al merkbaar lijkt gekrompen. Ik noem ze ‘de moeders’ – ook al heeft alleen de jongste mij echt op de wereld gezet.
De foto komt uit 1947, of ergens daaromtrent. Het leven was niet mals voor de gewone mens. In de ogen van de moeders zie je ontbering en bombardementen, mannen met losse handen, attaques, slepende ziektes, miskramen en ongewenste zwangerschappen. Naarmate de jaren klimmen, worden hun gezichten minder zacht. Ik hoop dat er af en toe toch ook wat te lachen viel.
Hoe dat is begonnen, weet ik niet, maar de laatste tijd vraag ik de moeders soms om een zegen of een gunst. Het is een klein bijgeloof, een poging om grip te krijgen op de waanzin die om zich heen lijkt te grijpen. Noem het magisch denken, maar het kan je door de wereld helpen. Zelfs mijn kat heeft zo’n ritueel: hij gelooft heilig in zijn voederbakje. Dat is verbonden met de wifi, zodat ik hem vanop afstand droge brokken kan geven. Voor mijn kat heeft dat bakje bovennatuurlijke krachten; voor mij de moeders op die foto.
Vroeger aanbaden mensen alles wat hen raakte: de zon, de maan, de wind, de buffel, een regenboog of hun voorouders. Dat kon allemaal tegelijk, zonder dat iemand erom maalde. Tot de veelgoderij plaatsmaakte voor een god die de enige wilde zijn en de concurrentie het licht in de ogen niet gunde.
Zelfs mijn kat heeft een ritueel: hij gelooft heilig in zijn voederbakje. Dat is verbonden met de wifi, zodat ik hem vanop afstand droge brokken kan geven.
Zelf ben ik niet praktiserend, maar ik brand wel kaarsen alsof mijn leven ervan afhangt. Ik heb een zwak voor de zogeheten noveenkaarsen, die hun rode gloed negen dagen en nachten kunnen vasthouden. Ik kocht een flinke voorraad toen ze bij Albert Heijn in de aanbieding waren. Nu staan er drie dozijn op een richel in het keldergat, alleen ontsierd door een schreeuwerige bol die waarschuwt: ‘1,00 euro OP = OP!’ Wat ik ook probeer, die sticker laat zich niet lospeuteren zonder een vieze vlek achter te laten. Maar telt een wens minder omdat die uit de solden komt?
Ik brand kaarsen voor wie het kan gebruiken, van mijn dochter die haar weg zoekt op een nieuwe school tot de oud-collega die een operatie ondergaat van zeven uur, uitgevoerd door een robot die zich laat bijstaan door een chirurg. Soms brand ik een kaars voor mezelf, vaker voor leed dat ik bij anderen zie. Onlangs zag ik, op een trottoir in Kortrijk, een man gereanimeerd worden. Zijn gezicht was asgrauw en zijn buik bewoog heen en weer op het ritme van de hartmassage, als water in een golfslagbad. Een politieagent stond erbij en staarde naar de dakgoot. Alles wees erop dat hulp te laat kwam.
Ook voor die man heb ik een kaars gebrand, al denk ik niet dat hij de avond heeft gehaald. Het beeld bleef bij me hangen, zelfs tijdens het optreden van Chibi Ichigo en Eefje de Visser, toen iedereen danste en vrolijk was.
We voelen ons heel wat, fluisteren de moeders. Maar we zijn maar een vingerknip van het lot.