Ze staat voor mij in de vleesafdeling: een jonge vrouw die op haar bovenarm een vis heeft laten tatoeëren. Geen vervaarlijke haai of een dolfijn die danst op de golven, maar een zielig pietermandingetje, spartelend tussen de karbonades en schnitzels. Het blijft mij verbazen wat mensen op hun ledematen vereeuwigen.
Een treurvis, zou Jotie T’Hooft het genoemd hebben. Maar Jotie is vergeten – of zoals dat dichterlijker heet: weggedeemsterd. Hij scoort minder goed op Google dan Klaasje, Prins Laurent of zelfs ikzelf, die ooit een biografie aan hem wijdde. Hij schreef mooie verzen die het hart beroerden, maar schoonheid is veel van haar pluimen verloren. We leven in pokdalige tijden. Het lezen van de krant doet je beschaamd het hoofd afwenden, als je al niet de drang voelt om uit het raam te springen.
Wat helpt tegen zulke gevoelens, is het bakken van pannenkoeken als troost uit een pakje. Het deeg geeft geen commentaar. Het vist niet naar likes en slaat je niet om de oren met meningen. De geur van boter en beslag is als een vriendelijk nieuwsbericht. Mijn pannenkoeken bestrooi ik het liefst met lichtbruine basterdsuiker. Mijn vriendjes hadden die als kind, wij thuis helaas alleen de donkerbruine. Het gras is altijd groener aan de overkant, maar basterd vind ik een curieus woord.
De geur van boter en beslag is als een vriendelijk nieuwsbericht.
Ter bevordering van de spijsvertering ga ik soms wandelen in een park in een uithoek van de stad, waar eekhoorns zitten en het licht wordt gefilterd door oude bomen. Daar liggen kastanjes in hun groene of bruine harnassen. Ik raap ze op als waren het talismans. Ik weeg ze in mijn handpalm en voel dat ze geheimen bewaren.
De bolster van de tamme kastanje is stekeliger, alsof hij zichzelf moet verdedigen omdat hij weet dat hij eetbaar is. De wilde kastanje toont zich guller, met zijn zeemvelachtige huid, zoals de vergeten schrijfster Marie Gevers terecht opmerkte. Ook wel paardenkastanje genoemd, diende hij vroeger als medicijn tegen hoest bij eenhoevige zoogdieren. Nu voedt hij vooral herten en zwijnen.
Of ze wild zijn of tam, kastanjes roepen bij mij onbezorgde herinneringen op. Ze lagen met hopen bij een vervallen kasteeltje waar ik als kind speelde, toen de zon altijd op verweerde muren leek te schijnen. In Rijsel kocht ik ze met mijn geliefde bij een straatkraampje: gepofte kastanjes in een papieren zak, de geur van het najaar die zich nestelt in je kleren. Zulke herinneringen zijn schatten die je kunt verzilveren als de wereld je te machtig wordt.
Onlangs ben ik teruggekeerd naar dat kasteeltje. De boom stond er nog, de zon scheen zoals vroeger, de muren waren nog wat meer verweerd en ik heb stiekem enkele kastanjes in mijn zak laten glijden. Die ga ik nu laten ontkiemen. Eerst maanden in de koelkast op vochtig papier, om de winter na te bootsen. Dat proces wordt stratificatie genoemd, een woord dat je zelden in het wild tegenkomt.
Het is mij niet duidelijk wat ik daarmee hoop te redden of terug te brengen. Ik blijf een romanticus, die houdt van de herfst en van het feit dat de dagen korten.
Als ik iets op mij liet tatoeëren, koos ik misschien voor een bolster of zee-egel.