Jean-Paul Mulders
‘De vindingrijkheid van de mens blijft mij verbazen, als het erop aankomt de ander te rollen en te belazeren’
In de post was een ‘droploket’, waar je zelf pakjes kon inscannen die je terug wilde sturen naar de afzender. Je deponeerde je pakje dan in een grote juten zak. Het apparaat spuwde een ontvangstbewijs uit zonder dat je moest aanschuiven in de wachtrij. Dat was handig en efficiënt. Het gaf het soort gevoel van triomf als wanneer je zelf kunt doorrijden op de snelweg, terwijl er in de andere richting een kilometerslange file staat.
Het droploket blijkt nu echter onverwachts buiten gebruik gesteld. Hoe dat komt, vraag ik aan de postbediende als ik eindelijk tot bij het loket geraak na een queue vol ongeduldig volk. ‘Er werd te veel misbruik van gemaakt’, zucht hij. ‘Klanten scanden een pakje in, maar gooiden het niet in de zak. Ze namen het terug mee en dienden klacht in omdat het zogezegd verloren was gegaan.’
Hij schudt zijn grijze hoofd en werpt mij een blik van verstandhouding toe. ‘Zoals gewoonlijk,’ voegt hij eraan toe, ‘moeten de goeden nu voor de slechten boeten.’
De vindingrijkheid van de mens blijft mij verbazen, als het erop aankomt de ander te rollen en te belazeren, het bos in te sturen of anderszins een loer te draaien. Je voelt je steeds eenzamer als je probeert om rechtdoorzee te zijn.
Je kunt niet veel bezitten zonder dat een ander het ook graag wil.
Het went als je lang genoeg op deze planeet rondscharrelt, maar onverwachts vind ik het toch nog erg jammer: dat je zo uit je doppen moet kijken voor de ander. Soms denk ik daaraan als ik een wachtwoord invoer of een sleutel omdraai in een slot. Hoe vaak doe je dat niet in een mensenleven? 485.000 keer, leert mij een grove schatting door artificiële intelligentie. Je staat er niet bij stil, maar dat zijn een half miljoen blijken van wantrouwen tegenover je soortgenoten. Meestal terecht, want je kunt niet veel bezitten zonder dat een ander het ook graag wil. Zelfs het houdertje voor mijn telefoon werd van mijn fiets geschroefd bij klaarlichte dag op de Korenmarkt. Het kostte slechts acht euro, maar toch liet de verdwijning mij achter met een vies gevoel. Het is een onschuldig voorbeeld. Ik heb ook al meegemaakt dat mensen met wie ik lief en leed deelde mij plotseling een mes in de rug staken.
In Japan, zo wil toch een hardnekkige legende, is het minder vanzelfsprekend dat alles wordt gepikt dat niet te heet of te zwaar is. Mensen hebben er een sterk gevoel van eerlijkheid en verantwoordelijkheid. Verloren portefeuilles worden er bijvoorbeeld netjes ingeleverd bij de politie – zonder dat je schrik moet hebben dat die er zelf met haar tengels in zit.
Japanners hebben nog wel meer bizarre kanten. Er zijn cafés waar je kunt knuffelen met wildvreemden en in Kawasaki vieren ze binnenkort weer het Festival van de IJzeren Fallus. Berucht zijn ook de automaten met gebruikte slipjes. Volgens The Sushi Times zijn die echter afgeschaft – zoals bij ons het droploket.
Intussen blijf ik anderen het voordeel van de twijfel geven. ‘De grootste tragedie in de wereld is niet dat mensen niet te vertrouwen zijn,’ zei Marlene Dietrich, ‘maar dat ze soms te vertrouwen zijn.’
Dat vind ik mooi gezegd – hoewel de herkomst van de quote zoals wel vaker onbetrouwbaar is.
Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier