Op een verloren avond zit ik te kijken naar de documentaire Bommen op België. Ze toont hoe duizenden burgers in 1944 ten prooi vielen aan friendly fire op plekken als Mortsel, Merelbeke en Kortrijk. Ik schrik als een Amerikaanse straaljager – het is geloof ik een Sabre – zwenkt en gierend zijn bommen afwerpt.
Dat moet een anachronisme zijn, want de geallieerden gebruikten pas straaljagers ná de Tweede Wereldoorlog. Voor wie wat verstand heeft van vliegtuigen, voelt het alsof je in een film over het oude Rome een slaaf ziet rondlopen met een polshorloge. Een foutje in de research: het overkomt de beste, maar je maakt het liever zelf niet mee.
Ondanks de lugubere feiten, voel ik trots omdat ik de vergissing opmerkte. Blijkbaar waren de strips van Buck Danny, die ik in mijn jeugd verslond, toch nog ergens goed voor. Buck is een onverschrokken Amerikaanse piloot, rechtdoorzee en met een kaaklijn als een jukebox. In de albums – ze droegen titels als Het Geheim van de Spookvliegtuigen – duikt hij overal ter wereld op om brandjes te blussen. Hij helpt ons zelfs een paar keer op het nippertje te ontsnappen aan een atoomoorlog, samen met zijn maats Jerry Tumbler en Sonny Tuckson.
Als kind was ik dol op die sfeer van moed en heldendom. Bij mijn vriendjes in Wemmel waanden we onszelf piloot. In de logeerkamer hadden we de cockpit nagebouwd van een B-52, de strategische bommenwerper waarnaar een pruik en een rockband vernoemd zijn. We tekenden instrumentenpanelen op karton en gebruikten de stang van een stofzuiger als stuurkolom. We droegen militaire rangen, gehoorzaamden bevelen en zagen spionnen van vreemde mogendheden in bejaarden die op straat wandelden. Wie mij toen bezig zag, zou nooit verwachten dat ik later een vreedzame stukjesschrijver zou worden.
Guust Flater heeft het hart op de juiste plaats, maar je moet niet met hem ten oorlog trekken.
Ik was ook verzot op Guust Flater, zowat het tegenovergestelde van Buck Danny. Guust is een klungelig, aartslui manusje-van-alles op een uitgeverij. De enige ambitie van deze vleesgeworden antiheld is het bedenken van bizarre uitvindingen. Hij houdt een meeuw als huisdier en is verliefd op juffrouw Jannie, die hem blozend ‘mijnheer Guust’ blijft noemen. Hij heeft het hart op de juiste plaats, maar je moet niet met hem ten oorlog trekken.
Mijn albums van Buck Danny – veertig delen – reisden een half mensenleven met mij mee, ook al woonde ik allang niet meer in Wemmel. Ik sloeg ze nog zelden open. Als ik dat toch deed, verbaasde ik me over het militarisme dat eruit opwalmde. Tekenaar Victor Hubinon, las ik ergens, vond zijn held te perfect en te saai. Hij raakte Buck Danny kotsbeu.
Inmiddels doorzag ik wat die strips verhulden: de wereld is niet zwart-wit, aan beide kanten staan zowel helden als schurken. Uiteindelijk verkocht ik de reeks aan een enthousiaste jonge vader. Guust Flater mocht blijven. Ik herlees hem soms nog en draag hem een warm hart toe.
Alle lof trouwens voor de makers van Bommen op België. Een van de ooggetuigen zegt: ‘In de oorlog is er maar één echt slachtoffer en dat is de gewone man. De gewone man heeft het altijd zitten.’
Daar kunnen ze ons niet genoeg aan herinneren.
Lees ook: ‘Op zoek naar een psycholoog? Ga naar het kringloopcentrum’